Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BP4441

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
337296 - KG ZA 09-594
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad tegen de Staat. Aan de orde is de vraag of de Staat ten onrechte het gratieverzoek niet in behandeling heeft genomen hangende het hoger beroep in de strafrechtprocedure. Geoordeeld is dat dit niet het geval is omdat dit een doorkruising van het strafvorderlijk systeem is, ook indien nu al met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststaat dat eiseres in hoger beroep niet ontvankelijk zal worden verklaard. Ook het belang van eiseres bij een schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis noopt er niet toe de Staat te veroordelen om, bij wijze van doorkruising van het strafvorderlijk systeem, thans het gratieverzoek in behandeling te nemen. Er bestaat immers een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bestaat, waarvan eiseres geen gebruik heeft gemaakt. Evenmin bestaat er reden om aan te nemen dat het gratieverzoek schorsende werking toekomt. Het gevorderde wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 19 mei 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 337296 / KG ZA 09-594 van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. N. Velthorst te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J.P. Matze te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiseres]' en 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 14 mei 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [Eiseres] is bij (mondeling) vonnis van 23 januari 2009 van de politierechter van de rechtbank te Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 150 dagen (hierna: 'het vonnis'). De hoger beroepstermijn is formeel op 7 februari 2009 verlopen.

1.2. Namens en op verzoek van [eiseres] is op 5 maart 2009, na het verstrijken van de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel, hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

1.3. Bij brief van 10 maart 2009 heeft de raadsman van [eiseres] aan de officier van justitie verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf totdat in hoger beroep door het hof uitspraak is gedaan.

1.4. Bij brief van 16 maart 2009 heeft de officier van justitie bericht dat er onvoldoende gronden zijn om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf op te schorten in afwachting van de behandeling bij het hof.

1.5. [Eiseres] heeft op 26 maart 2009 een gratieverzoek ingediend bij de Staat. Bij brief van 7 april 2009 met bijlagen is het gratieverzoek nader onderbouwd met bewijsstukken.

1.6. Bij brief van 16 april 2009 is het gratieverzoek door de Staat aan de raadsman van [eiseres] retour gezonden met de mededeling dat het gratieverzoek en het verzoek om tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf op te schorten niet in behandeling worden genomen, omdat het gratieverzoek is ingediend terwijl de rechter nog niet heeft beslist over het ingediende hoger beroep.

1.7. Bij brief van 22 april 2009 heeft de Dienst justitiële Inrichtingen [eiseres] opgeroepen om zich op 25 mei 2009 vóór 11.45 uur te melden bij de gevangenis [X.] te [Y.] voor het ondergaan van de volledige gevangenisstraf.

1.8. Bij brief van 29 april 2009 heeft de raadsman van [eiseres] het gratieverzoek nogmaals ingediend met het verzoek aan de Staat om zijn standpunt te heroverwegen en het gratieverzoek alsnog met ingang van 26 maart 2009 in behandeling te nemen.

1.9. Bij brief van 6 mei 2009 heeft de Staat medegedeeld bij zijn ingenomen standpunt te blijven.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. [Eiseres] vordert - primair - dat de Staat wordt bevolen haar gratieverzoek met ingang van 26 maart 2009 in behandeling te nemen en dat aan het gratieverzoek schorsende werking wordt verleend in de zin van artikel 558a lid 1 sub a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Voorts vordert zij dat de Staat wordt bevolen de werking van de oproeping om zich te melden bij de gevangenis [X.] met onmiddellijke ingang te schorsen tot een nadere, in goede justitie, te bepalen datum. Een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag.

Subsidiair vordert zij dat de voorzieningenrechter een zodanige maatregel treft als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.

2.2. Daartoe voert [eiseres] het volgende aan.

De Staat handelt onrechtmatig jegens [eiseres] nu hij het gratieverzoek niet in behandeling neemt. Het vonnis wordt immers, ondanks het feit dat [eiseres] tegen dat vonnis hoger beroep heeft ingesteld, geacht onherroepelijk te zijn. [Eiseres] zal namelijk, gelet op de jurisprudentie en de reactie van de officier van justitie, niet ontvankelijk worden verklaard in haar appel. De Staat dient daarom het gratieverzoek in behandeling te nemen.

Verder is er sprake van omstandigheden in de persoonlijke situatie van [eiseres], in de zin van artikel 2 van de Gratiewet, die na het vonnis van de politierechter zijn opgekomen, waarmee de politierechter bij zijn vonnis geen rekening heeft gehouden. Indien deze omstandigheden wel of voldoende bekend waren geweest dan had dit de politierechter aanleiding gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien daarvan. Dit leidt ertoe dat aan het gratieverzoek schorsende werking in de zin van artikel 558a lid 1 sub a Sv dient te worden verleend.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Aangezien [eiseres] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens haar handelt, is de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - bevoegd tot kennisneming van de vordering.

3.2. Allereerst staat ter beoordeling of de Staat in redelijkheid heeft kunnen beslissen om het gratieverzoek van [eiseres] van 26 maart 2009 niet in behandeling te nemen. Uitgangspunt is, zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, dat op grond van artikel 2 Gratiewet gratie kan worden verleend op grond van enige omstandigheid waarmee de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft kunnen houden. Daaruit volgt in beginsel dat gratie niet kan worden verleend zolang de zaak nog onder de rechter is. Pas ná diens oordeel kan worden bezien of er (nadien opgekomen) omstandigheden zijn waarmee geen of onvoldoende rekening is gehouden. De voorzieningenrechter overweegt voorts het volgende. Vast staat dat [eiseres] tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld en dat zij dit buiten de gestelde appeltermijn heeft gedaan. Eveneens staat vast dat op dat hoger beroep tot op heden niet is beslist door het hof te Amsterdam, waar het appel aanhangig is. Verder heeft [eiseres] het hoger beroep niet ingetrokken. Het hof zal dientengevolge over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding een uitspraak moeten doen. Pas bij de uitspraak in het hoger beroep zal daarover een definitief oordeel worden gegeven. Een en ander leidt ertoe dat behandeling van het gratieverzoek in dit stadium leidt tot een ongewenste doorkruising van het strafvorderlijk systeem. Het is eerst aan de rechterlijke instantie, in dit geval het hof, om zich uit te laten over de eventuele verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding van het door [eiseres] ingestelde hoger beroep alvorens de Staat zich kan uitlaten over het gratieverzoek. Ook al zou de stelling van [eiseres] juist zijn, dat zij met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet ontvankelijk zal worden verklaard, dan nog is dit geen reden voor de Staat om het strafvorderlijk systeem te doorkruisen door het gratieverzoek in behandeling te nemen. Zolang het hof niet heeft beslist kan immers niet worden uitgesloten dat het aan een inhoudelijke behandeling toekomt.

3.3. [eiseres] heeft betoogd dat zij vooral belang heeft bij een behandeling van het gratieverzoek in dit stadium omdat daaraan in haar visie schorsende werking is verbonden, hetgeen overigens door de Staat is betwist. Voorop staat dat de Staat de tenuitvoerlegging van het vonnis niettegenstaande het hoger beroep heeft aangevangen en daarmee toepassing heeft gegeven aan artikel 557 lid 3 sub 2 Sv.

De voorzieningenrechter overweegt dat [eiseres], in afwachting van het hoger beroep, de voorzitter van de strafkamer had kunnen verzoeken om te bepalen dat het appel tijdig is ingesteld en het openbaar ministerie niet tot executie mag overgaan in de zin van artikel 557 lid 3 sub 2 Sv. Daarmee wordt op voorhand door de voorzitter van de strafkamer een voorlopig oordeel gegeven over de vraag of de termijnoverschrijding van het indienen van het hoger beroep verschoonbaar dient te worden geacht. Dit heeft [eiseres] echter nagelaten. Weliswaar heeft [eiseres] een dergelijk verzoek op 13 mei 2009 bij de voorzitter van de strafkamer van de rechtbank Amsterdam neergelegd, maar dit kan haar niet baten. Zij had dat verzoek bij de voorzitter van het hof moeten indienen omdat het om een aanhangig hoger beroep bij het hof betreft. De voorzieningenrechter kan het betoog van [eiseres] overigens niet volgen dat uit de tekst van de bepaling niet (duidelijk) blijkt of dit verzoek bij de rechtbank of hof dient te worden ingediend. Het is niet meer dan logisch dat een voorlopig oordeel met betrekking tot een aanhangige zaak dient te worden gevraagd bij de instantie waar die zaak aanhangig is. Daar komt bij dat de rechtbank Amsterdam [eiseres] via haar raadman heeft verwezen naar het hof.

Vast staat dus dat [eiseres] het door haar beoogde effect, schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis, langs andere weg had kunnen bereiken. Van deze met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft zij geen gebruik gemaakt. Ook het belang dat [eiseres] heeft bij een schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis noopt er dus niet toe de Staat er toe te veroordelen om, bij wijze van doorkruising van het strafvorderlijk systeem, thans het gratieverzoek in behandeling te nemen. Zij heeft immers andere wegen om haar doel te bereiken. Dit leidt ertoe dat de primaire vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

3.4. Subsidiair vordert [eiseres] dat de voorzieningenrechter een maatregel treft die haar geraden voorkomt. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om in dit kader, en in aanmerking genomen het debat tussen partijen, de vraag te behandelen of, zo het verzoekschrift om gratie, ondanks het voorgaande, als ingediend en het vonnis als onherroepelijk moet worden aangemerkt, te onderzoeken of het ingediende verzoek alsdan schorsende werking zou hebben. De Staat betwist dat er schorsende werking aan het gratieverzoek kan worden verleend, alleen al omdat het gratieverzoek alsdan prematuur is ingediend. Het verzoek is immers op 26 maart 2009 ingediend, terwijl het pas drie maanden na het (hypothetisch) onherroepelijk worden van het vonnis, te weten vanaf 7 mei 2009 had mogen worden ingediend, aldus steeds de Staat. [eiseres] weerspreekt dit en voert in dat verband aan dat het verzoek wel al op 26 maart 2009 kon worden ingesteld omdat sprake is van na het vonnis opgekomen omstandigheden waarmee de politierechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft kunnen houden in de zin van artikel 2 sub a Gratiewet. In die omstandigheden is daarom het eerste lid van artikel 558a Sv van toepassing, aldus [eiseres]. [eiseres] stelt in dat verband dat de klachten van haar partner zijn verergerd en dat zijn medicatie helemaal uit India moet komen en zij haar partner hierbij moet ondersteunen. Voorts wordt de epilepsie van haar kleinkind, voor wie zij de zorg heeft als de ouders van het kind werken, steeds erger, ook door spanningen in de familie vanwege het vonnis. [eiseres] verwijst naar een aantal stukken betreffende de medicijnen van de partner van [eiseres], alsmede naar een medische rapportage en een brief met betrekking tot het kleinkind van [eiseres].

3.5. Naar voorlopig oordeel heeft [eiseres] haar stellingen, mede gelet op het verweer van de Staat, onvoldoende onderbouwd. Uit het gratieverzoek blijkt niet dat sprake is van nieuwe na het vonnis opgekomen omstandigheden. In de door [eiseres] overgelegde documentatie valt te lezen dat het kleinkind al begin 2008 is gediagnosticeerd met Rolandische epilepsie. Bovendien blijkt niet uit het gratieverzoek wanneer de partner van [eiseres] ziek is geworden en evenmin dat, of in hoeverre, [eiseres] haar partner dient te ondersteunen. Daar komt bij dat de Staat onweersproken heeft aangevoerd dat de medicatie ook in Duitsland kan worden gekocht en dat de man de medicatie ook zelf kan innemen.

3.6. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat niet is komen vast te staan dat sprake is van omstandigheden waarmee de (politie)rechter bij zijn beslissing (het vonnis) geen of onvoldoende rekening heeft kunnen houden. Naar voorlopig oordeel slaagt dan ook het verweer van de Staat dat, uitgaande van de onherroepelijkheid van het vonnis, het gratieverzoek prematuur is ingediend. Nu bovendien de tenuitvoerlegging van het vonnis al is aangevangen, [eiseres] is immers bij brief van 22 april 2009 opgeroepen om zich op 25 mei 2009 te melden bij de gevangenis, is de schorsende werking van het eerste lid van 558a Sv niet van toepassing.

3.7. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de primaire en subsidiaire vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

3.8. [Eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.078,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2009.

ib