Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL7979

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/16275
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vk / COA / contra-expertise taalanalyse / vergoeding kosten / noodzakelijke kosten / zorgvuldigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 09/16275, V-nummer: [v-nummer] ,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam,

tegen

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder,

gemachtigde: mr. E.F. de Bruijn, advocaat te 's-Gravenhage.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 29 april 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om toestemming voor het maken van kosten in verband met het laten verrichten van een contra-expertise taalanalyse toegewezen tot een bedrag van € 800 en voor het overige afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 6 mei 2009 beroep ingesteld.

De zaak is op 1 december 2009 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiseres is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij mr. A.C. Rop, kantoorgenoot van zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: Wet COa) is het Centraal Orgaan opvang asielzoekers belast met het plaatsen van asielzoekers in een opvangvoorziening.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Wet COa, voor zover hier van belang, kan de Minister van Justitie regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers.

2.1.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 (hierna: Rva 2005) omvat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval betaling van buitengewone kosten.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Rva 2005 kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g van deze regeling, die hij heeft gemaakt.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald.

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden buitengewone kosten slechts betaald voorzover vooraf door het orgaan aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van deze kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt de toestemming, bedoeld in het derde lid, uitsluitend verleend indien en voor zover de kosten noodzakelijk zijn en niet op andere wijze in de betaling kan worden voorzien.

2.2. het bestreden besluit en het verweer

2.2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres om toestemming voor het maken van kosten in verband met het laten verrichten van een contra-expertise taalanalyse toegewezen tot een bedrag van € 800 en voor het overige afgewezen. In het bestreden besluit heeft verweerder, samengevat, het volgende overwogen.

Verweerder is niet verplicht de kosten van een contra-expertise te vergoeden die wordt verricht na onderzoek door het Bureau Land en Taal (hierna: BLT), omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) het BLT als deskundig aanmerkt. Als verweerder desondanks tot vergoeding van deze kosten over wenst te gaan, mag hij eisen stellen aan de contra-expertise, zoals een redelijk maximumbedrag.

In haar brief van 24 september 2008 heeft De Taalstudio de werkzaamheden genoemd die zij in de zogenoemde eerste fase verricht. Het verwerven en verwerken van gegevens over de levensloop van de betrokken asielzoeker en diens gestelde herkomst, vergelijking van deze gegevens met gedetailleerde interne en externe bronnen en het inwinnen van informatie bij onafhankelijke deskundigen zijn werkzaamheden die door de gemachtigde van de asielzoeker zijn verricht of verricht kunnen worden en hebben niet specifiek betrekking op de taalanalyse. Het opstellen van het verwachte taalprofiel van betrokkene in het licht van diens gestelde levensloop en herkomst is evenmin noodzakelijk, omdat deze gegevens al door de vreemdeling bekend zijn gemaakt. Het beoordelen van de argumenten van het BLT is ook geen noodzakelijke werkzaamheid, omdat deze argumenten alleen in het licht van de taalanalyse en de daaraan ten grondslag liggende bandopname beoordeeld kunnen worden. Het beoordelen van de kwalificaties van de analist en de linguïst is evenmin noodzakelijk, omdat de Afdeling het BLT als een deskundige instantie beschouwt. Uit de vermelding van het rapport taalanalyse blijkt al op welke taal de contra-expertise betrekking moet hebben. Het vaststellen wat de vraagstelling van de contra-expertise kan zijn, is evenmin noodzakelijk, omdat dit al volgt uit de opzet van de contra-expertise, namelijk het alsnog aannemelijk maken van de door de asielzoeker gestelde herkomst. Het bepalen welke deskundige de zaak in de tweede fase moet beoordelen, is een reële kostenpost, echter van geringe aard. Het is niet noodzakelijk om vast te stellen of aanvullende informatie nodig is voor het onderzoek in de tweede fase, omdat alle benodigde informatie voor een contra-expertise in beginsel aanwezig is. Het beoordelen van de interpretatie die in een eenmaal uitgebrachte beschikking of een voornemen aan de resultaten van een taalanalyse is toegekend en het opstellen van een dossieranalyse waarin de beoordeling van de rapport van het BLT door De Taalstudio wordt gemotiveerd is niet noodzakelijk, omdat het aan de gemachtigde van de asielzoeker is de interpretatie van het resultaat van de taalanalyse in relatie te brengen tot het asielrelaas. Het opstellen van een plan van aanpak waarin de mogelijkheden van een contra-expertise helder uiteen worden gezet is niet noodzakelijk, uitgangspunt is immers tot een contra-expertise te komen. Het per taal beoordelen van de kwaliteit en kwantiteit van de spraak op de opname van het taalanalyse-interview is ook niet nodig, omdat de taalanalyse van het BLT meestal op één taal ziet. De kwaliteit van een bandopname is eenvoudig vast te stellen en de kwantiteit kan uitsluitend door de deskundige worden vastgesteld. De eventuele noodzaak van een aanvullende bandopname kan alleen op basis van de contra-expertise worden beoordeeld. Bovendien hoeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) een aanvullende bandopname volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling alleen mee te wegen als deze onder voor haar controleerbare omstandigheden tot stand is gekomen.

Samenvattend is verweerder van mening dat de meeste werkzaamheden in de eerste fase niet noodzakelijk zijn, omdat zij niet direct of helemaal geen betrekking hebben op de contra-expertise als zodanig. De eerste fase hoeft slechts te bestaan uit het benaderen van een deskundige in de door de IND in de taalanalyse vermelde taal. Verweerder acht een bedrag van € 100 tot € 150 een redelijke vergoeding voor deze werkzaamheden.

Een gekwalificeerd taalkundig expert brengt een bedrag van ongeveer € 75 tot maximaal € 100 per uur in rekening. Een redelijke inschatting van de tijd die een taalkundig expert nodig heeft voor een contra-expertise is vier tot zes uur.

Gelet hierop acht verweerder een totaalbedrag van € 800 voor de eerste fase (het voorwerk) en de tweede fase (de daadwerkelijke contra-expertise) redelijk. Het verzoek van eiseres om vergoeding van alle kosten (€ 1.463) wordt dan ook afgewezen. Wel wordt toestemming verleend voor het maken van kosten voor een contra-expertise taalanalyse tot een bedrag van € 800.

2.2.2. In het verweerschrift heeft verweerder onder meer het volgende naar voren gebracht.

Voor 2004 werden ook contra-expertises verricht, die tot stand kwamen zonder tussenkomst van commerciële firma's. De kosten werden door verweerder vergoed. Sinds 2004 zijn enkele firma's actief die voor asielzoekers bemiddelen bij het vinden van een geschikte deskundige, waaronder De Taalstudio. De kosten die De Taalstudio in rekening brengt voor haar bemiddeling en het verrichten van de eigenlijke contra-expertise zijn van 2004 tot 2008 sterk gestegen. Deze stijging en het sterk stijgende aantal aangevraagde vergoedingen waren voor verweerder aanleiding te bezien welke kosten voor het laten verrichten van een contra-expertise daadwerkelijk noodzakelijk zijn. Verweerder heeft zijn beleid met betrekking tot het vergoeden van de kosten van contra-expertises per 1 maart 2009 aangescherpt door alleen nog de kosten te vergoeden die noodzakelijk zijn als bedoeld in artikel 17 van de Rva 2005 en door het stellen van een maximum aan het te vergoeden bedrag. Het recht van de asielzoeker op een contra-expertise wordt hierdoor niet beperkt en een asielzoeker is ook niet verplicht of genoodzaakt om bij het vinden van een geschikte deskundige gebruik te maken van de diensten van een commerciële firma.

Verweerder acht de kosten van de zogenoemde tweede fase, de eigenlijke contra-expertise, noodzakelijk in de zin van artikel 17 van de Rva 2005. De inschatting van de tijd die nodig is voor een contra-expertise is gebaseerd op de ervaring van het BLT. De contra-expert hoeft geen eigen feitenonderzoek te doen. Hij moet het rapport van het BLT beoordelen, de CD-opname van het BLT beluisteren en een tegenrapport opstellen. Deze werkzaamheden kunnen in vier tot zes uur worden verricht. Verder onderzoek is gelet op het doel van de contra-expertise niet nodig. Uit onderzoek van het BLT blijkt dat taaldeskundigen in Scandinavische landen € 75 tot € 100 per uur in rekening brengen. De Taalstudio heeft desgevraagd geen inzicht gegeven in de bedragen die zij aan taaldeskundigen afdraagt.

