Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL4875

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-07-2009
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
340916 - FA RK 09-5104
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. De rechtbank gelast de terugkeer van de minderjarige naar Polen.

Door vasthouding van de minderjarige in Nederland heeft de moeder in strijd met het gezagsrecht van de vader gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van de in artikel 13 HKOV genoemde weigeringsgronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat de moeder niet heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige door haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Voorts komt de rechtbank tot het oordeel dat de minderjarige (8 jaar) niet die leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Rekestnummer : FA RK 09-5104

Zaaknummer : 340916

Datum beschikking : 24 juli 2009

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 11 juni 2009 ingekomen verzoek van:

de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Staatsblad 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Tractatenblad 1987, 139),

gevestigd te 's-Gravenhage,

verder te noemen: de Centrale Autoriteit,

optredend voor zichzelf en namens:

[de man],

hierna te noemen: de vader,

wonende te [plaats A], Polen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [plaats B],

advocaat: mr. J.Th. Mulder te Rotterdam.

Procedure

Van de zijde van de vader is op 28 november 2008 bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de minderjarige [A] naar Polen. Op 11 juni 2009 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank Dordrecht ingediend.

De rechtbank Dordrecht heeft zich bevoegd geacht van het verzoek kennis te nemen.

Bij beschikking d.d. 19 juni 2009 heeft zij echter bepaald dat de behandeling van dit verzoek op grond van artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoeringen, plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het faxbericht met bijlagen ingekomen op 30 juni 2009 van de zijde van de moeder

- het verweerschrift;

- het faxbericht met bijlagen d.d. 15 juli 2009 van de zijde van de moeder.

De minderjarige [A] heeft zich op 16 juli 2009 in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 16 juli 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. J.A. Krab;

- de vader, bijgestaan door een tolk in de Poolse taal;

- de moeder, bijgestaan door een tolk in de Poolse taal;

- de advocaat van de moeder;

- de Raad voor de Kinderbescherming in de persoon van mevrouw J.J. de Kok.

Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat tussen partijen het volgende vast.

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben vanaf 2000 tot circa 2004 samengewoond in Polen.

Uit de moeder is geboren de minderjarige:

- [A], geboren op [geboortedatum] te [plaats A] (Polen).

De vader heeft de minderjarige op 9 juli 2001 ten overstaan van de Dienst van de Burgerlijke Stand te [plaats A] (Polen) erkend.

Op grond van artikel 93 § 1 van het Pools Burgerlijk Wetboek oefenen beide ouders het ouderlijk gezag over de minderjarige uit.

Na de beëindiging van de relatie heeft de moeder zich definitief in Nederland gevestigd. Blijkens overgelegd uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [plaats B] staat de moeder sinds 24 februari 2005 ingeschreven in [plaats B].

[A] bleef bij de vader in Polen wonen.

Het Centrum voor Diagnose en Raadpleging voor gezinnen te Pila (Polen) heeft op verzoek van de hieronder vermelde rechtbank onderzoek gedaan en op 10 mei 2007 advies uitgebracht.

Bij beschikking d.d. 20 november 2007 heeft de Familiesectie van de Rayonrechtbank te [plaats A] (Polen) - voor zover van belang - bepaald dat:

- er geen gronden zijn om de ouderlijke macht van de moeder te beperken;

- de verblijfplaats van de minderjarige bij de vader zal zijn.

Bij beschikking d.d. 4 december 2008 heeft de Familiesectie van de Rayonrechtbank te [plaats A] (Polen) het verzoek van de moeder ter zake de verblijfplaats van de minderjarige afgewezen.

De moeder is op [datum] met haar huidige partner getrouwd. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] een dochter ([B]) geboren.

De moeder heeft [A] - met toestemming van de vader - op 21 juni 2008 voor een vakantie meegenomen naar Nederland.

Eind juli 2008 heeft de moeder telefonisch aan de vader meegedeeld dat [A] niet zal terugkeren naar Polen en dat [A] voortaan bij haar in Nederland zal wonen. Blijkens overgelegd uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [plaats B] staat [A] sinds 7 juli 2008 ingeschreven in [plaats B].

De moeder heeft op 17 maart 2009 een nieuw verzoek tot wijziging van de verblijfplaats van [A] bij de Poolse rechtbank ingediend. De moeder is opgeroepen om op 21 juli 2009 voor de Poolse rechtbank te verschijnen.

De vader, de moeder en de minderjarige hebben de Poolse nationaliteit.

Verzoek en verweer

De Centrale Autoriteit heeft verzocht de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Polen te bevelen, althans te bevelen dat de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum zal geschieden, met dien verstande dat - indien de moeder weigert de minderjarige binnen de bepaalde termijn naar Polen terug te brengen -de moeder de minderjarige aan de vader dient af te geven zodat hij haar kan meenemen naar haar gewone verblijfplaats in Polen.

Hiertoe is door de Centrale Autoriteit - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

* Nu de minderjarige in Polen is geboren en tot aan de ongeoorloofde vasthouding in Nederland immer in Polen heeft gewoond, dient Polen als staat van het gewone verblijf van de minderjarige te worden aangemerkt. Bovendien heeft de Poolse rechter bepaald dat de verblijfplaats van de minderjarige bij haar vader zal zijn.

* De ouders oefenen naar Pools recht gezamenlijk het gezag over de minderjarige uit.

* De moeder houdt de minderjarige zonder toestemming van de vader vast in Nederland waarmee zij handelt in strijd met het gezagsrecht.

Gelet op het voorgaande meent de Centrale Autoriteit dat er sprake is van ongeoorloofde vasthouding als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag), zodat ingevolge artikel 12 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Polen dient te volgen. De Centrale Autoriteit is van mening dat zich in de onderhavige zaak geen van de in het Verdrag voorziene uitzonderingen voordoet op grond waarvan teruggeleiding van de minderjarige naar Polen achterwege zou moeten blijven.

De moeder heeft verweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de Centrale Autoriteit af te wijzen nu sprake is van de uitzonderingen zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

De moeder heeft hiertoe aangevoerd dat er een ernstig risico bestaat dat [A] door de terugkeer naar Polen zal worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel dat zij op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand zal worden gebracht.

Voorts is de moeder van mening dat rekening moet worden gehouden met het gegeven dat [A] zich heftig tegen haar terugkeer naar Polen verzet vanwege de gebeurtenissen die zij in Polen heeft meegemaakt, waaronder seksuele intimidatie door andere kinderen.

Beoordeling

Bevoegdheid

Het verzoek van de Centrale Autoriteit is gebaseerd op het Verdrag. Nederland en Polen zijn beiden partij bij het Verdrag.

Ingevolge artikel 11 lid 1a van de Uitvoeringswet bij het Verdrag is de kinderrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied het kind zijn werkelijke verblijfplaats heeft, bevoegd tot kennisneming van alle zaken met betrekking tot de toepassing van - onder meer - het Verdrag.

Nu de minderjarige haar werkelijke verblijfplaats in het arrondissement Dordrecht heeft, is de rechtbank Dordrecht bevoegd om van het verzoek van de Centrale Autoriteit kennis te nemen. De behandeling van de zaak vindt plaats in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.

Inhoudelijke beoordeling

Het Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Ongeoorloofd niet doen terugkeren in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Gelet op het voorgaande dient de rechtbank allereerst te beoordelen of de minderjarige ten tijde van de door de Centrale Autoriteit gestelde overbrenging en vasthouding haar gewone verblijfplaats in Polen had.

Nu de minderjarige vanaf haar geboorte tot aan haar vertrek naar Nederland in juni 2008 in Polen woonachtig was en door de Poolse rechtbank is bepaald dat de verblijfplaats van de minderjarige bij de vader (die in Polen woont) zal zijn, staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige onmiddellijk vóór haar overbrenging of vasthouding in Polen was.

Niet in geschil is dat de vader het gezagsrecht ten tijde van de vasthouding daadwerkelijk tezamen met de moeder uitoefende, dan wel zou hebben uitgeoefend, indien de vasthouding niet zou hebben plaatsgevonden.

Nu de moeder de minderjarige zonder toestemming van de vader in Nederland heeft vastgehouden, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vasthouding van de minderjarige in Nederland in strijd met het gezagsrecht van de vader is geschied.

Derhalve dient de vasthouding van de minderjarige in Nederland aangemerkt te worden als ongeoorloofd als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van de minderjarige in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient ingevolge artikel 12 van het Verdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de uitzonderingen zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Beoordeeld moet worden of de moeder heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige door haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad brengen doel en strekking van het Verdrag mee dat voormelde weigeringsgrond restrictief moet worden toegepast en dat de rechter van de aangezochte staat de in de bepaling van artikel 13 lid 1 sub b gestelde strenge voorwaarden niet reeds vervuld mag achten louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter.

De moeder heeft naar voren gebracht dat [A] in Polen slachtoffer is geworden van ongewenste seksuele spelletjes die haar werden opgedrongen door andere kinderen. Volgens de moeder heeft dit kunnen gebeuren doordat de vader [A] vanwege zijn werk vaak achterliet bij verschillende familieleden die onvoldoende aandacht en zorg aan [A] besteedden. De moeder heeft erop gewezen dat [A] niet meer aan deze gebeurtenissen herinnerd wil worden en dat zij nooit meer de angst wil voelen nog eens het risico te lopen om slachtoffer te worden van ongewenste seksuele spelletjes. Mede gelet op de omstandigheid dat de vader de ervaringen van [A] afdoet als leugens en verzinsels, is de moeder dan ook van mening dat hetgeen in Polen is voorgevallen een zeer terechte indicatie vormt voor een beroep op artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

De moeder heeft voorts gesteld dat [A] suïcidale neigingen heeft. Volgens haar heeft [A] gedreigd uit het raam te springen wanneer zij zou worden gedwongen naar haar vader terug te keren.

Door de Centrale Autoriteit is in reactie op het betoog van de moeder naar voren gebracht dat de vader zich wel degelijk zorgen maakt over de gestelde seksspelletjes en dat hij openstaat voor een onafhankelijk onderzoek naar deze situatie. Voorts heeft de Centrale Autoriteit erop gewezen dat de moeder heeft nagelaten haar stelling omtrent de suïcidale neigingen van [A] nader te onderbouwen.

De vader heeft in aanvulling hierop verklaard dat uit het onderzoeksrapport van het Centrum voor Diagnose en Raadpleging voor gezinnen blijkt dat hij een goede vader is. Daarnaast is hij niet bekend met indicaties dat er een ernstig risico bestaat dat [A] door haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar.

Mevrouw De Kok heeft namens de Raad voor de Kinderbescherming naar voren gebracht dat een uitputtend onderzoek naar de gestelde seksspelletjes secundaire traumatisering tot gevolg kan hebben hetgeen schadelijk voor [A] kan zijn. Nu er geen sprake lijkt te zijn van primaire traumatisering - immers, [A] is een vrolijk en evenwichtig kind - is dit niet aan te raden. Verder heeft zij verklaard dat als een dergelijk onderzoek wel zou moeten gebeuren, dit in Polen zou kunnen. In dit verband heeft zij tevens aangegeven dat het waarschijnlijk is dat het weghalen van [A] uit haar vertrouwde omgeving in Polen vorig jaar schadelijker is geweest voor haar ontwikkeling dan haar weer naar die omgeving terug te laten gaan. Met betrekking tot de gestelde suïcidaliteit heeft zij erop gewezen dat uit de door de Centrale Autoriteit overgelegde brief van i-psy (bij welke instelling [A] in behandeling is geweest) d.d. 21 januari 2009 kan worden afgeleid dat er bij [A] geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld in enge zin.

De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de minderjarige thans nog lijdt onder de gevolgen van de seksuele spelletjes die in Polen hebben plaatsgevonden. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt immers dat [A] een vrolijk en intelligent meisje is dat zich op goede wijze ontwikkelt. Mede gelet op hetgeen door mevrouw De Kok namens de Raad voor de Kinderbescherming naar voren is gebracht, ziet de rechtbank derhalve geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten.

Hoewel de rechtbank de stellingen van de moeder omtrent de gebeurtenissen die in Polen hebben plaatsgevonden serieus neemt, is zij van oordeel dat de moeder niet heeft aangetoond dat [A] thans in Polen daadwerkelijk het risico loopt te worden blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar. De rechtbank betrekt hierbij het gegeven dat de vader de minderjarige tot aan haar vasthouding in Nederland heeft verzorgd en opgevoed, terwijl niet is gebleken dat hierin een risico is gelegen als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. Bovendien heeft de vader naar aanleiding van de stellingen van de moeder omtrent de seksuele spelletjes ook zijn zorgen uitgesproken, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hij bereid is om extra oplettendheid te betrachten en zo nodig bescherming te bieden op dit punt. Tot slot gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de moeder dat [A] suïcidale neigingen zou hebben, nu zij deze stelling in het licht van de betwisting door de vader en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende heeft onderbouwd.

De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

De rechtbank zal thans ingaan op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Verdrag. Ingevolge dit artikel kan de rechtbank weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn of haar mening rekening wordt gehouden.

De rechtbank heeft [A] (acht jaar) op 16 juli 2009 in raadkamer gehoord. Tijdens dit verhoor is naar voren gekomen dat [A] bij haar moeder in Nederland wil blijven en dat zij niet terug wil naar haar vader in Polen.

De rechtbank zal thans beoordelen of [A] een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden.

De rechtbank stelt voorop dat het gerechtvaardigd is om met de mening van kinderen rekening te houden indien zij oud en rijp genoeg zijn om de gevolgen van hun wensen op korte en lange termijn te overzien. In zijn algemeenheid acht de rechtbank kinderen van acht jaar hiertoe niet oud en rijp genoeg. Bijzondere omstandigheden kunnen evenwel tot het oordeel leiden dat een kind van deze leeftijd wel die mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn of haar mening rekening wordt gehouden.

Nu in onderhavige zaak niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden - waarbij de rechtbank haar indrukken betrekt die zij tijdens het verhoor van [A] heeft gekregen - komt de rechtbank tot het oordeel dat [A] niet die leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden. Gelet hierop gaat de rechtbank voorbij aan het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

De rechtbank overweegt in dit verband nog dat zij ervan uitgaat dat de Poolse rechtbank bij haar beoordeling van het verzoek van de moeder tot wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige de belangen van de minderjarige zal meewegen en haar in dit verband in die procedure zal horen. Daarnaast heeft de vader ter terechtzitting kenbaar gemaakt, zo begrijpt de rechtbank, rekening te willen houden met de mening van de minderjarige als deze bestendig blijkt.

Conclusie

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag, terwijl er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van de minderjarige in Nederland en de indiening van het onderhavige verzoekschrift. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de vasthouding van de minderjarige in Nederland ongeoorloofd is geschied, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te worden gelast.

Datum van terugkeer

Tot slot dient de rechtbank een beslissing te nemen omtrent de datum van terugkeer van de minderjarige naar Polen. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat de terugkeer naar Polen eerst op 21 augustus 2009 zal plaatsvinden, zodat de minderjarige op haar terugkeer kan worden voorbereid en een eventuele uitspraak in hoger beroep kan worden afgewacht.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

[A], geboren op [geboortedatum] te [plaats A] (Polen),

naar Polen op 21 augustus 2009, althans de afgifte van de minderjarige aan de vader op 21 augustus 2009;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. de Lange-Tegelaar, M. Dam en M. van Loenhoud, kinderrechters, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2009.