Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BM6224

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
03-06-2010
Zaaknummer
AWB 08/9422 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft voor haar essentiële afspraken met het [A] College gemaakt over haar rooster die niet zijn nagekomen.

Hierdoor had zij een reële vrees dat zij als gevolg daarvan ziek zou uit vallen en daarbij was er geen concreet zicht op aanpassing van het rooster. Van haar kan daarom niet worden gevergd dat zij desondanks de betrekking voortzette. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/9422 WW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[eiseres], wonende te [plaats],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; afdeling bezwaar en beroep, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij formulier van 4 september 2008 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag voor een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) ingediend.

Bij besluit van 8 oktober 2008, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Eiseres is gehoord omtrent haar bezwaar door verweerder op 18 december 2008.

Bij besluit van 23 december 2008, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 28 december 2008, ingekomen bij de rechtbank op 29 december 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 26 januari 2009 een verweerschrift ingediend.

Het [A] College heeft desgevraagd laten weten niet op grond van artikel 8:26 Awb aan het geding te willen deelnemen.

De zaak is op 3 september 2009 ter zitting behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [B].

II OVERWEGINGEN

Relevante feiten en omstandigheden

Eiseres was sinds 2000 werkzaam als lerares maatschappijleer op het [C] College te [plaats 1], vanaf 1 augustus 2002 met een dienstverband voor onbepaalde tijd. Zij gaf les aan een VMBO-school aan groepen jongens in de leeftijd van 14 tot 16 jaar, waaronder examengroepen.

In 2004 is eiseres tijdens het lesgeven onwel geworden en vanuit school naar het [ziekenhuis] overgebracht en aansluitend een aantal weken arbeidsongeschikt geweest. De oorzaak van haar fysieke instorting bleek te zijn gelegen in ernstige stress.

Vervolgens heeft eiseres om medische redenen aan minder groepen leerlingen per lesperiode lesgegeven, maximaal acht of negen. Dat is voor haar geregeld door haar les te laten geven in "blokuren". Dat hield in dat zij niet gedurende een heel schooljaar één uur per week les gaf aan alle groepen leerlingen waaraan zij les moest geven, maar per half jaar aan de helft van de groepen gedurende twee aaneengesloten uren per groep per week. Het andere half jaar volgden deze groepen dan op dezelfde manier een ander vak.

In 2007 is eiseres, ondanks de hierboven beschreven maatregelen, opnieuw uitgevallen uit haar werk. Zij is nadien weer gereïntegreerd. In het kader van de reïntegratie is haar door het reïntegratiebureau [E] geadviseerd uit te kijken naar een functie op een ander schooltype met jongere en meer gemotiveerde leerlingen. Aan het [C] College gaf zij namelijk les aan voornamelijk uit jongens bestaande groepen VMBO-leerlingen, die over het algemeen slechts een geringe belangstelling hadden voor haar vak. Zij moesten echter wel examen doen in het door eiseres gegeven vak, hetgeen de druk op eiseres verhoogde.

Van haar huisarts kreeg eiseres in november 2007 het advies "krachtig op de rem te trappen".

Eiseres heeft in 2008 gesolliciteerd naar een functie als lerares maatschappijleer op het [A] College in [plaats 2]. Het betrof een tijdelijke betrekking ter vervanging van een zieke leerkracht, tot uiterlijk 1 januari 2009.

Deze sollicitatie heeft erin geresulteerd dat eiseres de functie is aangeboden. Het betreft een MAVO-HAVO school, waaraan eiseres les zou geven aan gemengde groepen met jongere en meer gemotiveerde leerlingen dan op het [C] College. Bovendien kon zij vanuit haar woonplaats met de fiets naar haar werk, zodat zij kortere reistijd naar haar werk had.

Bij brief van 12 juni 2008 heeft eiseres, voor zover van belang, het volgende geschreven aan [F], locatiedirecteur van het [A] College:

"Ik heb in mijn telefoontje over mogelijke acceptatie van de baan, aangegeven, dat ik in een ander gesprek graag meer duidelijkheid wil hebben over het aantal groepen dat ik eventueel les ga geven.

Als het om een 1-uursvak gaat, loopt dat aantal snel op.

En ik weet uit ervaring, dat het niet doenlijk is en ook niet pedagogisch verantwoord om aan 10 of meer groepen les te geven.

Want dat betekent dat je wekelijks aan meer dan 200 leerlingen aandacht moet geven.

en dat is gewoon teveel om te doen.

Dus, ik ontvang daar eerst graag precieze informatie over.

(.....)

Op mijn huidige school is er, na jaren en met veel inspanning, een goed werkbare situatie gerealiseerd.

Daarom kan ik pas definitief beslissen over de acceptatie van de aangeboden baan, als er meer duidelijkheid is over vorm en inhoud ervan.

(.....)".

Eiseres heeft haar betrekking aan het [C] College opgezegd en de betrekking aan het [A] College aanvaard, na een telefoongesprek met [F] omtrent de randvoorwaarden die zij in de brief van 12 juni 2008 aan acceptatie had gesteld.

Bij brief van 23 juni 2008 is eiseres meegedeeld dat zij per 1 augustus 2008 is benoemd aan het [A] College.

Eind juni 2008 heeft eiseres samen met haar toekomstige vakcollega [G] de lessen op papier gezet. Daarbij zijn ook haar roosterwensen doorgegeven.

Op (donderdag) 28 augustus 2008 is eiseres geïnformeerd over haar rooster, dat in zou gaan op 3 september 2008.

Op (maandag) 1 september 2008 is over het rooster gesproken tussen eiseres, [F] en de roostermakers van het [A] College.

Op 2 september 2008 heeft eiseres telefonisch contact gehad met één van de roostermakers, die haar meedeelde dat er geen wijzigingen meer konden worden gemaakt in het rooster.

Op 2 september 2008 heeft eiseres om 11:38 uur een e-mailbericht aan het [A] College gestuurd met als onderwerp "lessen levensbeschouwing" en gericht aan [F].

Daarin deelt eiseres, voor zover van belang, het volgende mee.

"Op de website heb ik gezien, dat er geen verandering is gekomen in mijn rooster.

[H] en [I] (de roostermakers, rechtbank) gaven mij maandag al te kennen, dat er nauwelijks nog beweging in het algemene rooster zit.

Donderdag (28 augustus, rechtbank), vóór de introductiedag was jij daar aanmerkelijk optimistischer over.

Er zijn dingen niet goed duidelijk gemaakt.

[G] (de hierboven genoemde vakcollega van eiseres, rechtbank) heeft zeer beslist afgesproken, dat er blokuren moesten komen. Dat was mogelijk: levensbeschouwing wisselend met informatica. Het is ook op schrift gesteld, de roostermakers hebben dit papier in hun bezit. Ik ben nog special op school gekomen om het met [G] vast te leggen. Maar [H] en [I] hebben de zwaarte van blokuren niet begrepen, zeggen ze nu.

Dit alles brengt mij in een zeer moeilijke situatie.

Ik verwijs hierbij naar mijn brief van 12 juni (...).

Er is mij toegezegd, dat er blokuren gevormd zouden worden en dat ik dan hooguit op 9 á 10 groepen uit zou komen, voor het eerste half jaar. (...)

Nu is er de situatie dat dit niet in orde gekomen is.

(.....)

Dus, donderdag op de introductiedag zag ik mijn rooster pas. En dat gaat lijnrecht tegen alle afspraken in.

Ik weet zo niet, hoe het verder moet.

(...)

Op 2 september 2008 om 16:43 uur heeft eiseres een e-mailbericht aan [F] gestuurd waarin zij, voor zover van belang, meedeelt:

"Inmiddels heb ik telefonisch contact gehad met [J] (de coördinator onderbouw van het [A] College, rechtbank) n.a.v. mijn e-mail aan hem en aan jou.

De roostermakers hebben mij gezegd, dat er geen enkele rek in het rooster zit. (...)

(.....)

Donderdagochtend vroeg is mij toegezegd, dat er gisteren (maandag) dingen aangepast zouden worden.

En dat het dan helemaal goed zou komen.

Ik heb het vandaag nog afgewacht. Men zou mij bellen of er zou iets op de site veranderen. En er is niets gebeurd.

Ik heb nu een rooster van een heel andere baan dan die waarvoor ik ben aangenomen. Dus, ik wil het rooster overeenkomstig de afspraken hebben. En dan begin ik aan mijn nieuwe baan.

Ik kan niet aan een nieuwe baan beginnen, terwijl er een rooster ligt voor een ander soort baan.

En daarnaast zijn de perspectieven op verbetering, zodat deze maar enigszins gaat lijken op de baan die ik heb aangeboden gekregen, nihil.

[H] heeft mij gezegd, dat er geen enkele kans op is.

Zo staan de zaken. Van mijn kant heb ik veel gedaan om de zaken tot klaarheid te brengen. Maar er wordt niet gedaan wat mij is toegezegd.

Dan kan ik dus niet aan de baan beginnen zoals die mij is aangeboden."

Bij e-mailbericht van 2 september om 19:22 uur heeft [F], voor zover van belang, aan eiseres het volgende meegedeeld.

"(.....)

Je hebt niet gesolliciteerd naar een rooster, maar naar een baan. Daarbij heb je roosterwensen kunnen aangeven en dat heb je gedaan. Ik heb je verzekerd, zoals ik bij alle nieuwe mensen doe, dat de roostermakers hun uiterste best zouden gaan doen om die te honoreren. Uiteindelijk is dat niet gelukt. Daarna heb je gisteren weer aan de bel getrokken en ik heb je wederom beloofd dat de roostermakers er met al hun inzet in een uiterste poging naar zouden kijken.

(.....)

Dan zou ik zeggen: wacht nu even rustig af (...).

In een bericht gedateerd op 2 september 2008 om 22:00 uur heeft eiseres [F] laten weten per onmiddellijk het werk neer te leggen. Zij heeft haar ontslagbrief bijgesloten.

Het ontslag is door [F] aanvaard en bij brief van 18 september 2008 door het [A] College bevestigd.

Eiseres heeft per 1 januari 2009 een nieuwe betrekking buiten het onderwijs gevonden.

Bestreden besluit

Verweerder staat op het standpunt dat eiseres verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder a, WW, omdat de dienstbetrekking op haar verzoek is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat die voortzetting redelijkerwijs niet van haar gevergd kon worden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder b, WW. Daaraan heeft verweerder op grond van artikel 27, eerste lid, WW, de maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering verbonden.

Beroepsgronden

Het standpunt van eiseres komt er in essentie op neer dat haar werkgever harde en voor haar essentiële afspraken omtrent de inhoud van haar functie niet is nagekomen en dat het desondanks uitvoeren van het voor haar opgestelde rooster met zekerheid tot hernieuwde arbeidsongeschiktheid zou hebben geleid. Met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, Awb, vat de rechtbank dit zo op dat eiseres bedoelt te stellen dat voortzetting van de dienstbetrekking vanwege deze bezwaren redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd.

Beoordeling

Niet in geschil is dat eiseres zelf haar betrekking bij het [A] College heeft beëindigd door op 2 september 2008 per direct haar werk neer te leggen en ontslag te nemen. Zij is met ingang van 3 september 2008 niet meer op school verschenen.

Bepalend voor de uitkomst van dit geding is dan ook of eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het [A] College harde afspraken met haar niet is nagekomen en dat van haar niet kon worden verwacht dat zij desondanks zou proberen het voor haar opgestelde rooster uit te voeren, gelet op de medische redenen waarom zij die afspraken had gemaakt.

Niet in geschil is dat eiseres de door haar gestelde afspraken met het [A] College heeft gemaakt en dat deze afspraken voor haar bepalend zijn geweest bij haar beslissing om de betrekking bij dit college te aanvaarden. Dat uit de door verweerder ingewonnen informatie bij het [A] College blijkt dat de ex-werkgever van eiseres de met haar gemaakte afspraken als minder hard opvat, althans achteraf, doet daaraan niet af. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit ook niet betwist en ter zitting bevestigd dat hiervan moet worden uitgegaan.

Het geding spitst zich derhalve toe op de vraag of van eiseres redelijkerwijs kon worden gevergd dat zij desondanks de betrekking voortzette, ondanks het bezwaar dat de gemaakte roosterafspraken niet werden nagekomen.

Verweerder heeft deze vraag bevestigend beantwoord, aangezien de voordelen die voor eiseres waren verbonden aan deze betrekking ten opzichte van haar voorafgaande betrekking aan het [C] College voldoende opwogen tegen de nadelen die voortvloeiden uit het niet-nakomen van de roosterafspraken.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Onbetwist is namelijk dat eiseres in 2004 ziek is geworden als gevolg van vooral het grote aantal leerlingen waaraan zij in dezelfde lesperiode les moest geven. De andere aan de betrekking bij het [C] College verbonden nadelen speelden daarbij ook wel een rol, maar waren niet de hoofdoorzaak. Dat blijkt uit de omstandigheid dat eiseres na haar uitval in 2004 gedurende enkele jaren weer heeft kunnen functioneren nadat ingrijpende maatregelen waren getroffen juist ten aanzien van het aantal (groepen van) leerlingen waaraan zij per half schooljaar les moest geven. Ondanks die maatregelen is zij in 2007 toch weer uitgevallen, kennelijk als gevolg van de andere voor haar stresserende omstandigheden die inherent waren aan het lesgeven aan het [C] College, hetgeen haar beweegreden was, op advies van de reïntegratieadviseur, een betrekking te zoeken waarin die omstandigheden niet meer aanwezig waren. Dat de betrekking aan het [A] College in dat opzicht de door verweerder bedoelde voordelen voor eiseres bood, is onbetwist, maar laat onverlet dat het voor haar essentieel was om met een beperkt aantal (groepen van) leerlingen in één lesperiode te werken. Daarom heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte die voordelen als voldoende compensatie beschouwd voor het niet-nakomen van de voor eiseres essentiële roosterafspraken. Daarbij moet betrokken worden dat eiseres al tweemaal ziek was uitgevallen. Haar vrees om opnieuw uit te vallen indien zij zou trachten toch het haar opgelegde rooster uit te voeren moet daarom als een reële worden aangemerkt. Van eiseres mag in deze context niet worden verwacht dat zij had afgewacht of zij daadwerkelijk weer ziek zou worden, gezien de voor haar nadelige gevolgen daarvan. De stelling van verweerder dat eiseres niet ziek zou worden voor de ommekomst van haar arbeidsovereenkomst bij het [A] College, gezien de beperkte contractsduur, is nergens op gebaseerd en is bovendien niet voor enig bewijs vatbaar, zodat de rechtbank daaraan geen betekenis kan hechten.

Voor zover verweerder nog heeft aangevoerd dat er bij voortzetting van het dienstverband mogelijk alsnog een aanpassing van het rooster in de voor eiseres noodzakelijke zin zou hebben kunnen plaatsvinden, oordeelt de rechtbank dat daarvoor onvoldoende concrete aanknopingspunten aanwezig waren ten tijde van de ontslagname door eiseres. Uit de hierboven aangehaalde communicatie tussen eiseres en haar toenmalige leidinggevenden komt naar voren dat er toen geen concreet zicht was op aanpassing, maar dat eiseres er integendeel rekening mee moest houden dat het rooster niet zou worden aangepast. Dat komt nadrukkelijk naar voren uit het e-mailbericht van [F] van 2 september 2008 om 19:22 uur. Verweerder heeft verder geen concrete feiten en omstandigheden aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd waaraan een dergelijk conclusie wel kan worden verbonden.

De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat nu de voor eiseres essentiële afspraken over het rooster niet waren nagekomen, zij een reële vrees had als gevolg daarvan ziek uit te vallen, en er geen concreet zicht op aanpassing van het rooster bestond, voor haar zodanige bezwaren aan voortzetting van de betrekking waren verbonden dat van haar niet kon worden gevergd dat zij desondanks de betrekking voortzette.

Er is derhalve geen sprake van handelen van eiseres in de zin van artikel 24, tweede lid, onder b, WW, nu zij een gegronde reden had om ontslag te nemen uit haar betrekking bij het [A] College gelet op de aan voortzetting ervan voor haar klevende bezwaren.

Verweerder heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank de werkloosheid van eiseres ten onrechte verwijtbaar geoordeeld in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, in samenhang met artikel 24, tweede lid, onder b, WW. Daarom is er in dit geval geen grondslag voor het opleggen van een maatregel aan eiseres.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de hierboven genoemde bepalingen, in verbinding met artikel 7:12, eerste lid, Awb.

De rechtbank ziet hierin tevens aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb, het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren, en op grond van artikel 7:11, eerste lid, Awb, het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat verweerder binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak alsnog beslist omtrent de modaliteiten waaronder de uitkering van eiseres tot uitbetaling moet komen. Ter toelichting hierbij overweegt de rechtbank dat verweerder niet heeft gesteld dat eiseres geen recht zou hebben op een uitkering, zodat hij thans alleen nog op grondslag van artikel 7:11, tweede lid, Awb, nader kan beslissen omtrent het recht op betaling daarvan.

Niet is gebleken dat door eiseres in verband met de behandeling van dit beroep kosten zijn gemaakt die op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 23 december 2008, kenmerk B&B 792.0032.16V E.R.;

verklaart het bezwaar van eiseres gegrond;

herroept het primaire besluit van 8 oktober 2008, kenmerk WW0767.19.388;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een beslissing dient te nemen omtrent het recht van eiseres op betaling van haar uitkering;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 39,--, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.L. Verbeek, mr. D. Aarts en mr. G.P. Verbeek, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F.P. Krijnen.

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.