De door eiseres genoemde Guidelines for the use of language analysis in relation to questions of national origin in refugee cases zijn zeer algemeen van aard en daaruit volgt niet dat alle door De Taalstudio verrichte werkzaamheden noodzakelijk zijn. Bovendien zijn deze richtlijnen mede opgesteld door de directeur van De Taalstudio en daarmee niet onafhankelijk.

Verweerder heeft inlichtingen ingewonnen bij zowel het BLT als De Taalstudio. De Taalstudio heeft de bedenkingen van verweerder met betrekking tot het vergoeden van de kosten van de eerste fase niet kunnen wegnemen. De beleidswijziging is zorgvuldig tot stand gekomen. Verweerder heeft voldoende informatie vergaard en op grond daarvan zelfstandig en zonder vooringenomenheid een afweging gemaakt.

2.3. de gronden van beroep

Eiseres heeft, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Uit de brief van 24 september 2008 van De Taalstudio blijkt duidelijk dat de werkzaamheden in de eerste fase noodzakelijk zijn voor het verrichten van een contra-expertise. Verweerder kan niet over de bezwaren van De Taalstudio heenstappen zonder een deskundige te raadplegen. Verweerder heeft met De Taalstudio uitsluitend globaal besproken welke werkzaamheden in de eerste fase noodzakelijk zijn. Over de met deze werkzaamheden gemoeide kosten en tijd is niet gesproken. Verweerder heeft De Taalstudio toegezegd dat zij niet zou worden geconfronteerd met een beleidswijziging als voldongen feit. De wijziging van het beleid van verweerder is dan ook onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen.

De werkzaamheden in de eerste fase worden verricht door gespecialiseerde medewerkers met minimaal een opleiding op MA-niveau in de taalwetenschap. Voorts worden bronnen en externe specialisten geraadpleegd. Aan het einde van de eerste fase stelt De Taalstudio een rapportage op, waardoor de belanghebbende kan afwegen of het zinvol is de contra-expertise door te zetten en, zo ja, hoe. Door voor de eerste fase apart te factureren, biedt De Taalstudio een mogelijkheid tot kostenbeperking. Op basis van de bevindingen van de eerste fase kan immers worden besloten af te zien van de contra-expertise.

De beleidswijziging van verweerder zou zijn gebaseerd op het standpunt van het BLT dat pas in de tweede fase sprake is van een daadwerkelijke contra-expertise. Dit standpunt is blijkens de brief van 24 september 2008 van De Taalstudio onjuist. Nu verschil van mening bestaat over de werkzaamheden van De Taalstudio, had een onafhankelijke derde moeten vaststellen welke werkzaamheden De Taalstudio in de eerste fase verricht en of deze werkzaamheden noodzakelijk zijn ter voorbereiding van de tweede fase. Doordat verweerder is afgegaan op informatie van het BLT is geen sprake van een zorgvuldige besluitvorming, omdat het BLT belanghebbende is.

Ten onrechte stelt verweerder zich op het standpunt dat de gemachtigde van eiseres een aantal werkzaamheden van de eerste fase zou kunnen verrichten. Een gemachtigde is over het algemeen geen taalwetenschapper en heeft daardoor onvoldoende kennis om de benodigde relevante gegevens over de levensloop van een asielzoeker te verzamelen, bronnen te vergelijken en informatie in te winnen. Nu De Taalstudio zich op het standpunt stelt dat het niet mogelijk is de werkzaamheden in de tweede fase uit te voeren zonder de werkzaamheden in de eerste fase te verrichten en de werkzaamheden in de eerste fase niet worden vergoed, is het voor eiseres onmogelijk om de gerezen twijfel over haar identiteit en nationaliteit weg te nemen. Eiseres kan de contra-expertise niet zelf betalen. Een contra-expertise is voor eiseres van groot belang, omdat zij alleen daarmee de twijfel bij de IND kan wegnemen. Zonder een contra-expertise is haar asielzaak verloren. Eiseres heeft dan ook een groot belang bij volledige vergoeding van de kosten.

Uit de uitspraak van 19 mei 2009 van de Afdeling (LJN BI5889) blijkt dat alleen een eerste fasebeoordeling van De Taalstudio kan leiden tot de conclusie dat een rapport van het BLT onvoldoende inzichtelijk is. De Afdeling maakt in deze uitspraak geen onderscheid tussen een daadwerkelijke contra-expertise en de andere werkzaamheden van De Taalstudio.

De onafhankelijke deskundige dr. J.D. ten Thije bevestigt dat de werkzaamheden in de eerste fase noodzakelijk zijn. Verweerder aanvaardt het koppelen van de juiste deskundige aan de taal die aan de analyse ten grondslag heeft gelegen als kernactiviteit van De Taalstudio. Om de juistheid van deze koppeling te garanderen, zijn de andere werkzaamheden die De Taalstudio in de eerste fase verricht volgens deze deskundige noodzakelijk. Deze werkzaamheden kunnen uitsluitend door geschoolde linguïsten worden verricht. In dertig procent van de gevallen adviseert De Taalstudio af te zien van een contra-expertise, wat voordelig is voor verweerder. De deskundige acht de door verweerder geschatte tijdbesteding van vier tot zes uur te laag.

De in het verweerschrift genoemde stijging van de kosten is bij lange na niet zo sterk als verweerder doet voorkomen. De kosten zijn niet met vierhonderd, maar met 43 procent gestegen door de gebleken noodzaak van een aantal extra werkzaamheden en door inflatie. De verschillende stijgingen zijn besproken met en goedgekeurd door verweerder. Als De Taalstudio minder werkzaamheden verricht, is geen sprake van een volledige contra-expertise. De Taalstudio geeft wel degelijk inzicht gegeven in haar tarieven. In een door verweerder ingebrachte brief wordt een uurtarief van € 95 genoemd.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet een contra-expertise met de nodige waarborgen zijn omkleed en worden verricht door een onafhankelijke deskundige. Een contra-expertise van De Taalstudio voldoet aan deze eisen. Het standpunt van verweerder dat eiseres ook zelf een deskundige kan benaderen, getuigt van weinig realiteitszin. Niet valt in te zien hoe eiseres of haar gemachtigde, die ter zake niet deskundig zijn, zelf een geschikte deskundige zou kunnen vinden. Bovendien loopt eiseres in dat geval een procesrisico. De Afdeling merkt De Taalstudio aan als deskundig en eiseres moet maar afwachten of de Afdeling een andere door haar aangezochte contra-expert eveneens als deskundig zal beschouwen.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheden die De Taalstudio in de zogenoemde eerste fase verricht niet noodzakelijk zijn, met uitzondering van het selecteren van een geschikte deskundige. Eiseres betoogt met verwijzing naar een rapport van dr. J.D. den Thije dat de werkzaamheden die De Taalstudio in de eerste fase verricht noodzakelijk zijn om de juiste deskundige te selecteren. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de werkzaamheden die De Taalstudio in de eerste fase verricht, bijdragen aan een verantwoorde keuze van een contra-expert. Dit is echter onvoldoende om de met deze werkzaamheden gemoeide kosten aan te merken als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 17, tweede lid, van de Rva 2005. Verweerder wijst erop dat asielzoekers die een contra-expertise taalanalyse willen laten verrichten, vóór de komst van bemiddelingsbureaus als De Taalstudio rechtstreeks een deskundige benaderden voor het verrichten van een contra-expertise. De werkzaamheden zoals De Taalstudio die thans in de eerste fase verricht, werden toen niet verricht. Gesteld noch gebleken is dat een contra-expertise van een door de asielzoeker of zijn gemachtigde rechtstreeks benaderde deskundige niet kan voldoen aan de door de Afdeling gestelde eisen. Gelet hierop volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat het benaderen van een deskundige die het rapport van het BLT beoordeelt, de bandopname beluistert en een tegenrapport opstelt, voldoende is om in de asielprocedure een contra-expertise tot stand te brengen die voldoet aan de door de Afdeling gestelde eisen. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de kosten die gemoeid zijn met andere werkzaamheden van De Taalstudio geen noodzakelijke kosten zijn in de zin van artikel 17, tweede lid, van de Rva 2005. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond faalt.

Eiseres betwist niet dat € 100 tot € 150 een redelijke vergoeding is voor het aanzoeken van een deskundige door De Taalstudio.

