Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BN0774

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-10-2009
Datum publicatie
09-07-2010
Zaaknummer
Awb 09/330
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding / onrechtmatig besluit / buiten behandeling stellen aanvraag / tweede aanvraag

Verweerder heeft in het besluit van 20 februari 2008 de onrechtmatigheid van het besluit van 22 juni 2007 en zijn schuld daaraan erkend. De regels uit het Vb 2000 op grond waarvan eiser recht had op verlenging van de verblijfsvergunning hebben tot doel hem een recht op bestendig verblijf te verlenen. Omdat de eerder aan eiser verleende verblijfsvergunning geldig was tot 13 juni 2007 en de tijdig ingediende aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur ervan bij besluit van 22 juni 2007 buiten behandeling was gesteld moest eiser, gelet op artikel 3.82, eerste lid, van het Vb 2000 en paragraaf B1/5.1 van de Vc 2000, uiterlijk op 12 december 2007 de tweede aanvraag indienen om te voorkomen dat hij zijn aanspraak op voortgezet verblijf zou verliezen indien het besluit op de eerste aanvraag in rechte onaantastbaar zou worden. Verweerder stelt zich ten onrechte op het standpunt dat eiser de beslissing op het tegen het besluit van 22 juni 2007 gemaakte bezwaar had kunnen afwachten en zonodig daartegen in beroep had kunnen gaan. Eiser zou daarmee het risico lopen zijn aanspraak op voortgezet verblijf te verliezen. Dat, zoals verweerder stelt, de kans groot was dat het bezwaar gegrond zou worden verklaard, doet daaraan niet af. Ten tijde van de indiening van de tweede aanvraag moest worden uitgegaan van de buiten behandelingstelling van de eerste aanvraag, aangezien deze toen nog niet was herroepen. Omdat dat risico is veroorzaakt door het onrechtmatige besluit van verweerder dienen de gevolgen daarvan, de kosten van het indienen van de tweede aanvraag, voor zijn rekening te komen. Het beroep is gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.80
Vreemdelingenbesluit 2000 3.82
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/296

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 09/330

V-nummer: [xxx]

Inzake: [de vreemdeling], eiser,

gemachtigde mr. J. Luscuere, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M. van Ettikhoven.

I Procesverloop

1 Bij besluit van 6 mei 2008 heeft verweerder het verzoek van eiser van 22 februari 2008 om restitutie van de door hem betaalde leges ad € 331,00 afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit op 17 juni 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 december 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2 Op 5 januari 2009 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 17 september 2009. Ter zitting is verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II Overwegingen

1 Eiser heeft op 4 april 2007 een aanvraag ingediend tot verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (hierna: de eerste aanvraag). Bij besluit van 22 juni 2007 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Bij brief van 23 oktober 2007 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt. Op 12 december 2007 heeft eiser een aanvraag ingediend tot wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier in voortgezet verblijf (hierna: de tweede aanvraag). Bij besluit van 20 februari 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 22 juni 2007 gegrond verklaard, de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier verlengd tot 13 juni 2012 en het verzoek om vergoeding van de proceskosten ingewilligd. Bij brief van 20 februari 2008 heeft verweerder dit besluit en een formulier Proceskosten- en Schadevergoeding aan eiser toegestuurd en aan eiser gevraagd of hij nog prijs stelt op de inhoudelijke afhandeling van de tweede aanvraag. Bij brief van 22 februari 2008 heeft eiser geantwoord dat een inhoudelijke afdoening van deze aanvraag niet nodig is en heeft naast de in het besluit van 20 februari 2008 reeds toegekende proceskosten verzocht om restitutie van de voor deze aanvraag betaalde leges ad € 331,00. Daartoe heeft hij gesteld dat hij zekerheidshalve was genoodzaakt tot het indienen van deze tweede aanvraag en uit het besluit van 20 februari 2008 blijkt dat de eerste aanvraag ten onrechte buitenbehandeling is gesteld.

2.1 In geschil is in de eerste plaats of de brief van 22 februari 2008 dient te worden aangemerkt als een verzoek om vergoeding van schade die het gevolg is van het herroepen besluit van 22 juni 2007.

