Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BM9527

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
AWB 08/8781, 08/8782
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Medische noodsituatie / overdracht zorg gegarandeerd / concreet aanknopingspunt voor twijfel aan juistheid BMA-rapport

De zaak betreft een aanvraag verblijfsvergunning medische noodsituatie. Het door eiser overgelegde rapport van de behandelende psychiater stelt als voorwaarde voor de uitzetting dat de overdracht van de zorg voor eiser aan een identificeerbaar instituut in Indonesië gegarandeerd dient te zijn. Dit is een voorwaarde betreffende de individuele toegankelijkheid van de zorg en is in verband met de vergewisplicht van verweerder van belang. Het BMA-advies is aangaande de continuïteit van de zorg na uitzetting vrijblijvender: uit de zinsnede ‘betrokkene dient in het land van herkomst te kunnen beschikken over een mantelzorgnetwerk’, kan nog niet de voorwaarde worden afgeleid die in het advies van de psychiater kan worden gelezen. De voorwaarde zoals die door het BMA is geformuleerd betreft eerder de beschikbaarheid van de behandeling in medisch technische zin en niet de individuele toegankelijkheid daarvan. Het rapport van de behandelend psychiater biedt op dit punt dan ook een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het BMA-rapport. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat verweerder hierdoor zonder nader onderzoek niet had mogen uitgaan van het BMA-advies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 08/8781 (beroep) AWB 08/8782 (voorlopige voorziening)

V-nr:

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

verzoeker en eiser, van Indonesische nationaliteit, hierna: eiser,

gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat te ’s-Gravenhage

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. H. van Velzen, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 29 maart 2007 tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “verblijf vanwege medische noodsituatie” afgewezen. Het daartegen ingestelde bezwaar van 7 januari 2008 is bij besluit van 12 februari 2008 ongegrond verklaard. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat eiser Nederland uit eigen beweging binnen 28 dagen moet verlaten.

Op 11 maart 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Volgens het besluit schort het beroep de rechtsgevolgen niet op. Bij brief van 11 maart 2008 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2009. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigde.

De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Bij besluit van 17 mei 2008 is aan eiser een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “medische behandeling” verleend, met ingang van 15 april 2005 en geldig tot 15 april 2006, laatstelijk verlengt tot 15 april 2007.

3. Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

Standpunten van partijen

1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet langer voldoet aan de beperking waaronder de aan hem verleende verblijfsvergunning is verleend nu uit het rapport van het Bureau Medisch Advisering (BMA) van 26 november 2007 blijkt dat de medische behandeling van eiser kan plaatsvinden in het land van herkomst. Eveneens is de noodzakelijke mantelzorg voorzien in het land van herkomst. Bij terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst kan het optreden van een medische noodsituatie worden voorkomen. De stelling van eiser dat hij niet kan reizen is niet aangetoond. Uitgegaan wordt van het BMA-advies waarin is aangegeven dat eiser in staat moet worden geacht te kunnen reizen. Er is geen aanleiding voor verweerder om te wachten tot er een second opinion heeft plaatsgevonden nu niet is aangegeven wanneer en door wie deze second opinion zal plaatsvinden. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van het horen.

2.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat verweerder ten onrechte de duur van de aan hem verleende verblijfsvergunning niet heeft verlengd. Uit een rapportage van 28 februari 2008 van de psychiater van Parnassia, [naam] S, blijkt dat eiser aan gedesorganiseerde schizofrenie lijdt en dat hij voor zijn zorg afhankelijk is van derden. Het is onzorgvuldig dat verweerder zonder de second opinion af te wachten heeft beslist op het bezwaar, te meer nu diverse malen ruimschoots is aangekondigd dat eiser een second opinion wenst over te leggen. Verder betwist eiser dat er in zijn land van herkomst voldoende behandelmogelijkheden aanwezig zijn. Uit het BMA rapport van 26 november 2007 blijkt dat niet alle medicatie die eiser gebruikt in Indonesië aanwezig is. Gelet op de medische situatie van eiser is het niet verantwoord voor eiser om te reizen. Tijdens de reis bij afwezigheid van voldoende medische voorzieningen kan eiser in een medische noodsituatie geraken. Onder verwijzing naar de arresten St. Kitts en Bensaid levert het terugsturen van eiser strijd op met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ten onrechte is afgezien van het horen van eiser.

2.2. Ter zitting heeft eiser de grond dat het terugsturen van eiser strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM niet (meer) gehandhaafd.

