Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:35247

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
12-10-2015
Zaaknummer
369136 - HA ZA 10-2188
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

tussenvonnis. Aanbod en aanvaarding. 3:37 lid 3 BW. Risico niet-bereiken aanvaarding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 's-Gravenhage

369136 / HA ZA 10-218819 januari 2011

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 369136 / HA ZA 10-2188

Vonnis van 5 januari 2011 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

eiser,

advocaat mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats] , kantoorhoudende te Valleta, Malta,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. van der Burg.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 mei 2010 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 18 augustus 2010 waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 december 2010 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is in dienst bij [X] . [gedaagde] was aandeelhoudster van [X] . Zij heeft haar aandelen op 26 juni 2006 aan een Chinese partij geleverd.

2.2.

Bij brief van 16 mei 2007 heeft [A] namens [gedaagde] aan [eiser] onder meer als volgt geschreven:

“In bovengenoemd kader ben ik – in het geval de overname inderdaad wordt geëffectueerd – graag bereid om met een aantal managers van [X] een bonus-regeling af te spreken.

Om in aanmerking te komen voor deze bonusregeling dien jij deze brief ondertekend aan mij te retourneren binnen twee weken na ontvangst. Met de ondertekening verklaar je het volgende (…).

De bonusregeling voor jou is als volgt. Ik hou voor jou een bedrag van maximaal € 100.000,- beschikbaar. Ik zal op de tweede verjaardag van de overname aan jou het maximale bedrag uitkeren in het geval er aan drie voorwaarden is voldaan: (1) het is gebleken dat de informatie die jij aan [B] hebt verstrekt in verband met de disclosures juist en volledig was, (2) jij hebt gedurende twee jaar na de overname je best gedaan om het succes van [X] te continueren en (3) jij hebt je gedurende twee jaar na de overname niet in negatieve zin over mij uitgelaten.

(…).”

Onderaan deze brief is als correspondentie-adres opgenomen “ [postbus nummer] , [postcode] [plaats] .”

2.3.

In een brief gedateerd 20 mei 2007 van [eiser] aan [gedaagde] is onder meer opgenomen:

“Bijgaand de door mij onderschreven brief retour. (…)”

Deze brief is gezonden aan het correspondentie-adres van [gedaagde] als vermeld in de brief van 16 mei 2007. Op de enveloppe die door [eiser] is gebruikt heeft TNT de optie “vertrokken / onbewoond” aangekruist, waarna de brief, al dan niet via een verdeelcentrum, aan [eiser] is geretourneerd.

2.4.

In een schriftelijke verklaring van [C] , directeur van [Y] B.V., van 1 december 2010 is onder meer opgenomen:

“De door mij te tekenen brief heb ik thuis per post gehad op 18 mei 2007, deze was verstuurd op 16 mei vanuit [plaats] .

Deze brief heb ik ondertekend terug gestuurd op 28 mei 2007.

(…).”

2.5.

Op een print van het scherm van de computer van [eiser] waarop de brief van 20 mei 2007 is te zien, is ten aanzien van dit document gemeld:

“modified: zondag 20 mei 2007, 10:34:20.”

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 102.842,00, te vermeerderen met wettelijke rente over een hoofdsom van € 100.000,- vanaf 1 juli 2009, althans 23 september 2009, tot aan de dag der algehele voldoening en de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening, een en ander onder veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten.

3.2.

Aan die vordering legt [eiser] ten grondslag – samengevat weergegeven – dat hij het aanbod van 16 mei 2007 met zijn brief van 20 mei 2007 heeft aanvaard, dat hij vervolgens aan alle voorwaarden voor uitkering van de bonus heeft voldaan en dat hij [gedaagde] vergeefs tot uitkering heeft gesommeerd.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Op stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] neemt terecht tot uitgangspunt dat zijn vordering slechts kan slagen indien komt vast te staan dat hij het aanbod vervat in de brief van 16 mei 2007 heeft aanvaard. De wijze van aanvaarding is in de brief van 16 mei 2007 voorgeschreven: binnen twee weken na ontvangst dient de brief ondertekend te zijn teruggestuurd. Nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] deze eis niet mocht stellen, heeft de rechtbank te onderzoeken of [eiser] aan dit voorschrift heeft voldaan. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden de in art. 3:37 lid 3 BW neergelegde regel dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt, maar dat ook een verklaring welke die persoon niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking heeft indien dit niet (tijdig) bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt. Voorts is uitgangspunt dat [eiser] , nu hij zich beroept op het rechtsgevolg van de door hem tot [gedaagde] gerichte verklaring, zonodig dient te bewijzen dat deze verklaring [gedaagde] (tijdig) heeft bereikt, of dat - zo dit niet zou komen vast te staan - het niet (tijdig) bereiken het gevolg was van een voor rekening van [gedaagde] komende omstandigheid als in art. 3:37 lid 3 BW vermeld.

