Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:35373

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
09/925486-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Bij stalking kunnen zich situaties voordoen waarbij redelijkerwijs aannemelijk is dat DNA-onderzoek een rol kan spelen bij opsporing, vervolging of berechting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Parketnummer: 09/92548609

Kenmerk RK: 09/3993

Beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van:

[bezwaarder] ,

geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

blijkens een daarvan opgemaakte akte op 7 december 2009 ter griffie van deze rechtbank ingediend, tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel ingevolge het bevel van de officier van justitie gedateerd 25 oktober 2009. Op 25 november 2009 heeft de daadwerkelijke afname van DNA-materiaal bij bezwaarde plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer. De rechtbank heeft op 2 maart 2009 dit bezwaarschrift in raadkamer behandeld.

Bezwaarde, bijgestaan door mr. M.J.G. Schroeder, advocaat te 's-Gravenhage als vervanger voor mr. S. Süzen, advocaat te Rotterdam, is in raadkamer gehoord.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot gegrondverklaring van het bezwaar.

Beoordeling van het bezwaarschrift.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het bezwaarschrift. Het bezwaarschrift is tijdig ingekomen.

Bezwaarde is bij uitspraak van 4 september 2009 door de politierechter van deze rechtbank ter zake - kort gezegd - belaging, gepleegd in de periode van 14 maar 2009 tot en met 10 april 2009, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met aftrek conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren.

Bij bezwaarde is, ingevolge het bevel van de officier van justitie van 25 oktober 2009, op 25 november 2009 op grond artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, celmateriaal afgenomen. Het DNA-profiel van bezwaarde is nog niet bepaald.

Door bezwaarde is - kort samengevat - aangevoerd dat

1. het afnemen en opslaan van DNA-celmateriaal in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens (EVRM),

2. de situatie van bezwaarde valt onder de uitzondering van artikel 2, eerste lid, sub b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden;

3. het hoger beroep van bezwaarde tegen het vonnis d.d. 4 september 2009 de DNA-afname stuit.

De rechtbank overweegt als volgt.

met betrekking tot 1.

De afname en opslag van DNA-materiaal bij bezwaarde betreft een schending die bij wet is voorzien en mitsdien voldoet aan de eisen van art. 8 EVRM.

met betrekking tot 2

De vraag die voorligt, is of de uitzondering van artikel 2, eerste lid, sub b, van de Wet DNA­ onderzoek bij veroordeelden zich voordoet. Volgens de raadsman, daarin gevolgd door de officier van justitie, is dit het geval nu voor DNA-onderzoek geen rol had kunnen spelen bij de opsporing en vervolging van het feit waarvoor bezwaarde veroordeeld is.

Artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden bepaalt dat afname van DNA plaatsvindt, tenzij er sprake is van een van de uitzonderingen genoemd in het eerste lid, sub a of sub b. In het eerste lid sub b wordt bepaald dat het DNA-profiel niet zal worden bepaald en verwerkt als "redelijkerwijs aannemelijk is dat DNA niet van betekenis zal zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde" (MvT, p. 11 ). Uit de MvT volgt dat deze zin twee uitzonderingen op de verplichting tot DNA-verwerking bevat.

De eerste uitzondering gaat op als bezwaarde is veroordeeld voor een feit waarvoor DNA niet van betekenis kan zijn. DNA-verwerking is echter wel weer mogelijk als aannemelijk is dat bezwaarde zal recidiveren voor een ander misdrijf waarbij DNA oplossing kan bieden, of wanneer bezwaarde in het verleden andere misdrijven heeft begaan waarbij doorgaans celmateriaal achterblijft.

De tweede uitzondering richt zich op de bijzonderheid van de omstandigheden: bezwaarde heeft nooit eerder misdrijven gepleegd en zal nimmer meer misdrijven plegen waarvoor DNA van betekenis kan zijn. Gelet op uitspraak van de Hoge Raad d.d. 13 mei 2008 (LJN: BC 823 I en BC 8234) dient deze uitzondering zeer beperkt te worden uitgelegd.

Bezwaarde is veroordeeld voor stalking. Op zichzelf is het juist dat bij de daadwerkelijke opsporing en berechting van bezwaarde DNA-onderzoek geen rol heeft gespeeld. Dat betekent echter nog niet dat er in zijn algemeenheid sprake is van een strafbaar feit waarvoor DNA niet van betekenis zal kunnen zijn. Ook bij stalking kunnen zich immers situaties voor doen waarbij redelijkerwijs aannemelijk is dat DNA-onderzoek een rol van betekenis kan spelen bij de opsporing, vervolging en berechting ervan. Van een situatie waarop de eerste uitzondering van artikel 2 eerste lid sub b ziet, is naar het oordeel van de rechtbank mitsdien geen sprake.

Ook de tweede uitzondering is niet aan de orde, gelet op de zeer beperkte uitleg die hieraan volgens de Hoge Raad moet worden gegeven.

met betrekking tot 3.

Zoals bepaald in artikel 1, eerste lid, sub c van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden kan de afname, bepaling en verwerking van DNA kan plaatsvinden na een veroordeling, ook als deze nog niet onherroepelijk is (MvT, p. 30-31).

Beslissing.

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Aldus gedaan te 's-Gravenhage door mr. E.A.G.M. van Rens, vice-president, in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Beneken genaamd Kolmer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 maart 2010.