Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL5975

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
26-02-2010
Zaaknummer
AWB 08/8007
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan verweerder komt ter zake van functietoewijzing, met inbegrip van de te hanteren functie-eisen, een discretionaire bevoegdheid toe, wat meebrengt dat de rechtbank een uit hoofde van die bevoegdheid genomen besluit slechts terughoudend kan toetsen. Dit laat echter onverlet, dat voor de rechtbank wel inzichtelijk en daarmee toetsbaar dient te zijn op welke gronden verweerder tot zijn beslissing komt. De rechtbank wijst in dat kader op haar uitspraak van 5 september 2006, AWB 05/7541 MAW, LJN: AZ0561. Daarnaast geldt het algemene beginsel dat een besluit op zorgvuldige wijze tot stand dient te komen.

De rechtbank is van oordeel dat niet voldoende inzichtelijk is op welke wijze verweerder tot zijn oordeel is gekomen dat eiser niet geschikt is voor de geambieerde functie. Relevante stukken, die het oordeel van verweerder onderbouwen, ontbreken.

Het voorgaande klemt temeer nu het besluit evenmin met inachtneming van alle daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid te stellen eisen tot stand is gekomen. Vorenstaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit een draagkrachtige motivering ontbeert en niet is genomen met inachtneming van alle daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid te stellen eisen, waardoor het behoort te worden vernietigd. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen. In dit verband merkt de rechtbank op dat dit niet inhoudt dat aan eiser alsnog de door hem geambieerde functie zal dienen te worden toegewezen. Hiermee zou verweerder treden in door een derde verkregen rechten. De rechtbank raadt verweerder aan om in overleg met eiser te bezien op welke andere wijze eiser genoegdoening kan worden geschonken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/8007 MAW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. [A],

en

de commandant der Landstrijdkrachten, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij brief van 4 november 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 september 2008, waarbij verweerder zijn besluit strekkende tot het niet aan eiser toewijzen van de functie van Coördinator Materieelbeheer bij 1 Logistieke Brigade (de geambieerde functie) heeft gehandhaafd.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het bovengenoemde beroep heeft plaatsgevonden op

21 september 2009. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr [B] en majoor [C].

II OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiser is bij de Koninklijke Landmacht werkzaam in de rang van adjudant-onderofficier.

1.2 Tot 1 september 2008 heeft eiser de functie van commandant Beheergroep bij 101 Communicatie en Informatiesystemen Bataljon (CISbat) vervuld. In deze functie is eiser over het tijdvak 1 juli 2005 tot 30 mei 2006 beoordeeld met een totaaloordeel “naar behoren”. Op het punt “toekomstverwachting” is geoordeeld dat eiser niet geschikt wordt geacht voor een functie in een officiersrang. Het hiertegen gerichte bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard. Eiser heeft hierin berust.

1.3 Eiser heeft op 18 oktober 2007 zijn belangstelling kenbaar gemaakt voor de geambieerde functie van Coördinator Materieelbeheer, in de rang van officier. Eiser is daarop als kandidaat voorgedragen. In januari 2008 heeft vervolgens een kennismakingsgesprek met de vacaturehoudende eenheid plaatsgevonden.

1.4 Bij besluit van 28 mei 2008 is eiser meegedeeld dat de geambieerde functie niet aan hem wordt toegewezen.

1.5 Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 juni 2008 bezwaar gemaakt.

1.6 Bij besluit van 24 september 2008 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2.1 Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat tijdens het kennismakingsgesprek is gebleken dat eiser niet voldeed aan de vereiste bekwaamheid en geschiktheid voor de geambieerde functie. Betwijfeld werd of eiser de functie qua zwaarte wel aan zou kunnen. Voorts was onvoldoende gebleken of eiser de teamplayer was die werd gezocht. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat bij het nemen van het afwijzingsbesluit de relevante beoordelingen zijn meegenomen. Voor uitloopofficieren geldt als eis dat deze beoordelingen overwegend zijn vastgesteld als zijnde uitstekend. De laatste beoordeling van eiser heeft ertoe geleid dat hij niet geschikt wordt geacht voor functies in de officiersrangen.

2.2.1 Eiser heeft allereerst aangevoerd dat de gevolgde procedure in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play-beginsel.

Eiser is oorspronkelijk uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek (matchingsgesprek) Eerst tijdens het gesprek is hem verteld dat er sprake was van een sollicitatiegesprek. Eiser had toen voor de keuze moeten worden gesteld: of doorgaan met het gesprek, of het gesprek afbreken zodat eiser zich goed kon voorbereiden. Eiser heeft deze keuze niet gekregen.

Voorts voert eiser aan dat een gespreksverslag van het gesprek ontbreekt. Verder ontbreekt het functieprofiel. Niet duidelijk is waaraan is getoetst.

Tot slot geeft eiser aan dat verweerder gebruik heeft gemaakt van informanten die niet schriftelijk hebben verklaard. Deze handelwijze acht eiser onzorgvuldig. Eiser verwijst daartoe naar de uitspraak van de rechtbank van 18 april 2001, 00/7843 MAWKMA.

2.2.2 Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel.

Volgens verweerder voldoet eiser niet aan de eis dat hij overwegend beoordeeld dient te zijn als “uitstekend”. Eiser voert aan dat verweerder geen nadere invulling van dit criterium heeft gegeven, zodat voor eiser niet duidelijk is wat hieronder verstaan moet worden. Verder meent eiser dat hij hieraan wel degelijk voldoet. Er is een aantal beoordelingen geweest op D-niveau (uitstekend), waarbij het totaaloordeel functievervulling “zeer geschikt” luidde. Eén enkele beoordeling op een lager niveau (C/CD) brengt niet met zich dat er geen sprake zou kunnen zijn van overwegend “uitstekend”. Overwegend wil immers zeggen “bijna of in bijna alle gevallen”. De laatst opgemaakte beoordeling had niet doorslaggevend mogen zijn, temeer nu volgens eiser sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie met de compagniescommandant.

3.1 In artikel 22 van het Algemeen Militair Ambtenarenreglemen (AMAR) is bepaald dat, om voor een functie in aanmerking te komen, de militair moet voldoen aan de gestelde eisen omtrent de opbouw van kennis en ervaring voor de vervulling van die functie.

3.2 In artikel 23 van het AMAR is bepaald dat bij het nemen van een beslissing tot functietoewijzing rekening wordt gehouden met de volgende factoren:

a. de noodzaak van een voortdurende taakvervulling door de krijgsmacht en in samenhang daarmee van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies;

b. de wenselijkheid van een spreiding van de totale loopbaan van de militair over functies en van een daarmee gepaard gaande opbouw van kennis en ervaring;

c. de bekwaamheid en geschiktheid van de militair voor de functie;

d. de door de militair kenbaar gemaakte voorkeur.

3.3 Het functietoewijzingsproces is nader uitgewerkt in de Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering defensie (hierna: BAFB).

3.4 Ingevolge artikel 14, derde lid, van de BAFB worden bij de bekwaamheid en de geschiktheid van de defensie-ambtenaar in beginsel in beschouwing genomen:

a. de mate waarin de defensie-ambtenaar voldoet aan de functie-eisen;

b. de afspraken en aandachtspunten van het externe deel van het functioneringsgesprekformulier;

c. de uitkomst van loopbaangesprekken;

d. de voor het besluit tot functietoewijzing relevante beoordelingen en ambtsberichten.

3.5 Verweerder voert het beleid dat adjudanten-onderofficieren in aanmerking kunnen komen voor het vervullen van een arbeidsplaats waaraan als uitloopmogelijkheid de rang van luitenant is verbonden. Het betreft een beperkt aantal arbeidsplaatsen. Aan deze functies worden specifieke eisen gesteld met name op het gebied van een langdurige ervaring. De aard van de werkzaamheden maakt dat de arbeidsplaats is gericht op onderofficieren maar de zwaarte van de arbeidsplaats is op officiersniveau gewaardeerd.

4.1 Aan verweerder komt ter zake van functietoewijzing, met inbegrip van de te hanteren functie-eisen, een discretionaire bevoegdheid toe, wat meebrengt dat de rechtbank een uit hoofde van die bevoegdheid genomen besluit slechts terughoudend kan toetsen. Dit laat echter onverlet, dat voor de rechtbank wel inzichtelijk en daarmee toetsbaar dient te zijn op welke gronden verweerder tot zijn beslissing komt. De rechtbank wijst in dat kader op haar uitspraak van 5 september 2006, AWB 05/7541 MAW, LJN: AZ0561. Daarnaast geldt het algemene beginsel dat een besluit op zorgvuldige wijze tot stand dient te komen.

4.2 De rechtbank is van oordeel dat niet voldoende inzichtelijk is op welke wijze verweerder tot zijn oordeel is gekomen dat eiser niet geschikt is voor de geambieerde functie. Relevante stukken, die het oordeel van verweerder onderbouwen, ontbreken.

4.2.1 Zo ontbreekt een schriftelijke toelichting van de monitor, majoor [C], waaruit kan worden afgeleid op welke wijze de verschillende ten aanzien van eiser opgemaakte beoordelingen hebben meegewogen bij het oordeel dat eiser niet geschikt is voor een officiersfunctie. Ook is niet inzichtelijk op welke wijze de toelichtingen van ritmeester [D] en luitenant-kolonel [E], de commandanten die de laatste beoordeling van eiser hebben opgesteld, hebben meegewogen bij dit oordeel. Hiervan is immers geen schriftelijke weergave voorhanden. Voorts is niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de ervaring van eiser, hetgeen blijkens het door verweerder gehanteerde loopbaanbeleid een specifieke eis is om voor een uitloopfunctie in aanmerking te komen, heeft meegewogen bij het oordeel dat eiser niet geschikt is voor een uitloopfunctie in de rang van eerste luitenant.

Daarnaast is van het gesprek, dat eiser met vertegenwoordigers van de vacaturehoudende eenheid heeft gevoerd, geen verslag voorhanden. Niet inzichtelijk is hoe deze vertegenwoordigers tot hun negatieve advies voor de geambieerde functie zijn gekomen.

4.2.2 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder thans op grond van de voorhanden zijnde stukken onvoldoende heeft aangetoond dat eiser niet geschikt is voor de geambieerde uitloopfunctie.

4.3 Het voorgaande klemt temeer nu het besluit evenmin met inachtneming van alle daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid te stellen eisen tot stand is gekomen.

4.3.1 Tot deze zorgvuldigheidseisen moet allereerst worden gerekend het schriftelijk verslag leggen van gevoerde gesprekken en het schriftelijk laten vastleggen van door informanten verstrekte informatie. Aan deze eis dient een nog zwaarder gewicht te worden toegekend in het geval van negatieve oordelen. Eiser heeft in dat kader terecht verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 18 april 2001, 00/7843 MAWKMA. Verweerder heeft aan deze zorgvuldigheidseis niet voldaan. Van het gesprek van eiser met de vertegenwoordigers van de vacaturehoudende eenheid ontbreekt een verslag. Daarnaast is verzuimd ritmeester [D] en luitenant-kolonel [E] te verzoeken hun informeel aan majoor [C] gegeven toelichting schriftelijk weer te geven.

4.3.2 Daarnaast moet tot deze zorgvuldigheidseisen worden gerekend dat een sollicitatie op gepaste wijze in beschouwing wordt genomen. De rechtbank acht het niet gepast dat eerst tijdens het gesprek met de vertegenwoordigers van de vacaturehoudende eenheid aan eiser is verteld, dat de aard van het gesprek een andere zou zijn dan vooraf aan eiser was meegedeeld. Hierdoor is eiser in een nadelige positie gebracht. Hij had immers niet meer de mogelijkheid zich goed voor te bereiden op het gesprek waarvan voor hem toch veel afhing.

4.3.3 Tot slot moet tot de hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen worden gerekend het zorgvuldig vergaren van relevante kennis. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verweerder gelegen om zich terdege op de hoogte te stellen van de meest recente beoordeling van eiser, alvorens hem voor te dragen voor een uitloopfunctie. Vooral nu deze beoordeling afweek van de eerder ten aanzien van eiser opgemaakte beoordelingen en een onderofficier aan specifieke eisen moet voldoen om voor een uitloopfunctie in aanmerking te komen. In tegenstelling tot hetgeen verweerder ter zitting heeft gesteld, is niet eerst tijdens de bezwaarprocedure het oordeel over de geschiktheid van eiser voor een officiersfunctie naar voren gekomen, maar was reeds in de eerste beoordeling gesteld en toegelicht dat eiser niet de geschiktheid bezit voor een officiersfunctie. De tweede beoordelaar heeft dit oordeel in bezwaar vervolgens in stand gelaten.

5. Vorenstaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit een draagkrachtige motivering ontbeert en niet is genomen met inachtneming van alle daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid te stellen eisen, waardoor het behoort te worden vernietigd. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen. In dit verband merkt de rechtbank op dat dit niet inhoudt dat aan eiser alsnog de door hem geambieerde functie zal dienen te worden toegewezen. Hiermee zou verweerder treden in door een derde verkregen rechten. De rechtbank raadt verweerder aan om in overleg met eiser te bezien op welke andere wijze eiser genoegdoening kan worden geschonken.

6. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Deze kosten betreffen allereerst de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, welke zijn vastgesteld op € 644,- ; te weten € 322,- voor het beroepschrift en € 322,- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht. Daarnaast betreffen deze kosten de door eiser gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Deze kosten bedragen € 28,-- voor een treinretourkaart vol tarief tweede klasse [woonplaats] – Den Haag CS.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 145,--, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 672,--, welke kosten verweerder aan eiser dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. A.H. Bergman, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P.J. Heesen.

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.