4.2.

[eiser] beroept zich in dit verband op zijn brief van 20 mei 2007 waarmee hij de brief van 16 mei 2007 na ondertekening heeft teruggestuurd aan het in de brief van 16 mei 2007 vermelde correspondentie-adres. Bovendien stelt hij deze acceptatie-brief een tweede maal te hebben verzonden aan hetzelfde adres nadat hij telefonisch had geverifieerd of het nog juist was. [gedaagde] heeft betwist dat zij de brief van 20 mei 2007 of enig ander bericht waarmee het aanbod is aanvaard, heeft ontvangen. De rechtbank overweegt als volgt.

4.3.

In de eerste plaats gaat de rechtbank voorbij aan het betoog van [gedaagde] dat [eiser] niet al op 20 mei 2007 een brief kan hebben gestuurd om het aanbod van 16 mei 2007 te accepteren aangezien dat aanbod eerst op 21 mei 2007 zou zijn verzonden. Niet alleen volgt uit de print van het scherm van de computer van [eiser] in voldoende mate dat de brief van 20 mei 2007 daadwerkelijk op die datum is opgesteld, maar ook staat die datum onderaan de brief van 20 mei 2007 zoals die in origineel ter comparitie uit de originele enveloppe is gehaald. Uit die enveloppe kwam ook het origineel van de brief van 16 mei 2007 met daarop in blauwe inkt de handtekening van [A] en de handtekening van [eiser] , met daarbij de aantekening “18/5/2007”. Het betoog van [gedaagde] impliceert dat [eiser] niet alleen zijn computer heeft gemanipuleerd, maar ook een onjuiste datum aan zijn handtekening op de brief van 16 mei 2007 heeft toegevoegd. Enige andere aanwijzing daarvoor dan de enkele stelling dat de brief van 16 mei 2007 eerst op 21 mei 2007 ter post is aangeboden ontbreekt evenwel. Bovendien volgt uit de onvoldoende weersproken schriftelijke verklaring van [C] van 1 december 2010 dat hij het voor hem bestemde exemplaar van de brief van 16 mei 2007 op 18 mei 2007 heeft ontvangen, hetgeen zich eveneens niet verhoudt tot het betoog van [gedaagde] dat alle brieven van 16 mei 2007 eerst op 21 mei 2007 ter post zijn aangeboden. Voor zover [gedaagde] aldus met deze stelling beoogt te betogen dat de brief van 20 mei 2007 een vervalsing is zal de rechtbank daaraan voorbij gaan. Voor zover zij er iets anders mee heeft beoogd aan te voeren mist het relevantie voor de hierna volgende beoordeling.

4.4.

De rechtbank gaat voorts voorbij aan het betoog van [eiser] dat hij de brief van 20 mei 2007 binnen de termijn van twee weken nogmaals heeft uitgeprint en heeft verzonden. De ontvangst van ook die (tweede) brief is door [gedaagde] ontkend en [eiser] heeft aangegeven die niet te kunnen bewijzen, zomin als hij de verzending aannemelijk heeft kunnen maken. Deze tweede brief kan bij de verdere beoordeling dan ook geen rol spelen aangezien niet zal kunnen komen vast te staan dat deze hetzij is verzonden en [gedaagde] heeft bereikt hetzij is verzonden en [gedaagde] niet heeft bereikt wegens een voor haar rekening komende omstandigheid.

4.5.

Beoordeeld moet aldus worden of het aanbod van 16 mei 2007 met de brief van 20 mei 2007 is aanvaard. Vast staat dat de brief van 20 mei 2007 [gedaagde] niet heeft bereikt aangezien die brief aan [eiser] is geretourneerd. Daarmee resteert de vraag of het feit dat de brief van 20 mei 2007 [gedaagde] niet heeft bereikt het gevolg is van haar eigen handeling, van de handeling van personen voor wie zij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die haar betreffen en rechtvaardigen dat zij het nadeel draagt, als bedoeld in artikel 3:37 lid 3 BW. De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat die situatie zich voordoet indien de postbus die op de brief van 16 mei 2007 is opgevoerd als correspondentie-adres van [gedaagde] , voor of in de periode waarin het in de brief vervatte aanbod kon worden aanvaard, was opgeheven. Daarmee immers zou [gedaagde] zichzelf onbereikbaar hebben gemaakt, althans heeft zij een situatie in het leven geroepen die rechtvaardigt dat het feit dat de brief van 20 mei 2007 haar niet heeft bereikt, voor haar rekening komt. Het betoog van [gedaagde] dat de brief in dat geval naar het privé-adres van haar directeur zou moeten zijn gestuurd faalt, aangezien de brief van 16 mei 2007 niet namens de directeur in privé, maar namens [gedaagde] is verzonden terwijl [eiser] daarbij onweersproken heeft aangevoerd dat hij, nadat de brief van 20 mei 2007 aan hem was geretourneerd, het adres telefonisch heeft geverifieerd waarbij hem te kennen is gegeven dat het juist was.