Wettelijk kader

3. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

4. Ingevolge paragraaf B8/3.2 van de Vc 2000 dient de vreemdeling, om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning in verband met deze uitzonderingsbepaling, zich in Nederland te bevinden en moet voorts voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:

- stopzetting van de medische behandeling zal een medische noodsituatie doen ontstaan; en

- de medische behandeling van de betreffende klachten kan niet plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en

- de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie zal naar verwachting langer dan één jaar duren.

Oordeel van de rechtbank

5. Aan de orde is de vraag of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de medische omstandigheden van eiser geen aanleiding geven om de duur van de aan eiser verleende vergunning wegens medische noodsituatie te verlengen.

6. De rechtbank stelt het volgende vast. Op 20 september 2007 is naar aanleiding van onderhavige aanvraag het BMA gevraagd om een medisch advies uit te brengen aangaande de gezondheidstoestand van eiser. Bij nota van 26 november 2007 heeft het BMA als volgt geconcludeerd. Eiser lijdt aan schizofrenie en eiser is ADL afhankelijk en afhankelijk van mantelzorg. Hij kan niet zelfstandig wonen. Eiser woont in een Begeleid Wonen project en ontvangt medicatie van de psychiater. De psychiatrische behandeling is levenslang. De verlamming (hemiplegie) wordt niet behandeld. Ten aanzien van de vraag of deze psychische klachten van eiser in het land van herkomst worden behandeld, heeft de BMA-arts als volgt geconcludeerd. Ten aanzien van de therapiemogelijkheden in Indonesië zijn er voldoende behandelmogelijkheden aanwezig. De psychiatrische behandeling en follow-up zijn verkrijgbaar. Beschermde woongroepen voor psychiatrische patiënten zijn aanwezig. Het medicament Flupentixol is niet verkrijgbaar, maar het equivalent Risperdal wel. Ook het medicament Akineton is niet verkrijgbaar, dit kan echter worden ondervangen door de psychiater door een antipsychoticum equivalent aan Flupentixol voor te schrijven. Verder is bij uitblijven van psychiatrische behandeling en medicatie sprake van een medische noodsituatie. Voorts kan eiser reizen met gangbare vervoermiddelen. Er zijn wel aanwijzingen dat enige medische voorziening voor, tijdens of direct na de reis noodzakelijk is, namelijk de reis dient betrokkene te worden begeleid door een psychiatrische verpleegkundige en dient gedurende de reis te beschikken over de voor hem voorgeschreven medicatie. In verband met de mobiliteit dient eiser gedurende de reis de beschikking te hebben over een rolstoel. In het land van herkomst dient eiser te beschikken over een mantelzorgnetwerk.

7. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) (bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juli 2006, 200601304/1, JV 2006/351) is het door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van het BMA een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Een dergelijk advies dient op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze te zijn opgesteld. Indien aan deze eisen is voldaan mag verweerder bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel van het advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

8.1. Ter zitting heeft eiser verder, onder verwijzing naar de door verweerder ter zitting aangevulde uitspraken van 4 september 2008 (LJN: BF0506) en van 8 september 2008 (LJN: BF0698) van de AbRS, betoogd dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat verweerder aan de reactie van de psychiater [naam] S van 28 februari 2008 betreffende de mogelijkheid van overdracht en directe voortzetting van de behandeling van eiser na diens terugkeer in het land van herkomst niet de betekenis heeft gehecht die daaraan gehecht moet worden, althans verweerder heeft aan het BMA deze vraag niet voorgelegd. Daarmee heeft verweerder, zo begrijpt de rechtbank het betoog van eiser, miskend dat deze rapportage van de psychiater concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van de adviezen van het BMA oplevert, zodat nader onderzoek was aangewezen.

8.2. Dit betoog slaagt. Het volgende is daartoe redengevend.

9. Naar het oordeel van de rechtbank is er voorop gesteld geen sprake van strijd met de goede procesorde, zoals door verweerder betoogt. Weliswaar heeft eiser eerst ter zitting gesteld dat de overdracht en de directe voorzetting van de medische behandeling van eiser na diens terugkeer in het land van herkomst dient te worden gewaarborgd, echter de rechtbank is met eiser van oordeel dat, artikel 6:13 van de Awb in beginsel niet in de weg staat voor het aanvoeren van nieuwe gronden en verweerder heeft hierop adequaat kunnen reageren.

10.1. Bij rapportage van 28 februari 2008 heeft de behandelende psychiater van eiser in reactie op het BMA-advies van 26 november 2007 - voor zover van belang - het volgende naar voren gebracht:

“Medisch gezien acht ik uitzetting pas verantwoord wanneer continuïteit van zorg in Indonesië georganiseerd is en dat blijkt uit een regeling van overdracht van zorg aan een identificeerbaar instituut”.

10.2. In het BMA-advies van 26 november 2007 zoals weergegeven onder rechtsoverweging 7 is - voor zover van belang - het volgende geconcludeerd:

“Betrokkene dient gedurende de reis te kunnen beschikken over de voor hem voorgeschreven medicatie. Het verdient aanbeveling, eiser een hoeveelheid medicatie ter overbrugging van de duur van een maand, vanuit Nederland mee te laten nemen. (..) Betrokkene dient in het land van herkomst te kunnen beschikken over een mantelzorgnetwerk”.

11. Eiser kan worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder aan het BMA niet expliciet de vraag heeft voorgelegd of de mogelijkheid van overdracht van de zorg en directe voortzetting van de medische behandeling na diens terugkeer in het land van herkomst dient te worden gegarandeerd. De BMA-arts acht reizen mogelijk, maar heeft wel aanwijzingen dat enige medische voorziening voor, tijdens of direct na de reis noodzakelijk is. De behandelende psychiater acht reizen eveneens mogelijk en wijst hierbij op een regeling van overdracht van zorg als voorwaarde hiervoor. Bezien in het licht van de informatie van de behandelende psychiater is niet duidelijk waarom de BMA-arts, die ten aanzien van eiser wel rekening houdt met reisvoorwaarden en dat in het land van herkomst eiser dient te beschikken over mantelzorgnetwerk, het toch niet heeft over de mogelijkheid van overdracht van de zorg en directe voortzetting van de medische behandeling na diens terugkeer in het land van herkomst. Nu de stelling van eiser dat de mogelijkheid van overdracht en voortzetting dient te worden gewaarborgd steun vindt in de verklaring van de behandelende psychiater, dient verweerder het BMA onderzoek te laten verrichten naar de noodzakelijkheid hiervan. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder derhalve in de reactie van de behandelende psychiater op het BMA-advies aanleiding moeten zien om nogmaals het BMA te consulteren, waarbij het BMA specifiek na had dienen te vragen of de voorwaarde dat na aankomst van eiser in zijn land van herkomst de overdracht en directe voortzetting van diens behandeling gegarandeerd dienen te zijn. Nu dit niet is gebeurd is de - cruciale - vraag of er een acute medische noodsituatie zal kunnen ontstaan bij het uitblijven van die behandeling, onbeantwoord gebleven. Immers, niet in geschil is dat de behandeling van eiser levenslang is en dat bij het uitblijven van die behandeling een medische noodsituatie kan ontstaan.

12. Bezien in samenhang met de genoemde Afdelingsuitspraken, onder meer de uitspraak van 4 september 2008, waarin is overwogen dat de voorwaarde dat na de aankomst van de vreemdeling in zijn land van herkomst de overdracht en directe voortzetting van diens behandeling gegarandeerd dienen te zijn, levert de informatie in het rapport van 28 februari 2008 een concreet aanknopingspunt voor twijfel op aan de juistheid, dan wel volledigheid van het BMA-advies waarop verweerder zich heeft verlaten, zodat verweerder niet zonder nader onderzoek mocht uitgaan van het BMA-advies van 26 november 2007. Dat volgens het advies van het BMA de behandeling van eiser in het land van herkomst beschikbaar is, biedt onvoldoende grond om aan te nemen dat het mogelijk moet worden geacht dat bij de daadwerkelijke verwijdering van eiser aan genoemde voorwaarde wordt voldaan, nu het advies van het BMA uitdrukkelijk slechts ziet op de beschikbaarheid van de behandeling in medisch technische zin en niet op de individuele toegankelijkheid daarvan, terwijl die gelet op de bewoordingen van de voorwaarde hier wel van belang is.

13. Gelet op het vorenstaande is het BMA-advies niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen, zodat het bestreden besluit, voor zover het is gebaseerd op dit advies, in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. De overige gronden kunnen verder onbesproken blijven. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

14. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

15. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

16. Op grond van artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ad € 290,-- (zegge: tweehonderd en negentig euro) vergoedt.

4. Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/8781,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/8782,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderd en zesenzestig euro), te betalen aan de griffier.

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ad € 290,-- (zegge: tweehonderd en negentig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Jonkers, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Soylu, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: SSS

Coll.:

D:C

VK

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.