2.4.2. Ter zitting van de rechtbank heeft eiseres gesteld dat vier tot zes uur te weinig is voor de tweede fase van het onderzoek van De Taalstudio. Daargelaten of deze stelling valt te herleiden tot de door eiseres aangevoerde beroepsgronden, wordt deze stelling niet gevolgd omdat zij niet is onderbouwd. De verwijzing naar het rapport van Den Thije is niet ter zake dienend, omdat de daarin gemaakte schatting van de tijdsduur van werkzaamheden van De Taalstudio betrekking heeft op de eerste fase en niet op de tweede fase.

Eiseres betwist niet dat € 75 tot € 100 een redelijk uurtarief is voor een deskundig taalanalist.

2.4.3. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Bij het nemen van het bestreden besluit heeft verweerder de in de brief van 24 september 2008 van De Taalstudio genoemde werkzaamheden als uitgangspunt genomen, zodat niet kan worden gezegd dat verweerder geen juist beeld heeft van de werkzaamheden van De Taalstudio. Bij het beoordelen van de noodzakelijkheid van deze werkzaamheden heeft verweerder een eigen verantwoordelijkheid en is hij niet gebonden aan het standpunt van De Taalstudio dat zij geen werkzaamheden verricht die niet noodzakelijk zijn. Bij het beantwoorden van de vragen hoeveel tijd nodig is voor het opstellen van een contra-expertise en wat een redelijk uurtarief van een deskundige is, heeft verweerder zich gebaseerd op informatie van het BLT. Eiseres heeft gelet op 2.4.2. van deze uitspraak niet aannemelijk gemaakt dat deze informatie onjuist is. Ook overigens bevat het betoog van eiseres geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het inschakelen van een onafhankelijke deskundige noodzakelijk was voor een zorgvuldige beslissing op haar aanvraag.

Verweerder was niet gehouden het voornemen tot wijziging van zijn gedragslijn inzake het vergoeden van de kosten van een contra-expertise taalanalyse voor te leggen aan De Taalstudio. Voor zover verweerder een toezegging in die richting heeft gedaan, is sprake van een toezegging aan De Taalstudio waaraan eiseres geen rechten kan ontlenen.

2.4.4. De beroepsgrond dat de gewijzigde gedragslijn van verweerder het voor eiseres onmogelijk maakt om een contra-expertise over te leggen slaagt evenmin. De rechtbank onderkent dat de wijziging van de gedragslijn van verweerder gelet op de tariefstelling van De Taalstudio problematisch is voor eiseres. De rechtbank ziet echter geen reden om hieraan de conclusie te verbinden dat verweerder verplicht is de door eiseres aangevraagde contra-expertise volledig te vergoeden, ongeacht of alle door De Taalstudio verrichte werkzaamheden noodzakelijk zijn en ongeacht het tarief dat De Taalstudio bij eiseres in rekening wenst te brengen. Verweerder wijst er terecht op dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij De Taalstudio om een gematigd tarief heeft gevraagd of dat zij heeft geprobeerd langs andere weg een deskundige te vinden die een contra-expertise kan verrichten. Eiseres heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat er geen geschikte deskundige is te vinden die niet voor De Taalstudio werkt. In het verlengde hiervan heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het inschakelen van een andere deskundige een onaanvaardbaar procesrisico zou inhouden. De rechtbank komt tot de slotsom dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat een contra-expertise door De Taalstudio voor een bedrag van € 1.463 de enige mogelijkheid is om de in de asielprocedure gerezen twijfel aan haar herkomst weg te nemen.

2.4.5. Ter zitting heeft eiseres de rechtbank verzocht de directeur van De Taalstudio als getuige te horen. De rechtbank heeft partijen meegedeeld dat zij een eventuele afwijzing van dit verzoek in de uitspraak zal toelichten. De rechtbank wijst het verzoek af omdat zij het in strijd acht met de goede procesorde dat dit verzoek pas ter zitting is gedaan en omdat zij geen reden ziet om te veronderstellen dat een verklaring van de directeur van De Taalstudio had kunnen leiden tot een andere beslissing op het beroep van eiseres.

2.4.6. Het beroep is derhalve ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

2.4.7. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, in tegenwoordigheid van S. Kuiper, griffier, en door de rechter ondertekend.