Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL6129

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2009
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
330737 - FA RK 09-1191
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale Kinderontvoering

Rechtbank oordeelt dat er sprake is van ongeoorloofde achterhouding van de minderjarige in Nederland, geen sprake van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag. Op grond van artikel 12 van het Verdrag kan de rechtbank nu teruggeleiding naar België vorderen. Op 23 maart 2009 heeft de rechtbank te Brussel echter een voorlopige beslissing inzake de echtscheidingprocedure van de man en de vrouw genomen. Hierbij is besloten de minderjarige voorlopig toe te vertrouwen aan de vrouw. Op grond van deze beslissing zal de rechtbank de verzochte teruggeleiding van de minderjarige naar België afwijzen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 09-1191

Zaaknummer: 330737

Datum beschikking: 20 april 2009

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 9 februari 2009 bij de rechtbank Leeuwarden ingekomen verzoek van:

de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139), gevestigd te ’s-Gravenhage, verder te noemen de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:

[de heer A],

de vader,

ten tijde van indiening van het verzoekschrift wonende te [plaats 1], België, thans wonende te [plaats 2], België.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[mevrouw B],

de moeder,

wonende te [plaats 3],

advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers kantoorhoudend te Breda.

Procedure

Bij beschikking van 13 februari 2009 heeft de rechtbank Leeuwarden de onderhavige zaak verwezen naar deze rechtbank. Hiertoe heeft de rechtbank Leeuwarden het volgende overwogen:

“Het betreft een zaak van internationale ontvoering van een kind, die onder meer

gebaseerd is op het Haags Kinderontvoeringsverdrag van 25 oktober 1980.

Met inachtneming van vorenstaande en het door de Raad voor de rechtspraak

genomen besluit van 4 februari 2009, genaamd ‘Aanwijzingsbesluit ’s-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoeringen’, zal de rechtbank reeds vooruitlopen op de aanwijzing van de rechtbank ’s-Gravenhage als nevenzittingsplaats en de zaak, in de stand waarin deze zich thans bevindt, naar de rechtbank ’s-Gravenhage verwijzen.”

De moeder heeft bij brief d.d. 18 februari 2009 verzocht de behandeling van het verzoek van de Centrale Autoriteit aan te houden, nu op korte termijn een beslissing van de rechter in België, alwaar zij een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen inhoudende dat de minderjarige voor de duur van de procedure (de rechtbank begrijpt de door de moeder in België aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure) aan de moeder zal worden toevertrouwd, valt te verwachten.

De rechtbank heeft bij brief d.d. 20 februari 2009 negatief op het aanhoudingsverzoek van de moeder gereageerd.

De Centrale Autoriteit heeft bij brief d.d. 25 februari 2009 de originele exemplaren van de bijlagen van het verzoekschrift overgelegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 25 februari 2009, met de originele exemplaren van de bij het

verzoekschrift gaande bijlagen, van de Centrale Autoriteit;

- de brief d.d. 6 maart 2009, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- een faxbericht d.d. 11 maart 2009 van de zijde van de moeder;

- een faxbericht d.d. 9 april 2009 van de Centrale Autoriteit.

Op 12 maart 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van J.A. Krab en C.L. Wehrung, de vader, vergezeld van S. Makaedan, tolk in de Armeense taal, de moeder en haar advocaat. Voorts is verschenen mevrouw J.J. de Kok namens de raad voor de kinderbescherming. Beide partijen hebben pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- de brief d.d. 6 april 2009, met bijlagen, van de Centrale Autoriteit;

- het faxbericht d.d. 7 april 2009 van de zijde van de moeder.

Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat tussen partijen het volgende vast.

• De ouders zijn op [datum] 2004 te [plaats 1], België met elkaar gehuwd.

• Op [datum] 2007 is te [plaats 4], België, geboren de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]).

• De ouders hebben tot begin juli 2008 met [minderjarige 1] in België gewoond.

• De moeder is op of omstreeks 6 juli 2008 met instemming van de vader met [minderjarige 1] naar Nederland gegaan.

• De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] uit.

• De moeder heeft een onbekende en de Nederlandse nationaliteit.

• De vader heeft de Armeense nationaliteit.

• [minderjarige 1] heeft de Nederlandse nationaliteit.

Bij beschikking d.d. 23 maart 2009 van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft die rechtbank -ondermeer en voor zover hier van belang- de moeder gemachtigd om alleen te wonen in [plaats 3] (Nederland) en verklaard dat de ouderlijke macht en het beheer van de goederen met betrekking tot [minderjarige 1] door de ouders gezamenlijk zal worden uitgeoefend en dat [minderjarige 1] voornamelijk gehuisvest zal zijn bij de moeder en dat zij ingeschreven zal worden in het bevolkingsregister van de woonplaats van de moeder.

Verzoek en verweer

De vader heeft via de Centrale Autoriteit in België op 8 augustus 2008 bij de Nederlandse Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van [minderjarige 1].

De Nederlandse Centrale Autoriteit heeft op 9 februari 2009 het verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Leeuwarden. Zij heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet (Wet van 2 mei 1990, Stb. 202), de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te bevelen, althans de terugkeer van [minderjarige 1] vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, met dien verstande dat als de moeder weigert [minderjarige 1] binnen de bepaalde termijn terug te brengen naar België, zij [minderjarige 1] aan de vader dient af te geven zodat hij haar kan meenemen naar haar gewone verblijfplaats in België.

De moeder heeft ter terechtzitting mondeling verweer gevoerd en verzoekt de Centrale Autoriteit in haar verzoek tot teruggeleiding niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen, met veroordeling van de Centrale Autoriteit en de vader in de kosten van deze procedure.

Beoordeling

(Relatieve) bevoegdheid

Het verzoek van de Centrale Autoriteit is gebaseerd op het (Haagse) Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en België zijn partij bij het Verdrag.

Ingevolge artikel 11, lid 1 en sub a, van de Uitvoeringswet bij het Verdrag is de kinderrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied het kind zijn werkelijke verblijfplaats heeft, bevoegd tot de kennisneming van alle zaken met betrekking tot de toepassing van -onder meer- het Verdrag. Nu de minderjarige haar werkelijke verblijfplaats in het arrondissement Leeuwarden heeft, is de rechtbank Leeuwarden in deze bevoegd. De rechtbank Leeuwarden heeft echter aanleiding gezien de zaak naar de rechtbank te

‘s-Gravenhage te verwijzen. Naar analogie van artikel 270, lid 3, tweede volzin, van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering houdt de rechtbank te ’s-Gravenhage de zaak aan zich, mede gelet op het belang van de minderjarige dat ermee gediend is dat op het verzoek zo spoedig mogelijk zal worden beslist.

Inhoudelijke beoordeling

Het Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende Staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Het Verdrag heeft voorts tot doel het in de ene verdragsstaat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in de andere verdragsstaat te doen eerbiedigen. De eerbiediging van het gezags- en omgangsrecht dient bezien te worden in samenhang met de onmiddellijke terugkeer van het ontvoerde kind.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde achterhouding in de zin van het Verdrag, wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk wordt uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

De rechtbank dient, gelet op het voorgaande, allereerst te beoordelen of de minderjarige ten tijde van de door de Centrale Autoriteit gestelde overbrenging en achterhouding haar gewone verblijfplaats had in België, dan wel in Nederland.

Het begrip gewone verblijfplaats als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag is -anders dan het Nederlandse internrechtelijke begrip woonplaats of domicilie- een feitelijk begrip. Aan dit begrip dient inhoud te worden gegeven door de omstandigheden en feiten van het concrete geval. Hierbij spelen de intentie van de gezaghebbende ouder(s), de duur van het feitelijke verblijf in samenhang met de leeftijd van het kind en het bestaan van nauwe maatschappelijke banden een belangrijke rol.

Staat van gewone verblijfplaats

De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] tot het moment van haar achterhouding in Nederland in België is gelegen.

