Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BM1125

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-12-2009
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
AWB 09/9598
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

‘(…) Uit de hiervoor aangeduide paragrafen uit de Vc 2000, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat verweerder het beleid hanteert dat sprake is van een deugdelijk bewezen relatie als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000, indien de ongehuwde partner van de EU-onderdaan kan aantonen dat hij of zij hier te lande feitelijk samenwoont en een gemeenschappelijke huishouding voert en dat hij of zij al meer dan zes maanden, al dan niet in Nederland, met die EU-onderdaan heeft samengewoond. Voorts leidt de rechtbank uit deze paragrafen af dat de ongehuwde partner ten bewijze hiervan in ieder geval een inschrijving uit het GBA dient te overleggen en daarnaast ook naar buiten toe hetzelfde adres moet voeren. Tot slot kan uit het door verweerder gehanteerde beleid worden afgeleid dat onder alle omstandigheden moet zijn voldaan het vereiste dat de ongehuwde partner en de EU-onderdaan een relatie hebben.

(…)

Niet in geschil is dat, wil er sprake zijn van een duurzame relatie als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000, de aanvrager en de EU-onderdaan in ieder geval dienen samen te wonen. Hoewel het ontbreken van een GBA-inschrijving een sterke indicatie vormt dat de aanvrager en de EU-onderdaan niet samenwonen, kan daaruit niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat geen sprake is van samenwoning. Voor die conclusie biedt de Richtlijn noch de in het kader daarvan geïmplementeerde bepalingen in het Vb 2000 steun. Naar het oordeel van de rechtbank biedt deze regelgeving de ruimte om ten bewijze van het samenwonen andere bescheiden te overleggen dan een GBA-inschrijving. Dat kunnen ook, zoals volgt uit het arrest van het Hof van 9 januari 2007 (LJN: AZ7474), andere dan van overheidswege verstrekte bescheiden zijn.

De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres met enkel het overleggen van de relatieverklaring niet aannemelijk heeft gemaakt samen te wonen met referent. Dat van eiseres meer bewijsmiddelen dan een verklaring van de betrokkenen mag worden verlangd, kan worden afgeleid uit het arrest van het Hof van 25 mei 2000 (LJN AG9013). Het betoog van eiseres dat het nuttig effect van de Richtlijn wordt ontnomen indien om meer bewijsstukken dan alleen een relatieverklaring wordt gevraagd, slaagt niet. Naast de omstandigheid dat het niet onredelijk bezwarend kan worden geacht voor eiseres om een inschrijving uit het GBA te overleggen, had zij op eenvoudige wijze andere bewijsmiddelen, bijvoorbeeld poststukken waaruit blijkt dat zij en referent hetzelfde adres hebben, kunnen overleggen. (…)’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 09/9598

V-nummer: […]

Inzake: […], eiseres,

gemachtigde mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. I.A.M. de Groot.

I Procesverloop

1 Eiseres, geboren in 1988, bezit de Kaapverdische nationaliteit. Bij besluit van 26 januari 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om afgifte van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen. Bij besluit van 12 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2 Op 18 maart 2009 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Ter zitting is verschenen eiseres, bijgestaan door mr. P.H. van Akenborgh, waarnemend kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: de Richtlijn), voor zover hier van belang, vergemakkelijkt het gastland overeenkomstig zijn nationaal recht en onverminderd een persoonlijk recht van vrij verkeer of verblijf van de betrokkenen, binnenkomst en verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft.

1.2 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder gemeenschapsonderdanen:

1°. onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

2°. familieleden van de onder 1° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

1.3 Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, verschaft verweerder aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, onder e, sub 2°, een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

1.4 Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is paragraaf 2 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of bij de Overeen¬komst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven. Ingevolge het vierde lid, is deze paragraaf - voor zover thans relevant - eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft.

2 Verweerder stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat eiseres niet voor de afgifte van het gevraagde document in aanmerking komt, omdat niet is gebleken dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie en dat zij dus niet als een gemeenschapsonderdaan kan worden beschouwd.

3 Eiseres kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder. Zij voert daartoe aan dat zij geen tegenstrijdige informatie heeft verstrekt en dat zij genoegzaam heeft aangetoond dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie met een burger van de Unie. Verweerder miskent dat in de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 25 mei 2000 (LJN: AG9013) en 9 januari 2007 (LJN: AZ7474) algemene regels van bewijsrecht zijn geformuleerd die erop neer komen dat de bewijsregels in de nationale wetgeving geen migratie-ontmoedigend effect mogen hebben. De bewijslat is in deze zaak, gelet op de aangehaalde jurisprudentie van het Hof, te hoog gelegd. Voorts is aangevoerd dat eiseres ten onrechte niet is gehoord op bezwaar, nu zij gemotiveerd heeft betoogd waarom de verklaringen van haar en haar partner opgenomen in de relatieverklaring, anders dan verweerder stelt, niet tegenstrijdig zijn te noemen.

4 De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1.1 In geschil is of eiseres en […], burger van de Unie (hierna: referent), ten tijde van het bestreden besluit een deugdelijk bewezen duurzame relatie hadden als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000.

4.1.2 Volgens paragraaf B10/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (VC 2000), voor zover hier van belang, geldt voor ongehuwde partners van de gemeenschapsonderdanen dat, voordat wordt aangenomen dat rechten kunnen worden ontleend aan het gemeenschapsrecht, met deugdelijk bewijs zal moeten worden aangetoond dat sprake is van een duurzame relatie. Verwezen wordt naar paragraaf B10/1.7 van de Vc 2000.

4.1.3 Volgens laatstgenoemde paragraaf, voor zover hier van belang, wordt de duurzame relatie in ieder geval aangenomen indien met deugdelijk bewijs kan worden aangetoond dat de ongehuwde partner en de EU-onderdaan, die gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer, reeds gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren. Als bewijs om aan te tonen dat de ongehuwde partners in Nederland samenwonen wordt een inschrijving in de GBA verlangd. In alle gevallen dient het om een (nog immer) bestaande relatie te gaan.

4.1.4 Volgens paragraaf B10/5.1 van de Vc 2000, voor zover hier van belang, geldt voor ongehuwde partners van een onderdaan van de EU dat zij in Nederland met hun partner dienen samen te wonen. Voor hetgeen onder samenwonen wordt verstaan wordt verwezen naar paragraaf B2/4.9 van de Vc 2000.

4.1.5 Volgens laatstgenoemde paragraaf moeten de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij dienen ook naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de werkgever, de belastingdienst en de zorgverzekeraar, hetzelfde adres te voeren. Daarnaast dienen de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven op hetzelfde adres in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) te staan ingeschreven.

4.2 Uit de hiervoor aangeduide paragrafen uit de Vc 2000, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat verweerder het beleid hanteert dat sprake is van een deugdelijk bewezen relatie als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000, indien de ongehuwde partner van de EU-onderdaan kan aantonen dat hij of zij hier te lande feitelijk samenwoont en een gemeenschappelijke huishouding voert en dat hij of zij al meer dan zes maanden, al dan niet in Nederland, met die EU-onderdaan heeft samengewoond. Voorts leidt de rechtbank uit deze paragrafen af dat de ongehuwde partner ten bewijze hiervan in ieder geval een inschrijving uit het GBA dient te overleggen en daarnaast ook naar buiten toe hetzelfde adres moet voeren. Tot slot kan uit het door verweerder gehanteerde beleid worden afgeleid dat onder alle omstandigheden moet zijn voldaan het vereiste dat de ongehuwde partner en de EU-onderdaan een relatie hebben.

4.3 Als bewijs voor haar stelling dat zij een duurzame relatie heeft met referent, heeft eiseres bij de “aanvraag om toetsing aan het EU gemeenschapsrecht (bewijs van rechtmatig verblijf)”, ingediend op 29 augustus 2008, een door haar en referent ingevulde en ondertekende relatieverklaring overgelegd, waarin zij onder meer verklaren samen te wonen. Bij brief van 3 december 2008 heeft verweerder aan eiseres verzocht om onder meer een origineel uittreksel uit het GBA te overleggen. Eiseres heeft niet aan dit verzoek voldaan, noch aan het verzoek van verweerder om andere stukken te overleggen die de gestelde duurzame relatie kunnen aantonen, voldaan.

4.4 Niet in geschil is dat, wil er sprake zijn van een duurzame relatie als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000, de aanvrager en de EU-onderdaan in ieder geval dienen samen te wonen. Hoewel het ontbreken van een GBA-inschrijving een sterke indicatie vormt dat de aanvrager en de EU-onderdaan niet samenwonen, kan daaruit niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat geen sprake is van samenwoning. Voor die conclusie biedt de Richtlijn noch de in het kader daarvan geïmplementeerde bepalingen in het Vb 2000 steun. Naar het oordeel van de rechtbank biedt deze regelgeving de ruimte om ten bewijze van het samenwonen andere bescheiden te overleggen dan een GBA-inschrijving. Dat kunnen ook, zoals volgt uit het hiervoor genoemde arrest van het Hof van 9 januari 2007, andere dan van overheidswege verstrekte bescheiden zijn.

4.5 De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres met enkel het overleggen van de relatieverklaring niet aannemelijk heeft gemaakt samen te wonen met referent. Dat van eiseres meer bewijsmiddelen dan een verklaring van de betrokkenen mag worden verlangd, kan worden afgeleid uit het hiervoor genoemde arrest van het Hof van 25 mei 2000. Het betoog van eiseres dat het nuttig effect van de Richtlijn wordt ontnomen indien om meer bewijsstukken dan alleen een relatieverklaring wordt gevraagd, slaagt niet. Naast de omstandigheid dat het niet onredelijk bezwarend kan worden geacht voor eiseres om een inschrijving uit het GBA te overleggen, had zij op eenvoudige wijze andere bewijsmiddelen, bijvoorbeeld poststukken waaruit blijkt dat zij en referent hetzelfde adres hebben, kunnen overleggen.

4.6 De rechtbank komt tot de slotsom dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van het bestreden besluit samenwoonde met referent. Reeds op grond hiervan heeft verweerder kunnen concluderen dat geen sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000. Eiseres is dus geen gemeenschapsonderdaan, zodat verweerder ook niet gehouden was haar op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 een verblijfsdocument te verstrekken. Gelet hierop kan beantwoording van de vraag of de relatieverklaring tegenstrijdigheden bevatte achterwege worden gelaten.

4.7.1 Eiseres betoogt tot slot dat verweerder zich onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht bij de behandeling daarvan van horen kan worden afgezien.

4.7.2 Vaste rechtspraak is, onder andere neergelegd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 januari 2009 (LJN BH5761), dat slechts met toepassing van voormeld artikelonderdeel van horen mag worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kan leiden.

4.7.3 Eiseres heeft ten bewijze van de stelling dat zij een duurzame relatie heeft met referent enkel een relatieverklaring overgelegd. Hoewel verweerder daar bij brief van 3 december 2008 om heeft gevraagd, heeft zij geen andere bewijsmiddelen dan deze verklaring overgelegd. Onder die omstandigheden was er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk dat het bezwaar van eiseres niet tot een andersluidend besluit kan leiden. Dat eiseres een hoorzitting had willen gebruiken om de stelling van verweerder, dat de relatieverklaring tegenstrijdigheden bevat, te ontkrachten, maakt dat niet anders. Met het overleggen van enkel de relatieverklaring heeft eiseres immers niet aannemelijk gemaakt dat zij een duurzame relatie met referent heeft; ook niet indien die relatieverklaring geen tegenstrijdigheden zou bevatten.

4.8 Het beroep is derhalve ongegrond.

4.9 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2009.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: