Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BP4032

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
333269 - KG ZA 09-371
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering uit onrechtmatige daad, ingesteld door eiser en zijn vrouw en dochter. Eiser zit in detentie en vordert onmiddellijke invrijheidstelling op grond van zijn levensbedreigende ziekte. Geoordeeld wordt dat eiser niet ontvankelijk is in zijn vordering ter zake van de strafonderbreking, en dat de procedure bij RSJ een met voldoende waarborgen omklede (strafrechtelijke) rechtsgang biedt. Vervolgens is geoordeeld dat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat aan het gratieverzoek geen schorsende werking wordt toegekend. Gedaagde heeft terzake een ruime mate van beleidsvrijheid. Evenmin is sprake van strijd met artikel 3 en 8 EVRM. Eiser is deels niet ontvankelijk verklaard en voor het overige is de vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 25 maart 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 333269 / KG ZA 09-371 van:

1. [eiser sub 1],

ingeschreven in P.I. [X.], thans verblijvende in het penitentiair ziekenhuis [Y.] te [verblijfplaats],

2. [eiseres sub 2],

3. [eiseres sub 3],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J. Serrarens te Maastricht,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. F.W. Bleichrodt te Den Haag.

1. Het procesverloop

Eisers hebben gedaagde op 18 maart 2009 doen dagvaarden om op 23 maart 2009 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en er is op 25 maart 2009 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 maart 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Eiser sub 1 is als gedetineerde ingeschreven in P.I. [X.]. Eiseres sub 2 is de echtgenote en eiseres sub 3 de dochter van eiser sub 1.

2.2. Bij uitspraak van 28 juli 1994 heeft het Landgericht te Frankfurt am Main, Duitsland, eiser sub 1 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor - onder meer - een tweevoudige moord. De rechtbank te Rotterdam heeft in een exequaturprocedure bij uitspraak van 8 december 1998 verlof verleend voor de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf. Het tegen deze uitspraak gerichte beroep in cassatie is bij arrest van de Hoge Raad van 9 november 1999 verworpen. Daarmee is de Duitse gevangenisstraf omgezet in een Nederlandse. Eiser ondergaat thans de levenslange gevangenisstraf op gelijke voet als de in Nederland tot levenslang veroordeelden.

2.3. Eiser sub 1 heeft een aantal gratieverzoeken ingediend. Alle gratieverzoeken zijn tot op heden afgewezen, laatstelijk op 30 december 2008.

2.4. Bij eiser sub 1 is eind 2008 een ongeneeslijke vorm van longkanker ontdekt. Arts-assistent longziekten [Z.] van het [xxxx] Ziekenhuis heeft op 8 januari 2009 het navolgende verklaard ten aanzien van eiser sub 1, voor zover relevant:

"(...) Bovengenoemde patiënt is bij ons bekend op de polikliniek longziekten. Hij heeft een ernstige ziekte, meest waarschijnlijk betreft dit een longcarcinoom. Dit carcinoom is uitgezaaid naar het borstvlies. De gemiddelde levensverwachting bij een naar het borstvlies uitgezaaid carcinoom is kleiner dan een jaar.(...)"

De verklaring is voor akkoord getekend door dr. [A.], longarts.

2.5. Eiser sub 1 heeft op 13 januari 2009 een nieuw gratieverzoek ingediend bij de Dienst Justis van het ministerie van justitie in verband met zijn gezondheidstoestand. Het openbaar ministerie en de rechtbank Rotterdam hebben op respectievelijk 4 en 19 maart 2009 negatief over dit gratieverzoek geadviseerd.

2.6. Eiser sub 1 heeft de selectiefunctionaris verzocht om strafonderbreking. De selectiefunctionaris heeft dit verzoek bij brief van 26 februari 2009 afgewezen, tegen welke beslissing eiser sub 1 beroep heeft ingesteld bij de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ).

2.7. Sinds 11 maart 2009 verblijft eiser sub 1 in het penitentiair ziekenhuis omdat hij zeer kortademig was en vijf liter vocht in zijn longen had.

2.8. Het bezoekrecht aan eiser sub 1 is verdubbeld in die zin dat hij thans twee uur per week bezoek mag hebben.

3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. Eisers vorderen - zakelijk weergegeven - dat gedaagde wordt bevolen om eiser sub 1 binnen één dag na betekening van dit vonnis in vrijheid te stellen, eventueel onder voorwaarde dat eiser sub 1 daarbij onder toezicht wordt gesteld en eventueel onder de voorwaarde dat dit geldt totdat in de procedures die aanhangig zijn bij de RSJ en de Dienst Justis een definitieve beslissing is genomen.

3.2. Daartoe voeren eisers het volgende aan.

Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eisers door de detentie van eiser sub 1 te laten voortduren en te weigeren hem onmiddellijk vrij te laten. Van eisers kan niet gevergd worden dat zij de uitkomst van de lopende procedures bij de Dienst Justis en de RSJ afwachten. Eiser sub 1 is zodanig ziek en zijn levensverwachting is zodanig dat dit voldoende aanleiding geeft om hem op dit moment vrij te laten. Daarmee is ook het spoedeisend belang gegeven. Bovendien is continuering van de detentie onder deze omstandigheden in strijd met artikel 3 en 8 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).

3.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Aangezien eisers aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd dat gedaagde onrechtmatig jegens hen handelt, is de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - bevoegd tot kennisneming van de vordering.

4.2. Als eerste en meest verstrekkende verweer heeft gedaagde aangevoerd dat eiser sub 1 niet in zijn vordering ter zake van de strafonderbreking kan worden ontvangen. Het betoog van gedaagde dat allereerst de uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ in de zin van artikel 72 lid 2 Penitentiaire beginselenwet dient te worden afgewacht, treft doel. Immers, ingevolge vaste rechtspraak is de procedure bij de RSJ te beschouwen als een met voldoende waarborgen omklede (strafrechtelijke) rechtsgang. Voor de civiele voorzieningenrechter is slechts een taak weggelegd indien bij de RSJ niet voldoende spoedig een voorziening kan worden gekregen. Daarvan is echter geen sprake, omdat de RSJ elk moment, zoals ook ter zitting is komen vast te staan, een beslissing zal nemen. Voorts is ter zitting aan de orde gekomen dat indien de RSJ het oneens is met de beslissing van de selectiefunctionaris, deze laatste weliswaar opnieuw moet beslissen, maar dit kan binnen één dag gebeuren indien de omstandigheden daartoe nopen. Onder deze omstandigheden is er dan ook geen aanleiding voor de voorzieningenrechter om de rechtsgang bij de RSJ te doorkruisen, zodat eiser sub 1 niet ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard.

4.3. Vervolgens komt aan de orde de vraag of er grond bestaat voor doorkruising van de gratieprocedure (rechtsoverweging 2.5). De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Hierop bestaan onder meer de volgende drie uitzonderingen: i) indien een gratieverzoek tot daadwerkelijke gratiëring heeft geleid, ii) indien een gratieverzoek op grond van artikel 558a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van rechtswege opschortende werking heeft en iii) indien de Minister van Justitie op grond van artikel 559a lid 2 Sv aan een ingediend gratieverzoek alsnog schorsende werking toekent, zolang op het verzoek nog niet is beslist.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de eerste twee uitzonderingen hier niet opgaan, zodat die buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of gedaagde in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat aan het gratieverzoek van eiser sub 1 geen schorsende werking behoort te worden toegekend.

4.5. Als uitgangspunt heeft te gelden dat gedaagde bij de onder 4.3. genoemde afweging een grote mate van beleidsvrijheid heeft. In dat verband wordt een vast beleid gehanteerd, dat is neergelegd in de 'Circulaire Uitvoeringsbeleid betreffende drie specifieke onderdelen van het gratie-instrument' van 7 oktober 2005 (Staatscourant 2005, 208, p. 9). Zakelijk weergegeven komt dit beleid er op neer, dat van deze bevoegdheid slechts bij hoge uitzondering gebruik zal worden gemaakt, waarbij als criterium geldt dat gratieverzoeken voor opschortende dan wel schorsende werking van de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel waarop het verzoek betrekking heeft in aanmerking komen indien op grond van door de verzoeker aangevoerde informatie aannemelijk is geworden dat het hoogstwaarschijnlijk is dat zijn gratieverzoek zal worden ingewilligd. De voorzieningenrechter acht dat beleid niet onrechtmatig.

4.6. Bij de beoordeling van de vraag of het hoogstwaarschijnlijk is dat het gratieverzoek zal worden ingewilligd komt allereerst aan de orde de stelling van eisers dat de adviezen van het openbaar ministerie en de rechtbank niet gebaseerd zijn op de meest recente medische gegevens, zodat die adviezen niet gevolgd kunnen worden. Dit betoog kan niet slagen. De rechtbank Rotterdam heeft de toen meest recente medische informatie ontvangen en blijkens de overwegingen betrekt zij dat ook in haar advies.