2.2 Gelet op de bewoordingen van de brief, waarin wordt verwezen naar het onjuiste besluit van 22 juni 2007 en in aanmerking genomen dat daarmee wordt gereageerd op het besluit van 20 februari 2008 en het daarbij gevoegde formulier Proceskosten- en Schadevergoeding, kan deze brief niet anders worden opgevat dan als een verzoek om vergoeding van schade die het gevolg is van de door verweerder in dit besluit erkende onrechtmatigheid van het besluit van 22 juni 2007. Anders dan verweerder ter zitting heeft aangevoerd doet daaraan niet af dat eiser heeft verzocht om restitutie van de leges voor de tweede aanvraag. De gestelde schade is immers het betaalde bedrag aan leges. Deze schade kan worden vergoed door het bedrag aan leges terug te betalen, hetgeen eiser met zijn verzoek ook heeft beoogd.

3.1 Eiser betoogt voorts met succes, dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het voor de indiening van de tweede aanvraag betaalde bedrag aan leges niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat het indienen van deze aanvraag voor rekening en risico van eiser komt.

3.2 Ingevolge artikel 3.80 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) is de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning tijdig ingediend indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt en wordt de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het verlengen ervan gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning.

Ingevolge artikel 3.82, eerste lid, van het Vb 2000, voor zover thans van belang, wordt de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning die is ontvangen nadat de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning is verlopen maar die naar het oordeel van verweerder nog wel is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf is geëindigd.

Volgens paragraaf B1/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), zoals deze ten tijde van de indiening van de tweede aanvraag gold, wordt een termijnoverschrijding van zes maanden door verweerder nog redelijk geacht.

3.3 Verweerder heeft in het besluit van 20 februari 2008 de onrechtmatigheid van het besluit van 22 juni 2007 en zijn schuld daaraan erkend. De regels uit het Vb 2000 op grond waarvan eiser recht had op verlenging van de verblijfsvergunning hebben tot doel hem een recht op bestendig verblijf te verlenen. Omdat de eerder aan eiser verleende verblijfsvergunning geldig was tot 13 juni 2007 en de tijdig ingediende aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur ervan bij besluit van 22 juni 2007 buiten behandeling was gesteld moest eiser, gelet op artikel 3.82, eerste lid, van het Vb 2000 en paragraaf B1/5.1 van de Vc 2000, uiterlijk op 12 december 2007 de tweede aanvraag indienen om te voorkomen dat hij zijn aanspraak op voortgezet verblijf zou verliezen indien het besluit op de eerste aanvraag in rechte onaantastbaar zou worden. Verweerder stelt zich ten onrechte op het standpunt dat eiser de beslissing op het tegen het besluit van 22 juni 2007 gemaakte bezwaar had kunnen afwachten en zonodig daartegen in beroep had kunnen gaan. Eiser zou daarmee het risico lopen zijn aanspraak op voortgezet verblijf te verliezen. Dat, zoals verweerder stelt, de kans groot was dat het bezwaar gegrond zou worden verklaard, doet daaraan niet af. Ten tijde van de indiening van de tweede aanvraag moest worden uitgegaan van de buiten behandelingstelling van de eerste aanvraag, aangezien deze toen nog niet was herroepen. Omdat dat risico is veroorzaakt door het onrechtmatige besluit van verweerder dienen de gevolgen daarvan, de kosten van het indienen van de tweede aanvraag, voor zijn rekening te komen.

4 Het beroep is gegrond. Het besluit van 8 december 2008 dient te worden vernietigd wegens schending van het algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk degene die door aan hem toerekenbaar onrechtmatig handelen of nalaten schade heeft veroorzaakt, is gehouden die aan de benadeelde te vergoeden. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 6 mei 2008 te herroepen en het verzoek van eiser om vergoeding van schade, bestaande uit het voor de tweede aanvraag betaalde bedrag aan leges van € 331,--, toe te wijzen.

5 De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals die luidde ten tijde van maken van het bezwaar en het instellen van het beroep, vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1).

III Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het besluit verweerder van 8 december 2008;

3. herroept het besluit van verweerder van 6 mei 2008;

4. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

5. veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van € 331,-- als schadevergoeding;

6. bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 145,-- vergoedt;

7. veroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eiser in verband met de behandeling van bezwaar en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,--.

Aldus gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 15 oktober 2009.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: