Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BN1240

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
09/755142-06 - 09/1448
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

BC8454 (hoofdzaak)

591a-verzoek. Kosten raadsman van verzoekster vergoed door vakbond. Niet blijkt dat verzoekster de kosten aan de bond moet terugbetalen of dat die kosten alsnog ten laste van haar komen, indien ze nalaat de kosten via een 591a-procedure te vorderen. De toepasselijke regels bij individuele belangenbehartiging van de vakbond dienen er in het licht van het overwogene enkel toe om kosten die niet door het vakbondslid betaald zijn achteraf alsnog als schade van dat lid te kunnen (doen) terugvorderen. Geen grond om de kosten alsnog als verzoeksters schade te beschouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Parketnummer: 09/755142-06

Kenmerk RK: 09/1448

Beschikking van rechtbank 's-Gravenhage, enkelvoudige raadkamer in strafzaken op het verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[Verzoekster],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

te dezer zake domicilie kiezende te (1301 AA) Almere,

Postbus 10007, ten kantore van mr. E.I.B. Hoffman,

ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 4 mei 2009, strekkende tot een vergoeding ten laste van de Staat van de kosten van zijn raadsvrouw tot een bedrag van in totaal

€ 24.069,37, vermeerderd met een bedrag van in totaal € 540,- in verband met de kosten van het ingediende verzoekschrift.

De rechtbank heeft op 29 september 2009 dit verzoekschrift in raadkamer behandeld.

Verzoekster is - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - niet in raadkamer verschenen; wel aanwezig was haar raadsvrouw, mr. E.I.B. Hoffman, advocaat te Almere.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

Beoordeling van het verzoekschrift.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het verzoek, nu het hoger beroep, dat was aangetekend bij het gerechtshof, is ingetrokken.

Ingevolge artikel 591a, tweede lid, Sv kan aan de gewezen verdachte een vergoeding ten laste van de Staat worden toegekend voor vergoeding van kosten voor een raadsman (hierna: kosten raadsman). Hiertoe is dan vereist dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.

De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door een inmiddels onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer deze rechtbank van 21 maart 2008, waarbij verzoekster is vrijgesproken van het haar tenlastegelegde. Het verzoek is tijdig ingekomen.

Verzoekster stelt dat zij schade heeft geleden door de kosten raadsman die zij zou moeten betalen. De officier van justitie heeft bestreden dat verzoekster enige schade heeft geleden.

Uit het verzoekschrift en hetgeen is verhandeld ter zitting blijkt, dat de kosten raadsman reeds zijn betaald door de Nederlandse Politiebond (NPB) waarvan verzoekster lid is. Verzoekster kon recht op bijstand ontlenen aan dit lidmaatschap. De raadsvrouw stelt dat, hoewel de kosten zijn betaald door de NPB, verzoekster wel degelijk schade heeft geleden, nu zij de kosten bij het bevoegd gezag terug moet vorderen.

Vaststaat dat de kosten raadsman door de NPB zijn betaald. In beginsel betekent dat dat verzoekster de bedoelde schade niet heeft geleden.

Dat kan anders zijn indien moet worden geoordeeld dat de kosten, hoewel feitelijk niet door haar betaald, toch als haar schade zouden moeten worden gezien.

In de kennelijk geldende voorwaarden, de 'NPB-regels bij individuele belangenbehartiging', staat ten aanzien van de aanspraken op geldelijke tegemoetkoming door het bevoegd gezag vermeld:

"Deze aanspraken [...] worden aan de bond overgedragen en de kosten van de juridische dienstverlening worden in gevallen geacht aan u te zijn voorgeschoten."

Niet blijkt uit de bedoelde voorwaarden dat verzoekster verplicht wordt de kosten voor juridische bijstand aan de bond te vergoeden of wat er gebeurt als ze nalaat de kosten bij het bevoegd gezag te vorderen.

De regel dat de kosten 'in gevallen worden geacht te zijn voorgeschoten' dient er in het licht van het bovenstaande enkel toe om kosten die niet door het vakbondslid betaald zijn achteraf alsnog als schade van dat lid terug te kunnen (doen) vorderen. Dat voorschot bestaat slechts 'in gevallen', waarin achteraf een aanspraak blijkt te bestaan. Deze constructie waarbij de door de NPB betaalde advocaatkosten op papier alsnog ten laste van het bewuste lid worden gebracht dient enkel ter vermindering van de schade die niet het lid, maar de NPB lijdt.

Zoals voor een rechtsbijstandverzekeraar de risico's worden gedekt door de betaalde premie, worden die risico's voor een vakbond, die zich ertoe verplicht haar leden rechtsbijstand te verlenen, gedekt door de contributie.

Een vergoeding van de kosten raadsman, als bedoeld in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, is niet in het leven geroepen om financiële risico's van vakbonden of rechtsbijstandverzekeraars (verder) te beperken.

In die bepaling vindt de rechtbank derhalve evenmin een aanknopingspunt om de schade alsnog als verzoeksters schade te rekenen.

Ten aanzien van het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 1973 (NJ 1973, 355) - waarnaar in de beschikkingen het hof Arnhem en het hof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, zoals door de raadsvrouw overgelegd, wordt verwezen - overweegt de rechtbank als volgt.

Bedoeld arrest betreft de door een gewezen verdachte 'geleden of verschuldigde kosten van een raadsman'. De vervolgens beantwoorde rechtsvraag ziet - kort gezegd - op de verhouding tussen de vordering van de gewezen verdachte op diens rechtsbijstandverzekeraar en de vordering ex art. 591a Sv.

Anders dan in de onderhavige zaak is in bedoeld arrest de schade van meet af aan en feitelijk wél door verzoeker geleden, zodat naar het oordeel van de rechtbank bedoeld arrest, juist op het springende punt, geen vergelijkbare zaak betreft.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat in dit geval niet een vordering op de rechtsbijstand- verlenende vakbond - een vordering die verzoekster niet heeft - aan toewijzing in de weg staat, maar het feit dat verzoekster geen schade heeft geleden.

Ten aanzien van de overige door de raadsvrouw overgelegde jurisprudentie overweegt de rechtbank dat niet blijkt dat die op de NPB of op een op de relevante punten vergelijkbare zaak zien.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek afwijzen. Ook het verzoek tot vergoeding van het opstellen en indienen van het verzoekschrift zal worden afgewezen.

Beslissing.

De rechtbank wijst het verzoek af.

Aldus gedaan te 's-Gravenhage door mr. G.H.M. Smelt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.W. Top, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 oktober 2009.