4.7. Voorts dient in dat verband te worden bezien of het voortzetten van de detentie van eiser sub 1 onrechtmatig is omdat dit, gelijk eisers stellen, in strijd is met artikel 3 en 8 EVRM.

4.8. De voorzieningenrechter begrijpt dat eisers bedoelen dat er strijd is met artikel 3 EVRM omdat eiser sub 1 vanwege zijn medische toestand onderworpen is aan een onmenselijke bestraffing.

4.9. Ten aanzien van eiser sub 1 overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Eiser sub 1 stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 14 november 2002) in de zaak Mouisel tegen Frankrijk, dat detentie van een aan een terminale ziekte zoals kanker lijdende gedetineerde na verloop van tijd een schending van artikel 3 EVRM oplevert. Dit brengt met zich dat er reden is voor gedaagde om eiser sub 1 in vrijheid te stellen. Dit betoog kan echter niet slagen. Het EHRM heeft in de kwestie Mouisel tegen Frankrijk strijd met artikel 3 EVRM aanwezig geacht omdat daarin de medische voorzieningen in detentie tekortschoten, niet enkel omdat de gedetineerde zich in een terminale fase bevond. De stelling dat er in het geval van eiser sub 1 onnodig leed wordt toegevoegd door de detentie in een mate die onmenselijk is kan de voorzieningenrechter niet volgen. Daarbij stelt de voorzieningenrechter voorop dat niet in geschil is dat de medische voorzieningen en verzorging in het penitentiair ziekenhuis waarin eiser sub 1 zich bevindt adequaat en toereikend zijn. Het toegevoegde leed zou voor eiser sub 1 dan daarin bestaan, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter, dat hij niet in vrijheid wordt gesteld onder deze medische omstandigheden. Daaromtrent heeft gedaagde echter betoogd dat hij als beleid hanteert dat gedetineerden alleen in de allerlaatste fase van hun ziekte in vrijheid worden gesteld, waarbij wordt gestreefd naar een waardig afscheid voor de betrokkenen. De huidige medische omstandigheden van eiser sub 1, waarbij de levensverwachting een paar weken tot een paar maanden is, zijn onvoldoende redengevend om eiser sub 1 reeds thans in vrijheid te stellen. Hierbij moet eerder gedacht worden aan één à twee weken, aldus steeds gedaagde. Dit beleid komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor. Daarbij is mede van belang dat gedaagde in beginsel de plicht heeft om strafrechtelijke vonnissen ten uitvoer te leggen.

4.10. Naar voorlopig oordeel is de continuering van de detentie van eiser sub 1 evenmin in strijd met artikel 8 EVRM. Ieder mens heeft recht op family life hetgeen is vastgelegd in artikel 8 EVRM. Op dat recht kan alleen dan een gerechtvaardigde inbreuk worden gemaakt, indien en voor zover dit bij de wet is geregeld. De uitspraak waarbij eiser sub 1 is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf (rechtsoverweging 2.2) is een gerechtvaardigde inbreuk in de zin van artikel 8 lid 2 EVRM, omdat deze middels het Duitse strafrecht is opgelegd en vervolgens middels een exequaturprocedure is omgezet in een Nederlandse gevangenisstraf. Die gerechtvaardigde inbreuk wordt niet onrechtmatig doordat eiser sub 1 terminaal ziek is, hoe triest dit ook is voor eisers.

4.11. Uit het voorgaande volgt dat niet hoogstwaarschijnlijk is dat het gratieverzoek zal worden ingewilligd. Gedaagde heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen om geen schorsende werking te verlenen aan het ingediende gratieverzoek. De door eiser sub 1 ingediende vordering, voor zover ontvankelijk, zal dan ook worden afgewezen.

4.12. Het vorenoverwogene leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat eiser sub 1 in zijn vordering, voor zover gebaseerd op strafonderbreking, niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Voor het overige zal zijn vordering worden afgewezen. Onder die omstandigheden is er voor toewijzing van de vorderingen van eisers sub 2 en 3 geen plaats, nog daargelaten of de door hen gestelde geschonden norm tot hun bescherming strekt. Deze vorderingen zullen eveneens afgewezen worden.

4.13. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart eiser sub 1 deels niet-ontvankelijk in zijn vordering;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.078,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2009.

ib