De moeder heeft gesteld dat zij zich in 1994 tezamen met haar familie in [plaats 3] (Nederland) heeft gevestigd en dat zij zich na haar huwelijk in [datum] 2004 met de vader in België heeft gevestigd alwaar in 2007 [minderjarige 1] is geboren.

Tussen partijen staat vast dat zij vanaf het moment van hun huwelijk tezamen, en nadien met [minderjarige 1], in België woonachtig zijn geweest.

De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat in het onderhavige geval, op het moment van indiening van het verzoekschrift, België dient te worden aangemerkt als de staat van de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] ten tijde van haar achterhouding in juli 2008. De omstandigheid dat de moeder voor haar vestiging in 2004 in België gedurende een periode van tien jaren woonachtig was in Nederland, maakt dit oordeel niet anders.

Gezag

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de overbrenging en de achterhouding al dan niet ongeoorloofd was. Daarbij is van belang of de vader ten tijde van de overbrenging en de achterhouding naar Belgisch recht (mede) het gezag over de minderjarige uitoefende.

Naar Belgisch recht zijn beide ouders gedurende het huwelijk belast met het gezag over hun minderjarige kinderen. In juli 2008, ten tijde van de achterhouding, waren beide ouders belast met het gezag over [minderjarige 1].

Ongeoorloofde overbrenging of achterhouding?

De moeder heeft gesteld dat de vader ondubbelzinnig heeft ingestemd met de overbrenging en achterhouding van [minderjarige 1] in Nederland. De vader heeft dit betwist.

Gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen acht de rechtbank het aannemelijk dat de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland met instemming van de vader is geschied. Tussen partijen staat immers vast dat de moeder -begin juli 2008-met [minderjarige 1] voor een vakantie van enkele weken naar Nederland zou vertrekken. Niet aannemelijk acht de rechtbank dat het niet doen terugkeren van [minderjarige 1] de instemming van de vader had. De vader heeft immers, nadat hem duidelijk was geworden dat de moeder niet voornemens was om met de minderjarige terug te keren, reeds op 8 augustus 2008 de Centrale Autoriteit ingeschakeld om teruggeleiding van de minderjarige te bewerkstelligen. Dat de vader -toen hem duidelijk was geworden dat het verblijf van [minderjarige 1] langer zou duren dan tussen partijen was besproken- spullen ten behoeve van [minderjarige 1] naar Nederland heeft gebracht, doet daar niet aan af. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de moeder [minderjarige 1] zonder toestemming van de vader en in strijd met het gezagsrecht van de vader heeft achtergehouden zodat de achterhouding als ongeoorloofd dient te worden beschouwd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt in geval van een ongeoorloofde overbrenging of achterhouding de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu tussen de achterhouding in juli 2008 en de indiening van het verzoek op 9 februari 2009 minder dan één jaar is verstreken, dient de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te worden bevolen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag. De moeder heeft een beroep gedaan op de weigeringsgronden van artikel 13 lid 1, sub a en b van het Verdrag.

Artikel 13 lid 1, sub a van het Verdrag

De moeder heeft gesteld dat de vader in de overbrenging en het niet doen terugkeren heeft toegestemd en/of berust. De Centrale Autoriteit en de vader hebben deze stelling betwist.

Zoals hiervoor reeds is overwogen kan uit het brengen van spullen ten behoeve van [minderjarige 1] naar Nederland niet worden afgeleid dat de vader heeft toegestemd of berust in het (voortgezette) verblijf van [minderjarige 1] in Nederland. Nu ook overigens niet aan de hand van onderbouwde stellingen is gebleken dat de vader heeft berust in het niet doen terugkeren van [minderjarige 1] gaat het beroep op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1, sub a van het Verdrag, niet op.

Artikel 13 lid 1, sub b van het Verdrag

De moeder heeft gesteld dat er een ernstig risico bestaat dat [minderjarige 1] bij haar terugkeer naar België wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar of dat [minderjarige 1] door haar terugkeer naar België op een andere wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht. De moeder heeft daartoe aangevoerd dat de vader jegens de moeder gewelddadig was en dat de vader zich niet bezighield met de daadwerkelijke uitoefening van zijn ouderlijk gezag. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de moeder een aantal e-mails in het geding gebracht.

De Centrale Autoriteit en de vader betwisten de stelling van de moeder alsook de authenticiteit van de e-mails.

De rechtbank houdt bij de beoordeling van deze door de moeder naar voren gebrachte omstandigheid, overeenkomstig het gestelde in artikel 13 lid 3 van het Verdrag, mede rekening met de gegevens omtrent de maatschappelijke omstandigheden van het kind, die zijn verstrekt en meegewogen door de rechtbank te Brussel bij het nemen van de beschikking van 23 maart 2009.

De rechtbank constateert vervolgens dat het bezwaar van de moeder tegen een terugkeer van [minderjarige 1] naar België zich vooral richt op de relatie tussen de moeder en de vader. Volgens de moeder was deze relatie gewelddadig. De moeder had naar het oordeel van de rechtbank in dat geval hulp moeten en kunnen zoeken bij de daarvoor bestemde instanties in België om, eventueel in afwachting van (in het kader van de echtscheiding) te treffen voorzieningen rond toevertrouwing en verblijfplaats van [minderjarige 1], een veilige woonplek in België te vinden. Gesteld noch gebleken is dat dit niet mogelijk zou zijn (geweest). Overwegingen met betrekking tot de jeugdige leeftijd van [minderjarige 1] en het feit dat de moeder vanaf de geboorte van [minderjarige 1] de hoofdverzorger is geweest, hebben geleid tot de beslissing dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] voorlopig bij de moeder is bepaald. Niet is gebleken dat de minderjarige bij terugkeer naar België zou worden blootgesteld aan enig geestelijk of lichamelijk gevaar en/of zij daardoor in een ondragelijke situatie zou komen te verkeren. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Belgische rechter in de huidige situatie omgang tussen de vader en [minderjarige 1] mogelijk acht.

De rechtbank is op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat geen sprake is van één van de weigeringsgronden als genoemd in artikel 13 lid 1 onder b van het Verdrag.

Artikel 27 van het Verdag

De moeder heeft voorts gesteld dat de Centrale Autoriteit ten onrechte het verzoek van de vader tot teruggeleiding van [minderjarige 1] in behandeling heeft genomen omdat aan de door het Verdrag gestelde voorwaarden niet was voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer geen doel treft, nu de juistheid van de beslissing in deze van de Centrale Autoriteit niet aan het oordeel van de rechtbank is onderworpen.

Conclusie

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van een grond als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag, terwijl minder dan één jaar is verstreken tussen de achterhouding van de minderjarige in Nederland en de indiening van het onderhavige verzoekschrift. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de minderjarige ongeoorloofd naar Nederland is overbracht, althans in Nederland ongeoorloofd wordt achtergehouden, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te worden gelast.

Echter, op 23 maart 2009 heeft de rechtbank te Brussel een (voorlopige) beslissing genomen met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van [minderjarige 1]. Deze beslissing betreft een voorlopige maatregel, vooruitlopend op een beslissing in de door de moeder in België aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure. De beslissing van 23 maart 2009 dient op grond van artikel 21 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken (Brussel IIbis), nu België en Nederland beiden lidstaat zijn, te worden erkend.

Bij voormelde beschikking van 23 maart 2009 is het geschil tussen partijen met betrekking tot de verblijfplaats van [minderjarige 1] -voorlopig- beslecht in die zin dat [minderjarige 1] voornamelijk gehuisvest zal zijn bij de moeder, in dit geval: in Nederland. Gelet op deze in België getroffen voorlopige maatregel -waarvan de beslissing -zoals bij deze rechtbank bekend is- volgens het Belgisch Gerechtelijk Wetboek uitvoerbaar bij voorraad is, zodat een eventueel hoger beroep geen schorsende werking heeft- zal de rechtbank de verzochte teruggeleiding van [minderjarige 1] naar België, afwijzen.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van [minderjarige 1], geboren op [datum] 2007 te [plaats 4], België, naar België.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Kramer, J.A. van Steen en M. van Loenhoud, tevens kinderrechters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2009.