Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL8962

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-12-2009
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/17913
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN6683, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Richtlijn 2004/38 / derdelander / gezinslid van Nederlander / gezamenlijk verblijf in andere lidstaat / Metock-arrest

In geschil is of eiser, als gezinslid, afkomstig uit een derde land, van een Nederlandse een verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht kan ontlenen. Uit de tekst van de artikelen 8.7, 8.11 en 8.12 van het Vb 2000 alsmede uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat een onderdaan met de nationaliteit van een derde land, die een gezinslid is van een eigen onderdaan, uitsluitend een verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht kan ontlenen indien, voorafgaand aan vestiging in Nederland, sprake is geweest van een gezamenlijk verblijf in de andere lidstaat. Anders dan eiser betoogt heeft het Hof van Justitie dit uitgangspunt in het arrest van 25 juli 2008 in de zaak Metock (nr. C-127/08) niet verlaten. Hieruit volgt dat eiser, die ten tijde van het verblijf van referente in Spanje nog geen relatie met haar onderhield, niet kan worden aangemerkt als partner als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000. Dientengevolge heeft verweerder de afgifte van het in artikel 9 van de Vw 2000 bedoelde document terecht geweigerd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 9
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 8.7
Vreemdelingenbesluit 2000 8.11
Vreemdelingenbesluit 2000 8.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 09/17913

Datum uitspraak: 4 december 2009

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer]

van Indonesische nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. G.G.A.J. Adang,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 29 september 2008 heeft eiser verzocht om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vw 2000, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Bij besluit van 15 januari 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

Daartegen heeft eiser op 28 januari 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 mei 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 18 mei 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 oktober 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig mevrouw N.E. van der Zwet, de partner van eiser, hierna te noemen: referente. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door L.M.A. Hansen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover van belang, verschaft onze Minister aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, onder e, sub 2°, een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

3. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, onder 1° en 2°, van de Vw 2000, voor zover van belang, worden in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder "gemeenschapsonderdanen" verstaan: onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het EG-Verdrag gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven en familieleden van deze onderdanen die de nationaliteit van een derde land bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het EG-Verdrag genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

4. Artikel 3 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: Richtlijn 2004/38), bepaalt in het eerste lid: „Deze richtlijn is van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

5. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 2004/38 wordt voor de toepassing van deze richtlijn verstaan onder familielid:

a) de echtgenoot;

b) de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan; (…).

6. Deze bepalingen zijn met ingang van 29 april 2006 omgezet in nationaal recht en opgenomen in artikel 8.7 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000.

7. Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000 is hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2 EG/EER van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, is deze paragraaf eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met de vreemdeling heeft.

8. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van het Vb 2000 voor zover thans van belang, heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel en beschikt over een geldig paspoort, rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis.

9. Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van het Vb 2000 heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij

a. in Nederland werknemer of zelfstandige is (…);

h. partner is als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, en hij een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft met een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a (…).

10. Volgens onderdeel B10/5.3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) kan uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 7 juli 1992, Surinder Singh) worden afgeleid dat een lidstaat verblijf moet toestaan aan het familie- of gezinslid – ongeacht diens nationaliteit – van een eigen onderdaan die met dit familie- of gezinslid in een andere lidstaat op grond van het EG-Verdrag heeft verbleven en die zich daarna weer vestigt in eigen land. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie (HvJEG, 11 december 2007, Eind) blijkt dat bij terugkeer van een werknemer naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft nadat hij betaald werk heeft verricht in een andere EU-lidstaat, een in die andere lidstaat tot het gezin van die werknemer behorend persoon met de nationaliteit van een derde land, een recht van verblijf heeft in de lidstaat waarvan de werknemer de nationaliteit heeft, ook indien deze laatste aldaar geen reële en daadwerkelijke economische activiteit verricht. (…).

11. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.

Referente, in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, heeft in de periode van januari 2006 tot november 2006 in Spanje verbleven, alwaar zij als hostess werkzaam is geweest. Eiser en referente hebben elkaar in mei 2007, op het schip ‘Oosterdam’, dat onder Nederlandse vlag voer, leren kennen.

12. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het gemeenschapsrecht. Tijdens haar verblijf in Spanje had referente immers nog geen relatie met eiser. De verwijzing van eisers gemachtigde naar de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaken van Surinder Singh, Akrich, Eind, Metock en Jia, noch de door eiser overgelegde beschikkingen, leiden tot een ander oordeel. Het beroep op het discriminatieverbod, als neergelegd in artikel 12 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, kan niet slagen, aangezien op deze bepaling uitsluitend een geslaagd beroep kan worden gedaan voor zover de betrokken situatie door het gemeenschapsrecht wordt beheerst, waarvan in onderhavige zaak geen sprake is.

13. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd.

Verweerder heeft een te beperkte uitleg gegeven aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 2008 in de zaak Metock (LJN: BE8788). Uit dit arrest volgt dat het niet ter zake doet wanneer eiser zich bij referente heeft gevoegd en of hij voor zijn komst naar Nederland rechtmatig in een andere lidstaat heeft verbleven om rechten aan het gemeenschapsrecht te kunnen ontlenen. Voorts is eiser van oordeel dat Nederland met de terugkeer van referente uit Spanje gastland is geworden.

In zijn beslispraktijk acht verweerder het niet van belang dat de gezinsband met de (huwelijks)partner al in een gastland bestond. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser een aantal stukken overgelegd. Ten slotte maakt het bestreden besluit een inbreuk op het recht op gezins- en privéleven van zowel eiser als referente.

14. De rechtbank overweegt als volgt.

15. Niet in geschil is dat referente als gevolg van haar verblijf in Spanje in 2006 als gemeenschapsonderdaan is aan te merken. Evenmin in geschil is dat eiser en referente ten tijde van het verblijf van referente in Spanje nog geen duurzame relatie onderhielden.

16. Uit de tekst van de artikelen 8.7, 8.11 en 8.12 van het Vb 2000 alsmede uit de onder rechtsoverweging 12 genoemde arresten, volgt dat een onderdaan met de nationaliteit van een derde land, die een gezinslid is van een eigen onderdaan, uitsluitend een verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht kan ontlenen indien, voorafgaand aan vestiging in Nederland, sprake is geweest van een gezamenlijk verblijf in de andere lidstaat. Anders dan eiser betoogt heeft het Hof van Justitie dit uitgangspunt in het arrest van 25 juli 2008 in de zaak Metock (nr. C-127/08) niet verlaten.

17.Hieruit volgt dat eiser, die ten tijde van het verblijf van referente in Spanje nog geen relatie met haar onderhield, niet kan worden aangemerkt als partner als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000. Dientengevolge heeft verweerder de afgifte van het in artikel 9 van de Vw 2000 bedoelde document terecht geweigerd.

18. Ter zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij als gemeenschapsonderdaan dient te worden aangemerkt omdat hij samen met referente op een schip in de Middellandse Zee heeft verbleven. Nu evenwel niet is gebleken dat eiser deze beroepsgrond niet eerder dan ter zitting naar voren heeft kunnen brengen, en verweerder heeft aangegeven hierop niet adequaat te kunnen reageren, zal de rechtbank deze beroepsgrond, wegens strijd met de goede procesorde, buiten de beoordeling laten.

19. De stelling dat Nederland na terugkeer van referente tevens gastland is geworden, volgt de rechtbank niet. Dit kan niet worden afgeleid uit Richtlijn 2004/38, noch uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie.

20. Voor zover eiser in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gewezen op de zaak van mevrouw N., van Vietnamese nationaliteit, heeft verweerder in het bestreden besluit opgemerkt dat de positieve beslissing in die zaak een ambtelijke misslag betreft. Daartegen heeft eiser geen beroepsgronden ingebracht. Uit de door eiser overgelegde stukken ten aanzien van mevrouw V., van Moldavische nationaliteit, kan de rechtbank niet opmaken of de feiten in die zaak gelijk zijn aan de feiten in de onderhavige zaak. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan derhalve niet slagen.

21. Eiser heeft zijn standpunt dat de bestreden beschikking inbreuk maakt op het recht op gezins- en privéleven van zowel eiser als zijn partner niet onderbouwd, zodat deze beroepsgrond reeds hierom geen doel treft.

22. De rechtbank acht geen grond aanwezig voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand. Ingevolge artikel 7:15 van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor.

23. Derhalve is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.S.M. Bak, voorzitter, en mr. C. van Linschoten en mr. W.F. Bijloo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay als griffier.

de griffier

de voorzitter

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2009

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).

?