Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BM5527

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2009
Datum publicatie
25-05-2010
Zaaknummer
AWB 09-9435
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procesbelang / na terugkeer naar land van herkomst weer in Nederland voor behandeling van beroep asiel

Na de afwijzing van zijn asielaanvraag, doch vóór de behandeling van het daartegen ingestelde beroep bij de rechtbank, vertrekt eiser vrijwillig via het IOM naar zijn land van herkomst (Irak). Ten tijde van de behandeling van het beroep is eiser vanuit Irak teruggekeerd naar Nederland. Eiser stelt nog immer asielmotieven te hebben. De rechtbank verbindt aan de ondertekening door eiser, vóór zijn vertrek naar Irak, van een verklaring waarin is vermeld dat hij ermee instemt dat nog openstaande gerechtelijke procedures worden ingetrokken, niet de conclusie dat het beroep bij de rechtbank is ingetrokken. Evenwel leidt de rechtbank uit eisers vrijwiliige vertrek naar Irak af dat eiser geen rechtens te honoreren belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Rechtbank

Zaaknummer: Awb 09/9435

Uitspraak in het geschil tussen:

geboren op

van Iraakse nationaliteit,

V-nummer:

eiser,

gemachtigde: mr. U.H. Hansma, advocaat te Groningen,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.A. Vonk, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Op 11 augustus 2008 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfs-vergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 25 februari 2009 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Op 17 maart 2009 is namens eiser hiertegen beroep ingesteld. Op 18 mei 2009 zijn de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 26 augustus 2009, door de gemachtigde van eiser overgelegd ter zitting van 3 november 2009, heeft de gemachtigde aan verweerder bericht dat hij in de zaak van eiser niet langer kan optreden als gemachtigde nu eiser, volgens bericht van verweerder (Immigratie- en Naturalisatiedienst), met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) is vertrokken naar het land van herkomst en hij (gemachtigde) geen contact meer met hem kan krijgen.

Bij brief van 14 september 2009 heeft de gemachtigde aan de rechtbank bericht dat eiser ondertussen vanuit (...) is teruggekeerd naar Nederland en dat eiser hem heeft verzocht opnieuw op te treden als gemachtigde, waartoe hij zich bereid heeft verklaard. Bij die brief van 14 september 2009 zijn de beroepsgronden nader aangevuld. Voorts is bij die brief een aantal stukken ingezonden. Bij brief van 5 oktober 2009 zijn vertalingen van de overgelegde stukken ingezonden. Bij brief van 23 oktober 2009 heeft eiser nog nadere stukken ingezonden.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Verweerder een verweerschrift, gedateerd 29 juli 2009, ingediend.

1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 3 november 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen.

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Bij (inzending van het) verweerschrift van 29 juli 2009 heeft verweerder aan de rechtbank meegedeeld dat de IOM bij brief van 24 april 2009 aan verweerder heeft bericht dat eiser in het kader van zelfstandig vertrek via het REAN terugkeerprogramma van de IOM is vertrokken naar Baghdad International Airport op 21 april 2009.

Als bijlage bij het verweerschrift is onder meer gevoegd een vertrekverklaring, ondertekend door eiser op 21 april 2009, waarin is vermeld dat eiser met de ondertekening van deze verklaring (onder meer) verklaart dat hij Nederland vrijwillig verlaat; dat hij zijn aanvraag voor vertrek met assistentie van de IOM niet op oneigenlijke gronden heeft ingediend; dat hij er mee instemt dat (eventuele) nog openstaande verblijfsrechtelijke procedures worden ingetrokken; dat hij toestemming geeft de DT&V en/of het COA te informeren over zijn vertrek uit Nederland ten behoeve van het afsluiten van zijn dossier; dat hij van de IOM geldige reistickets en een financiële bijdrage van € 500,- aan ondersteuningsbijdrage en

€ 1750,- aan herintegratiebijdrage heeft ontvangen; dat hij de inhoud van deze verklaring volledig heeft begrepen.

Tevens is als bijlage bij het verweerschrift gevoegd een bericht van vertrek (M100), opgesteld op 29 juli 2009 namens de korpschef van regionaal politiekorps Noord-Holland-Noord, waarin is vermeld dat eiser op 21 april 2009 de woonruimte zelfstandig heeft verlaten.

Waar eiser thans verblijft, is onbekend, aldus het gestelde in het verweerschrift.

Voorts is in het verweerschrift vermeld dat verweerder, naar aanleiding van de brief van de IOM van 24 april 2009, op 20 juli 2009 telefonisch contact heeft opgenomen met de gemachtigde van eiser. De gemachtigde gaf aan dat hij niet op de hoogte was van het vrijwillige vertrek van eiser en dat hij geen contact meer heeft gehad met eiser sinds 21 april 2009.

Uit deze omstandigheden leidt verweerder af dat eiser kennelijk thans geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk, aldus verweerder in het verweerschrift.

2.2. Zoals onder punt 1.2. reeds is vermeld, heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 14 september 2009 aan de rechtbank bericht dat hij in de zaak van eiser opnieuw optreedt als gemachtigde. In die brief is verder gesteld dat eiser, na te zijn teruggekeerd in (...), aldaar nieuwe problemen heeft ondervonden. Van de oude en de nieuwe problemen heeft eiser (gedeeltelijk) bewijs kunnen bemachtigen, welke stukken in afschrift zijn meegezonden. Die nieuwe problemen zijn de volgende. In de periode dat eiser in (...) verbleef, is zijn broer omgekomen, is eiser vastgehouden door de Iraakse autoriteiten op de luchthaven en is eiser mishandeld op straat waarbij vijf tanden uit de mond zijn geraakt. Eiser is van mening dat verweerder, gelet op deze nieuwe feiten en omstandigheden, is gehouden het bestreden besluit in te trekken en eiser opnieuw te horen om de nieuwe asielmotieven te kunnen betrekken bij de besluitvorming.

2.3. Ter zitting is namens eiser onder meer nog het volgende betoogd.

De gemachtigde van eiser is niet door eiser zelf en evenmin door verweerder op de hoogte gebracht van het aanstaande vertrek van eiser naar zijn land van herkomst. Pas na het vertrek van eiser heeft de gemachtigde van dat vertrek kennisgenomen. Het onderhavige beroep is ingesteld door de gemachtigde. Daaruit volgt dat alleen de gemachtigde het beroep rechtsgeldig kan intrekken. Dit is niet gebeurd. Het beroep dient te worden behandeld, aldus de gemachtigde.

Eiser is ondertussen teruggekeerd uit Irak in verband met nieuwe in Irak ondervonden problemen. Daarnaast heeft eiser nieuwe documenten overgelegd. Eiser heeft wel degelijk belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, temeer nu eiser onevenredig veel nadeel zou ondervinden van het in kracht van gewijsde gaan van de eerdere negatieve beslissing, waarin is overwogen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is.

Blijkens het verweerschrift houdt ook verweerder er rekening mee dat er belang kan bestaan bij de inhoudelijke beoordeling van het beroepschrift ondanks de intrekking van nog lopende procedures. Immers, uit het verweerschrift valt op te maken dat met name de omstandigheden dat eisers verblijfplaats niet bekend was en dat de gemachtigde tijdelijk geen contact kon krijgen met eiser, maakte dat er in de visie van verweerder geen belang meer bestond bij het beoordelen van het beroepschrift. Die omstandigheden doen zich thans niet meer voor.

Hoewel eiser bang was voor nieuwe problemen in Irak, heeft eiser niet verwacht dat het zó erg zou zijn. De nieuwe gebeurtenissen zijn dermate ernstig, dat het logisch lijkt om eiser in de gelegenheid te stellen zijn nieuwe asielmotieven in een gehoor aan de orde te stellen. Dit is dan ook het primaire standpunt van eiser, te weten gegrondverklaring van het beroep vanuit het oogpunt van een zorgvuldige afdoening van de asielaanvraag.

Voorts doet eiser een beroep op de Eligibilty Guidelines van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) van 27 april 2009, onder verwijzing naar een aantal rechterlijke uitspraken, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 14 augustus 2008 (de rechtbank leest: 2009), 200904981/1/V2, waarin de AbRS oordeelde dat onvoldoende is gemotiveerd dat de vreemdeling de situatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Definitierichtlijn) niet aannemelijk heeft gemaakt.

Ten slotte heeft eiser benadrukt dat hij meent dat een zorgvuldige beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas slechts kan plaatsvinden met medeneming van de recente gebeurtenissen en de recent overgelegde documenten.

2.4. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat verweerder zijn in het verweerschrift neergelegde standpunt, te weten dat het beroep niet-ontvankelijk is, handhaaft. Het staat eiser vrij een nieuwe aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen. Die nieuwe aanvraag is dan aan te merken als een herhaalde aanvraag, aldus de gemachtigde van verweerder ter zitting.

Beoordeling van het beroep

2.5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser, na de totstandkoming op 25 februari 2009 van het bestreden besluit, op 21 april 2009 vrijwillig uit Nederland is vertrokken en is teruggekeerd naar zijn land van herkomst, via het REAN terugkeerprogramma van de IOM. In verband hiermee heeft eiser op 21 april 2009 een verklaring ondertekend waarin hij aangeeft dat hij er mee instemt dat nog openstaande verblijfsrechtelijke procedures worden ingetrokken.

2.6. De rechtbank verbindt aan de ondertekening, door eiser, op 21 april 2009 van een verklaring waarin is vermeld dat hij er mee instemt dat nog openstaande verblijfsrechtelijke procedures worden ingetrokken, niet de conclusie dat het onderhavige, op 17 maart 2009 ingestelde, beroep is ingetrokken. Dat het beroep op enig moment daadwerkelijk is ingetrokken, door eiser dan wel zijn gemachtigde, is niet gebleken. Gelet hierop laat de rechtbank daar wat er zij van de stelling van de gemachtigde van eiser dat in dit geval intrekking van het beroep alleen rechtsgeldig kan of kon plaatsvinden door de gemachtigde.

2.7. De rechtbank leidt uit de in 2.5. geschetste omstandigheden af dat eiser geen rechtens te honoreren belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat, op grond van artikel 1(C) van het Vluchtelingenverdrag – de zogenoemde cessation clauses –, degene die zich vrijwillig onder de bescherming van de autoriteiten van zijn land van herkomst heeft gesteld alsmede degene die zich vrijwillig opnieuw heeft gevestigd in zijn land van herkomst, geen vluchteling meer is. De rechtbank is analoog redenerend van oordeel dat het aan eiser is – die Nederland nog vóór de rechterlijke beoordeling van het bestreden besluit waarbij afwijzend op zijn asielaanvraag is beslist, vrijwillig heeft verlaten en is vertrokken naar zijn land van herkomst onder de in 2.5. geschetste omstandigheden – om aannemelijk te maken dat hij nog altijd een rechtens te honoreren belang heeft bij een rechterlijk oordeel over de vraag of hem terecht de in Nederland gevraagde bescherming is onthouden. Eiser is daarin niet geslaagd. De omstandigheid dat, zoals eiser ter zitting heeft verklaard, hij is teruggekeerd naar Irak omdat hij na ontvangst van het bestreden besluit bang was dat hij in Nederland op straat zou moeten leven, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank stelt overigens vast dat de werking van het bestreden besluit, waaronder de vertrekplicht, ingevolge artikel 82, eerste lid, Vw 2000 was opgeschort door het (tijdig) instellen van beroep, nu geen van de uitzonderingen van het tweede lid van artikel 82 Vw 2000 op eiser van toepassing was. Aan eiser was derhalve verblijf in Nederland gedurende de behandeling van het beroep toegestaan. Er bestond dan ook voor eiser ten tijde van zijn vertrek naar Irak op 21 april 2009 geen vertrekplicht. Voorts had hij, ingevolge artikel 8, aanhef en onder h, Vw 2000, op dat moment rechtmatig verblijf in Nederland. De rechtbank is (nog steeds analoog redenerend) van oordeel dat ook overigens niet is gebleken dat sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in paragraaf 125 van het Handbook on procedures and criteria for determining refugee status, op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat eiser niet anders kon dan terugkeren naar zijn land van herkomst.

Het ligt naar het oordeel van de rechtbank overigens ook niet voor de hand dat eiser zonder dwingende reden vrijwillig terugkeert naar zijn land van herkomst als hij aldaar gegronde reden zou hebben te vrezen voor vervolging.

De rechtbank leidt voorts uit de in 2.5. geschetste omstandigheden af dat eiser evenmin een rechtens te honoreren belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep kan ontlenen aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, bezien in samenhang met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2.8. Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder er op gewezen dat het eiser vrijstaat opnieuw hier te lande een aanvraag in te dienen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, en dat die aanvraag dan is aan te merken als een herhaalde aanvraag. Te dien aanzien wijst de rechtbank, voor de goede orde, op vaste jurisprudentie van de AbRS, waaronder AbRS

27 april 2007, 200701212/1, LJN: BA4658, waaruit volgt dat, indien een vreemdeling na een eerdere procedure naar zijn land van herkomst is teruggekeerd en vervolgens hier te lande (opnieuw) een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel indient, er geen sprake is van beslissing die materieel vergelijkbaar is met een eerdere afwijzende beslissing, indien de vreemdeling aan die (nieuwe) aanvraag een op basis van een in dat land na die terugkeer opgekomen nieuw feitencomplex en een daarop gebaseerd asielrelaas ten grondslag heeft gelegd dat een zelfstandig karakter heeft ten opzichte van het relaas dat tot de eerdere afwijzing heeft geleid en derhalve los daarvan beoordeeld dient te worden.

De rechtbank merkt, voor zover nodig, op dat in die volgende procedure ook de mogelijke aanspraak op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 (al dan niet over de band van de subsidiaire bescherming, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn) kan worden bezien.

2.9. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet langer een rechtens te honoreren belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over het beroep, zodat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.10. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. R. Depping, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.A. Ruiter als griffier op 10 december 2009.

De griffier,

De rechter,

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb), één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: