Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:4553

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
08_9337
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

bestreden uitspraak op bezwaar. Gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08/9337 IB/PVV

Uitspraakdatum: 2 maart 2010

Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[eiser] , wonende te [plaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ Holland-Midden, kantoor [plaats] , verweerder.

08/9337

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 5 december 2008 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2002 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.043 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 330.337 (aanslagnr. 695.14.392.H.26).

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2010. Namens eiser is daar verschenen drs. C. Overduin. Namens verweerder zijn verschenen mr. M. van Elk en mr. M.C. van Faassen. Gelijktijdig met het beroep van eiser is het beroep van zijn echtgenote inzake de haar voor het jaar 2002 opgelegde aanslag IB/PVV behandeld (zaaksnr. 08/9338).

IIBESLISSING

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.043 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 88.472 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder ertoe de kosten van het beroep ten bedrage van € 322 aan eiser te voldoen;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

IIIOVERWEGINGEN

3.1 Eiser is in 2002 enig aandeelhouder en enig bestuurder van [B.V.] (hierna: de B.V.). Eiser heeft in 2002 en in de voorafgaande jaren gelden uit de B.V. opgenomen, in 2002 tot een totaalbedrag van € 176.945. Terzake van deze opnamen is geen overeenkomst van geldlening noch enige andere overeenkomst opgemaakt. Bij de B.V. zijn de opnamen geboekt in rekening-courant. De stand van de rekening-courant was op 31 december 2001 € 459.090 en op 31 december 2002 € 660.675. Eiser heeft terzake van de opnamen niets vermeld in zijn achtereenvolgende aangiften.

3.2 Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor 2002 het standpunt ingenomen dat de B.V. in dat jaar definitief heeft afgezien van alle in rekening-courant geboekte bedragen en dat de eindstand van € 660.675 geheel is uitgedeeld aan eiser en zijn echtgenote. Op grond van artikel 2.17, vierde lid, aanhef en ten tweede, van de Wet IB 2001 heeft hij bij eiser en diens echtgenote ieder de helft hiervan, € 330.337, als inkomen uit aanmerkelijk belang in de heffing betrokken.

3.3 Eiser heeft in beroep het standpunt ingenomen dat er bij de B.V. in 2002 sprake is van een onttrekking van € 176.945 en dat deze onttrekking niet als een uitdeling van winst kan worden aangemerkt.

3.4 Niet tussen partijen in geschil is dat in de loop van 2002 en van de voorafgaande boekjaren door eiser gelden aan het vermogen van de B.V. zijn ontrokken voor doeleinden die vreemd waren aan de onderneming van de B.V. (hierna: de onttrekkingen). De rechtbank is van oordeel dat eiser door de onttrekkingen is bevoordeeld en dat de B.V. heeft gewild eiser de onttrekkingen in zijn hoedanigheid van enig aandeelhouder te doen toekomen. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Eiser had als bestuurder en enig aandeelhouder van de B.V. de volledige zeggenschap over de B.V., was in economische zin rechtstreeks gerechtigd tot het vermogen van de B.V. en kon geheel zelfstandig besluiten bedragen aan het vermogen van de B.V. te onttrekken. Feiten waaruit zou kunnen blijken dat de B.V. de onttrekkingen aan eiser heeft doen toekomen in enige andere hoedanigheid dan die van aandeelhouder, zijn gesteld noch gebleken. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat eiser zich van zijn bevoordeling als aandeelhouder bewust is geweest of redelijkerwijs bewust had moeten zijn. Dat de B.V. door de onttrekkingen werd verarmd en dat eiser daardoor in privé werd verrijkt, zonder dat daarvoor een andere reden was dan dat eiser de enig aandeelhouder van de B.V. was, kan eiser niet zijn ontgaan. De verklaring van eiser dat hij zich van de bevoordeling niet bewust is geweest, acht de rechtbank niet geloofwaardig, nu deze verklaring geen steun vindt in de feiten.

3.5 De onttrekkingen dienen naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 4.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Ingevolge artikel 4.43 van de Wet worden reguliere voordelen geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld of rentedragend dan wel vorderbaar en inbaar zijn geworden. Gelet hierop vormt het onder 3.3 genoemde bedrag van € 176.945, dat eiser, naar hij heeft erkend, in 2002 heeft ontvangen, voor hem een in 2002 genoten regulier voordeel uit aanmerkelijk belang.

3.6 Verweerder, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser niet aannemelijk gemaakt dat eiser in 2002, naast het bedrag van

€ 176.495, nog andere voordelen uit zijn aanmerkelijk belang in de B.V. heeft getrokken. Met name heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat het saldo van de in de boekhouding van de B.V. voorkomende rekening-courant, welk saldo bij het begin van 2002 € 459.090 bedroeg, en de daarop door de B.V. voor 2002 bijgeboekte rente op enig moment in 2002 op één van de in artikel 4.43 van de Wet genoemde wijzen aan eiser is toegekomen.

3.7 Niet is gesteld dat op de door eiser in 2002 genoten reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang van € 176.945 aftrekbare kosten in mindering moeten worden gebracht. Het inkomen uit aanmerkelijk belang bedraagt derhalve eveneens € 176.945. Dit inkomen wordt in artikel 2.17, vijfde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet aangemerkt als een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel van eiser en zijn echtgenote. Gelet op het bepaalde in artikel 2.17, derde lid, van de Wet wordt dit gemeenschappelijk inkomensbestanddeel geacht bij eiser en zijn echtgenote ieder voor helft op te komen. Het aan eiser toe te rekenen inkomen uit aanmerkelijk belang bedraagt mitsdien € 88.472.

3.8 Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd.

3.9 De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De zaak van eiser en die van zijn echtgenote (zaaksnr. 08/9338) beschouwt de rechtbank als samenhangende zaken, nu beide zaken hetzelfde jaar en hetzelfde geschilpunt betreffen en de rechtsbijstand in beide zaken door dezelfde gemachtigde is verleend. De rechtbank heeft de kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand berekend op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322, een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1 en een wegingsfactor voor het aantal samenhangende zaken van 1). Van het aldus berekende bedrag heeft de rechtbank aan eiser en zijn echtgenote ieder 50%, dat is € 322, toegekend.

Aldus vastgesteld door mr.G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier mr.C.J.M. Reniers.

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. -

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. -

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Afschrift verzonden op: