Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BK8405

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
09/748004-08 en 09/3566
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klaagschrift strekkende tot teruggave van logboeken aan klager ongegrond verklaard.

Deze zaak staat in relatie met LJN: BK8403

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Parketnummer: 09/748004-08

Kenmerk RK: 09/3566

Beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in (Argentiniƫ),

en wonende [adres],

te dezer zake domicilie kiezende te Amsterdam,

1016 EW, Keizersgracht 278, ten kantore van mr. G. Spong,

blijkens een daarvan opgemaakte akte op 19 oktober 2009 ter griffie van deze rechtbank ingediend, strekkende tot teruggave van logboeken aan klager.

De rechtbank heeft op 17 november 2009, 18 december 2009 en 22 december 2009 dit bezwaarschrift in raadkamer behandeld.

Verdachte is op 18 december 2009 middels een videoconferentie gehoord. Namens verdachte was op alle zittingen aanwezig zijn raadsman, mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het klaagschrift.

Beoordeling van het klaagschrift.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

Vast staat dat bedoelde logboeken op 22 september 2009 onder klager in beslag zijn genomen en hem in eigendom toebehoren.

Het openbaar ministerie verdenkt klager ervan het in artikel 4, eerste lid, onder i van de Wet Internationale Misdrijven (WIM) genoemde delict te hebben begaan. De raadsman van klager heeft betoogd dat het openbaar ministerie geen rechtsmacht heeft met betrekking tot deze verdenking, zodat de logboeken onrechtmatig in beslag zijn genomen en behoren te worden teruggegeven aan klager.

De raadsman heeft daartoe allereerst aangevoerd dat aan de WIM geen terugwerkende kracht toekomt. De zogenaamde "dodenvluchten" waaraan klager verdacht wordt als piloot te hebben deelgenomen hebben plaatsgevonden in de periode tussen 1976 en 1983. Nu de WIM pas in 2003 in werking is getreden heeft Nederland - en het openbaar ministerie - geen rechtsmacht ten aanzien van deze verdenking.

Daarnaast is, aldus de raadsman geen sprake van een 'voortdurend delict' - in welk geval Nederland wel rechtsmacht zou hebben ten aanzien van de verdenking - nu het onderhavige delict - het achterhouden van informatie over gedwongen verdwijningen - pas in 2003 strafbaar is geworden. Voorts beoogt het - nog niet geratificeerde - Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning (hierna: het Verdrag) geheime detentie tegen te gaan, zodat het voortdurend karakter van het delict uitsluitend aan die vorm van gedwongen verdwijningen verbonden dient te worden. Nu aangenomen mag worden dat de slachtoffers van de "dodenvluchten" niet meer in leven zijn is er geen sprake van een voortdurend delict.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het misdrijf voortduurt zolang men informatie heeft over een gedwongen verdwijning en deze informatie niet geeft. Uit de formulering van artikel 4, tweede lid, onder d van de WIM, dat definieert wat onder gedwongen verdwijning van personen moet worden verstaan, blijkt dat het achterhouden van informatie ook strafbaar is ten aanzien van verdwenen personen die zijn gedood.

Tevens blijkt uit Kamerstukken betreffende de implementatie van het Verdrag dat dit verdrag ook van toepassing is op gedwongen verdwijningen die zijn begonnen voor de inwerkingtreding van het Verdrag, maar nadien doorlopen. Het achterhouden van informatie over gedwongen verdwijningen - ongeacht het tijdstip van de gedwongen verdwijning - is daarom aan te merken als een strafbaar feit, zodat Nederland rechtsmacht heeft.

De rechtbank oordeelt als volgt. Of Nederland op basis van de WIM al dan niet rechtsmacht heeft ten aanzien van het feit waarvan klager thans wordt verdacht, is vooralsnog geen uitgemaakte zaak. Mogelijk dat het Verdrag dat net als artikel 4, tweede lid, onder d van de WIM handelt over gedwongen verdwijning, (mede) antwoord zal geven op die vraag. Daarover zal uiteindelijk de strafkamer die de eventuele strafzaak tegen klager inhoudelijk zal beoordelen, uitsluitsel dienen te geven. Op zichzelf is thans echter niet evident duidelijk dat het openbaar ministerie geen bevoegdheid tot inbeslagname toekomt en evenmin staat vast dat het openbaar ministerie geen enkel belang heeft bij inbeslagname van de onderhavige logboeken. Onder deze omstandigheden moet de inbeslagname vooralsnog rechtmatig worden geacht.

Ingevolge artikel 94 Sv zijn alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen vatbaar voor inbeslagneming. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de in beslag genomen logboeken dienen om de waarheid aan de dag te brengen en is daartoe ook het voortduren van het beslag noodzakelijk. Het belang van strafvordering verzet zich daarom tegen opheffing van het beslag.

De rechtbank zal - gelet op het vorenstaande - het klaagschrift ongegrond verklaren.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.

Aldus gedaan te 's-Gravenhage door mrs Van Rens, voorzitter, Knijff en De Ridder, rechters, in tegenwoordigheid van mr Gunnewegh, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 januari 2010.