4.6.

Het feit dat op de enveloppe waarin de brief van 20 mei 2007 is verzonden de optie is aangekruist “vertrokken / onbewoond” is naar het oordeel van de rechtbank een aanwijzing dat de [postbus nummer] op het moment waarop die brief werd aangeboden, was opgeheven. Een andere aanwijzing voor die conclusie is de verklaring ter comparitie namens [gedaagde] dat een andere aan haar gerichte brief waarin het aanbod van 16 mei 2007 is aanvaard ook aan de afzender is geretourneerd. Tot slot heeft de rechtbank vastgesteld dat de verklaring van [gedaagde] over het opheffen van de postbus ter comparitie bepaald niet eenduidig was. In eerste instantie is namens [gedaagde] immers verklaard dat de postbus vlak na verzending van de brief van 16 mei 2007 is opgeheven, maar dat het ook zou kunnen dat die opheffing toen al had plaatsgevonden. Eerst na schorsing van de comparitie en nadat de rechter-commissaris had aangegeven het moment van opheffing voor de beslissing in deze zaak relevant te vinden, is namens [gedaagde] verklaard dat de postbus veel later is opgeheven. Uitsluitend die laatste verklaring wijst niet op een voortijdige – in de zin: vóór het verstrijken van de termijn waarin het aanbod van 16 mei 2007 kon worden geaccepteerd – opheffing van de postbus. Onder die omstandigheden is de rechtbank voorshands, behoudens door [gedaagde] te leveren tegenbewijs, van oordeel dat op grond van de aantekening op de enveloppe waarin de brief van 20 mei 2007 zat, het feit dat nog een andere acceptatie-brief blijkbaar niet bezorgd kon worden en de onvoldoende eenduidige verklaringen namens [gedaagde] ter comparitie, moet worden aangenomen dat de postbus op naam van [gedaagde] was opgeheven voordat de termijn waarbinnen het aanbod van 16 mei 2007 kon worden aanvaard, was verstreken. [gedaagde] zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, welk tegenbewijs zij bijvoorbeeld mogelijk zal kunnen leveren door het overleggen van de relevante stukken van TNT waaruit de datum van opheffing van de postbus blijkt.

4.7.

Indien [gedaagde] niet in het tegenbewijs slaagt, zal de rechtbank in beginsel oordelen dat zich de situatie als bedoeld in artikel 3:37 lid 3, tweede volzin BW voordoet, zodat de brief van 20 mei 2007 en de daarbij gevoegde ondertekende brief van 16 mei 2007 zijn werking heeft gehad en er dus een overeenkomst tot stand is gekomen. Aangezien [gedaagde] niet of in elk geval onvoldoende onderbouwd heeft weersproken dat [eiser] aan alle voorwaarden gesteld in de brief van 16 mei 2007 heeft voldaan, zal in dat geval de vordering in elk geval voor wat betreft de hoofdsom moeten worden toegewezen. Het betoog ter comparitie dat [eiser] niet aan de voorwaarden heeft voldaan omdat hij zich in negatieve zin over [A] heeft uitgelaten stuit reeds af op het feit dat dit uitlaten, wat daar verder ook van zij, buiten de in de brief van 16 mei 2007 genoemde termijn van twee jaar is gebeurd.

4.8.

De rechtbank is bij een en ander met [gedaagde] van oordeel dat het opmerkelijk is dat [eiser] de brief van 16 mei 2007 blijkbaar eerst enige malen heeft gekopieerd voordat hij deze heeft ondertekend. Veel logischer zou het zijn geweest juist de ondertekende versie te kopiëren. Voor de conclusie dat sprake is van kwaad opzet is evenwel geen grond.

4.9.

Elke verdere beslissing zal worden aangehouden. De zaak zal worden verwezen naar de rol om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen aan te geven op welke wijze zij het tegenbewijs wenst te leveren.

5 De beslissing

De rechtbank

- laat [gedaagde] toe tot het tegenbewijs tegen het voorshands als vaststaand aangenomen feit dat de [postbus nummer] te [plaats] vóór het verstrijken van de periode waarin het aanbod vervat in de brief van 16 mei 2007 door [eiser] kon worden aanvaard, op naam van [gedaagde] was opgeheven;

- verwijst de zaak naar de rol van 19 januari 2011 voor het onder 4.9 omschreven doel;

- houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2011.1509