Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL6508

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
322724 - FA RK 08-8544
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot nihilstelling partneralimentatie.

Onder bepaalde omstandigheden kan het als redelijk worden aangemerkt dat de onderhoudsplichtige inteert op zijn vermogen om te kunnen voldoen aan zijn onderhoudsverplichting. De man beschikt over aanzienlijk vermogen en heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij gedurende langere periode van inkomsten uit arbeid dan wel een daaraan gerelateerde uitkering verstoken zal zijn. De rechtbank gaat er voorts van uit dat de man binnen afzienbare termijn weer inkomsten uit arbeid moet kunnen verwerven. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk dat de man gedurende de periode waarin hij niet in staat is zijn gehele verdiencapaciteit te benutten ter overbrugging inteert op zijn vermogen teneinde de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw te kunnen voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 08-8544

Zaaknummer: 322724

Datum beschikking: 12 mei 2009

Alimentatie

Beschikking op het op 27 oktober 2008 ingekomen verzoek van:

[de man],

wonende te [plaats 1], Zwitserland,

advocaat: mr. J. Rozendaal te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

wonende te [plaats 2],

advocaat: mr. P.J.W.M. Sliepenbeek te Eindhoven.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de brieven d.d. 18 maart 2009 (met bijlagen) en 30 maart 2009 van de zijde van de man.

Op 31 maart 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen en hun advocaten. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 1981 tot [datum] 2005.

Bij beschikking van het gerechtshof te ’s-Gravenhage d.d. 5 maart 2008 is, voor zover hier van belang, de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op

€ 3.000,= per maand bepaald, voor de toekomstig te verschijnen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen. De wijziging van rechtswege als bedoeld in artikel 1:402a BW is voor de periode tot 1 januari 2007 uitgesloten, zodat de thans door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw € 3.185,57 per maand bedraagt.

Verzoek, grondslag en verweer

Het verzoek van de man luidt – met wijziging van voornoemde beschikking – met ingang van 1 december 2008 de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw op nihil te bepalen, althans te verminderen tot een zodanig bedrag als de rechtbank zal menen te behoren, een en ander voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

De man stelt als grond voor dit verzoek een wijziging van omstandigheden waardoor voormelde beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven en voert hiertoe aan dat het inkomen uit zijn dienstverband bij Teleste Corporation te Turku Finland per 30 november 2008 zal eindigen wegens teruglopende bedrijfsresultaten en dat er daarna (nog) geen zicht is op inkomen.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans dit af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de vrouw in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.

De rechtbank zal op grond van artikel 8 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 2 oktober 1973, Trb. 1974, 86, Nederlands recht toepassen.

Ontvankelijkheid

Op grond van het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud voor wijziging vatbaar wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

De man stelt dat met ingang van 1 december 2008 zijn dienstverband is beëindigd, ten gevolge waarvan zijn inkomen is weggevallen.

Nu de man voldoende heeft gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden kan hij worden ontvangen in zijn verzoek. De rechtbank zal mitsdien overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van deze zaak.

Inhoudelijke beoordeling

Behoefte vrouw

De behoefte van de vrouw is bij voormelde beschikking van het hof gesteld op € 4.832,= bruto per maand. De man heeft ten aanzien van de behoefte van de vrouw geen wijziging van omstandigheden aangevoerd, zodat de behoefte van de vrouw aan de door het hof vastgestelde bijdrage van de man thans niet in geschil is.

Draagkracht man

De man is woonachtig in Zwitserland. De rechtbank hanteert in het navolgende waar nodig een wisselkoers van 1 Zwitserse Frank (CHF) = € 0,66 (officiële wisselkoers Europese Centrale Bank op 30 april 2009).

De man heeft gesteld dat hij door het wegvallen van zijn inkomsten niet langer de draagkracht heeft enige bijdrage ten behoeve van de vrouw te voldoen.

Inkomsten man uit arbeid / uitkering

De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek gesteld dat zijn dienstverband per 1 december 2008 is beëindigd. Vervolgens heeft de man, zo stelt hij, van december 2008 tot 9 februari 2009 een WW-uitkering ontvangen. Nadat hij op 9 februari 2009 in het ziekenhuis is opgenomen is de WW-uitkering beëindigd. Volgens de man bestaat in Zwitserland geen recht op een (WW-)uitkering bij arbeidsongeschiktheid, doch moet dan gebruik gemaakt worden van de uitkering uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De man heeft zich nimmer verzekerd voor arbeidsongeschiktheid en is ook via zijn werkgever niet verzekerd (geweest) voor arbeidsongeschiktheid. Omdat hij thans nog arbeidsongeschikt is, beschikt de man niet over enige inkomsten.

De vrouw heeft ter zitting niet langer betwist dat het dienstverband bij de werkgever van de man is beëindigd, hoewel zij haar vraagtekens heeft bij de wijze van beëindiging van het dienstverband van de man. Zij is bij haar verweer op de stellingen van de man uitgegaan van de inkomsten van de man uit WW-uitkering. Gelet hierop zal de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man ook de inkomsten uit de WW-uitkering tot uitgangspunt nemen. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat hij een WW-uitkering heeft ontvangen, zodat de rechtbank een beëindiging van zijn dienstverband bij Teleste Corporation aannemelijk acht.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat hij thans door zijn arbeidsongeschiktheid in het geheel geen inkomsten heeft, nu de man zijn stellingen daaromtrent onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft een tweetal verklaringen van artsen overgelegd, één verklaring d.d. 17 september 2008 van B.P.M. Schweitzer, huisarts in Diemen en een verklaring d.d. 26 februari 2009 van dr. med. Patrizia Vetter-Schilliger te Zürich. De verklaring van de huisarts in Diemen spreekt over een lange periode van rust, doch concretiseert dit niet nader. De verklaring van de arts te Zürich bevestigt de ziekenhuisopname van de man, doch benoemt voor het overige slechts dat de man voor de komende weken nog behandeling nodig heeft. De man heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzicht gegeven in de reden van zijn ziekenhuisopname, noch heeft hij inzichtelijk gemaakt waarom zijn gezondheidssituatie een langdurige arbeidsongeschiktheid zou veroorzaken. De rechtbank vermag dan ook niet in te zien waarom het recht van de man op WW-uitkering (kort) na zijn ziekenhuisopname niet zou zijn herleefd, noch waarom de man zich thans niet wederom op de arbeidsmarkt kan proberen te begeven en op korte termijn een nieuw dienstverband kan aangaan, waarbij de rechtbank een verdiencapaciteit tot in ieder geval de hoogte van de eerder ontvangen WW-uitkering niet op voorhand onaannemelijk acht.

Tussen partijen is niet ter discussie dat het bruto-inkomen uit WW CHF 338,70 per dag bedraagt. Partijen gaan beiden uit van een gemiddeld aantal werkdagen van 21,7 per maand. Partijen zijn vervolgens niet eenduidig in de premies die op dit inkomen moeten worden ingehouden. De man gaat in de berekening van zijn draagkracht (productie 22 bij zijn brief d.d. 17 maart 2009) uit van € 27,84 per werkdag aan premies AHV/IV/EO, terwijl de vrouw blijkens punt 3 van de door haar overgelegde pleitnotities uitgaat van € 27,84 en € 310,86 per maand aan vermindering van het inkomen in verband met premies.

Uit de door de man bij brief d.d. 17 maart 2009 als bijlage 7 en 8 overgelegde specificaties van de WW uitkering blijkt dat in verband met AHV / IV / EO en in verband met NBU een percentage van 5,05% respectievelijk 2,91% van de totale bruto uitkering wordt ingehouden. Daarnaast wordt nog BVG-Risikoprämie van afgerond 20 CHF ingehouden. Vorenstaande in aanmerking nemend gaat de rechtbank ervan uit dat de man per maand CHF 6.745,= aan WW-uitkering ontvangt.

Tussen partijen is voorts niet ter discussie dat over voornoemde uitbetaling nog belasting wordt geheven. De man hanteert in zijn draagkrachtberekening een belastingdruk van 30%, welk percentage hij heeft gebaseerd op een schatting. De man heeft niet nader onderbouwd hoe deze schatting tot stand is gekomen. Ook de door de man overgelegde stukken bieden de rechtbank hier onvoldoende inzicht in, nu de man uitsluitend Duitstalige stukken zonder nadere toelichting of vertaling heeft overgelegd. Deze Duitstalige stukken zijn – in elk geval daar waar het de aangiften inkomsten- en vermogensbelasting, met bijbehorende aanslagen, betreft – niet van eenvoudige aard. Gelet op het bepaalde in artikel 1.8 van het procesreglement scheiding was het derhalve aan de man om voor vertaling van deze stukken zorg te dragen, hetgeen hij heeft nagelaten.

De vrouw heeft betwist dat de belastingdruk 30% bedraagt en heeft gesteld dat de belastingdruk van de man krap 20% bedraagt, te weten 8,8% aan Einfache Staatsteuer en 10,7% aan Gemeinde Steuer. Deze onderbouwde stelling van de vrouw, is door de man niet gemotiveerd weersproken, zodat de rechtbank uitgaat van een belastingdruk van 20%.

Aldus bedraagt het netto inkomen uit uitkering van de man CHF 5.396,= per maand.

Inkomsten man uit vermogen

De man heeft in zijn verzoekschrift ten aanzien van zijn inkomsten uit vermogen geen wijziging van omstandigheden aangevoerd. Eerst ter zitting heeft de man gesteld dat hij geen inkomsten uit vermogen meer heeft, ten gevolge van de kredietcrisis. Nu de man deze stelling tardief heeft geponeerd en op geen enkele wijze met een verwijzing naar onderliggende stukken heeft onderbouwd, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Hierbij wordt mede in overweging genomen dat de rechtbank de blote stelling dat de man geen enkele inkomsten uit vermogen meer zou hebben, onaannemelijk acht, aangezien de man in 2006 – blijkens de beschikking van het hof – nog een belastbaar vermogen van CHF 948.586,= had.

Nu niet is gebleken dat het vermogen van de man sinds de beschikking van het hof is gewijzigd, gaat de rechtbank ervan uit dat ook de inkomsten uit vermogen ongewijzigd zijn gebleven. Conform het Hof gaat de rechtbank er derhalve van uit dat de man een belastbaar inkomen uit vermogen heeft van CHF 21.486,=. De rechtbank volgt de onweersproken stelling van de vrouw dat de belastingdruk op dit inkomen uit vermogen eveneens 20% bedraagt. Aldus gaat de rechtbank uit van een netto inkomen uit vermogen van CHF 17.189,=, zijnde CHF 1.432,= per maand.

Totale netto inkomsten

Gezien het voorgaande bedraagt het totale netto inkomen van de man uit uitkering en vermogen CHF 6.828,= per maand ( CHF 5.396,= en CHF 1.432,=) zijnde € 4.507,= per maand.

Lasten man

De door de man gestelde wijziging van omstandigheden is – zoals reeds eerder overwogen – gelegen in een wijziging in zijn inkomsten. De rechtbank stelt voorop dat zij, gezien de zeer recente uitspraak van het gerechtshof in onderhavige kwestie, ten aanzien van de lasten van de man geen aanleiding ziet van de beschikking van het hof af te wijken voorzover niet is gebleken van substantiële gewijzigde lasten.

De navolgende lasten staan tussen partijen ter discussie:

a. ziektekostenpremie

b. pensioenafdracht

c. bezoekregeling kinderen

d. woonkosten

e. kosten voor levensonderhoud / bijstandsnorm

ad. a: ziektekosten

Bij beschikking van het hof is uitgegaan van een bedrag van € 187,= per maand in verband met premie zorgverzekeringswet. Deze last stond tussen partijen niet ter discussie. Thans voert de man een last terzake premie ziektekostenverzekering van CHF 353,90 per maand op, welke post door de vrouw niet wordt betwist. De rechtbank neemt deze last in aanmerking, nu deze maandelijkse premie uit de door de man overgelegde stukken blijkt. De man heeft daarnaast nog gesteld dat de verzekering niet ziet op tandartskosten en dat hij een eigen risico van CHF 1.500,= per jaar heeft (in de draagkrachtberekening van de man benoemd als franchisekosten) De vrouw weerspreekt niet dat het eigen risico in aanmerking genomen moet worden, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. De tandartskosten worden buiten beschouwing gelaten, nu niet is gebleken dat deze kosten daadwerkelijk worden gemaakt. De man heeft terzake uitsluitend een handgeschreven overzicht overgelegd, doch geen betalingsbewijzen of bewijzen van de behandeling.

Aldus wordt terzake ziektekosten met een maandelijkse last van CHF 478,90, zijnde € 316,= rekening gehouden. Op dit bedrag wordt nog € 43,= in mindering gebracht, in verband met de in de bijstandsnorm verdisconteerde bijdrage ter zake premie zorgverzekeringswet.

ad. b: pensioenafdracht

De man voert een pensioenafdracht van 20% van zijn bruto WW-uitkering als last op. In de beschikking van het hof is met kosten in verband met pensioenopbouw geen rekening gehouden. De man heeft als productie 17 bij de brief d.d. 17 maart 2009 een document overgelegd waaruit blijkt dat de man in 2006 in verband met pensioenopbouw een bedrag van CHF 30.960,= heeft gestort. Voor het overige heeft de man deze last, of de noodzaak daarvan niet onderbouwd.

De rechtbank zal de last niet in aanmerking nemen. Hiertoe wordt overwogen dat de man een document uit 2006 heeft overgelegd, in welke periode de man nog aanzienlijke inkomsten uit arbeid had. De man heeft niet onderbouwd dat hij deze hoge pensioenafdracht ook in de gewijzigde omstandigheden nog doet. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de pensioenafdracht in de gegeven omstandigheden geen prioriteit behoort te hebben op de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw, te meer nu dit slechts meer vermogensopbouw tot gevolg heeft, terwijl de man reeds de beschikking heeft over een aanzienlijk vermogen en hij niets heeft gesteld omtrent de noodzaak van aanvullende pensioenopbouw.

ad. c: bezoekregeling kinderen

Bij beschikking van het hof is geen rekening gehouden met kosten in verband met de bezoekregeling van de kinderen. Het hof heeft daartoe overwogen dat er nauwelijks omgang is tussen de man en de minderjarigen en dat de man eventuele kosten uit zijn vrije draagkrachtruimte moet voldoen. Nu de man deze last niet nader onderbouwt en / of met stukken aantoont, is op dit punt niet gebleken van substantieel gewijzigde omstandigheden en laat de rechtbank deze last buiten beschouwing.

ad. d: woonkosten:

Bij beschikking van het hof is rekening gehouden met een woonlast van € 959,= per maand, zijnde de helft van de totale lasten van de woning van de man, omdat de man samenwonend is. Zijn partner wordt geacht in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en de helft van de woonlasten te kunnen voldoen.

Uit de door de man overgelegde stukken (specificatie betreffende februari 2009) blijkt dat de huurlast thans CHF 3.505,= bedraagt. De rechtbank neemt deze last voor de helft in aanmerking, evenals het hof ervan uitgaande dat zijn partner de helft van de woonlasten kan voldoen, nu de man onvoldoende heeft gesteld om van een gewijzigde situatie op dat punt uit te gaan. Aldus neemt de rechtbank een woonlast van € 1.157,= per maand in aanmerking. Hierop wordt nog een bedrag van € 202,= per maand in mindering gebracht, gelet op de in de bijstandsnorm begrepen woonlastencomponent.

De man heeft voorts gesteld dat hij een LAT-relatie heeft en dat zijn partner in [plaats 3] staat ingeschreven. Gelet op de toepassing van 50% van de woonlasten voor Zwitserland moet op basis van wederkerigheid een bijdrage van afgerond CHF 900,= / € 600,= worden toegepast voor de woonlasten van zijn partner in [plaats 3], aldus de man. Evenals het hof laat de rechtbank deze last buiten beschouwing, nu de man deze stelling op geen enkele wijze met stukken heeft onderbouwd.

ad. e. kosten voor levensonderhoud / bijstandsnorm

Nu de man weliswaar samenwonend is, maar zijn partner in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, geldt voor de man de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60. Evenals het hof neemt de rechtbank echter een afwijkende bijstandsnorm van € 1.065,= per maand in aanmerking, omdat aannemelijk is dat de kosten voor levensonderhoud in Zwitserland hoger zijn dan de kosten voor levensonderhoud in Nederland.

Gezien bovenstaande bedraagt de netto draagkracht van de man € 1.328,= per maand. Volgens de onweersproken stelling van de vrouw dient deze netto draagkracht te worden gebruteerd tegen 30%, zodat de bruto draagkracht van de man om een bijdrage ten behoeve van de vrouw te voldoen € 1.726,= per maand bedraagt.

Aanvulling betaling uit vermogen

De vrouw heeft gesteld dat het redelijk is dat de man een gedeelte van de partneralimentatie uit zijn vermogen voldoet. Dit gezien de hoogte van het vermogen van de man (€ 709.855,= netto op 31 december 2007) en omdat de kinderen van partijen voor rekening van de vrouw komen, nu zij woonachtig zijn bij haar en de man sinds 1 december 2008 geen bijdrage meer voldoet voor hen. Weliswaar zijn de kinderen meerderjarig, doch zij studeren nog en de vrouw wil de voortgang van hun studie stimuleren, te meer omdat de kinderen het in de voorliggende jaren al moeilijk hebben gehad.

De rechtbank overweegt als volgt.

Onder bepaalde omstandigheden kan het als redelijk worden aangemerkt dat de onderhoudsplichtige inteert op zijn vermogen om te kunnen voldoen aan zijn onderhoudsverplichting. Zoals uit onderhavige beschikking blijkt, gaat de rechtbank ervan uit dat de man over een aanzienlijk vermogen beschikt. De man heeft, zoals hiervoor al is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij gedurende langere periode van inkomsten uit arbeid dan wel uit een daaraan gerelateerde uitkering verstoken zal zijn. De rechtbank gaat er voorts van uit dat de man binnen afzienbare termijn weer inkomsten uit arbeid moet kunnen verwerven, gelijk aan het niveau van inkomsten dat hij bij zijn voormalige werkgever had. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk dat de man gedurende de periode waarin hij niet in staat is zijn gehele verdiencapaciteit te benutten ter overbrugging inteert op zijn vermogen teneinde de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw te kunnen blijven voldoen. Het interen op het vermogen wordt niet onoverkomelijk geacht, mede nu de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor de vrouw ook in Zwitserland fiscaal aftrekbaar is.

Slotsom

Gezien het voorstaande is de door de man gestelde wijziging van omstandigheden niet van dien aard dat de door hem te betalen onderhoudsbijdrage niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Het verzoek van de man tot nihilstelling dan wel wijziging van de te betalen bijdrage zal derhalve worden afgewezen.

Proceskosten

Beide partijen hebben verzocht de wederpartij te veroordelen in de kosten van de procedure. Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en omdat de verzoeken met betrekking tot de proceskostenveroordeling niet nader zijn onderbouwd, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing:

De rechtbank:

wijst af het verzoek van de man;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Kramer in tegenwoordigheid van mr. I. Diephuis-Timmer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2009.