Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL4483

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
AWB 09/973
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het haar als gevolg van bijzondere omstandigheden en buiten haar schuld ondoenlijk was om (eerst) de parkeermeter te gaan bijvullen.

Eiseres, jeugdwerkster, heeft haar auto ter plekke geparkeerd met het doel een viertal kleuters, die in het gebouw van het Leger des Heils verbleven, op te halen en naar huis te brengen. Zij heeft daartoe een parkeerkaartje gekocht voor 30 minuten, hetwelk geldig was tot 15:52 uur. Nadat zij tijdig met de kleuters bij de auto was teruggekeerd en hen in de gordels had vastgezet en wilde wegrijden, gaf plotseling een van hen aan te moeten plassen. Eiseres was daardoor gedwongen terug te keren naar het betrokken gebouw om de kleuter daar naar het toilet te brengen. Bij hernieuwde terugkeer bij de auto trof eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan, uitgeschreven acht minuten nadat haar parkeerkaartje was verlopen.

Het beroep is derhalve gegrond te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/484 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0500
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09/973 PARKBL

Uitspraakdatum: 1 december 2009

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [P], verweerder.

IPROCESVERLOOP

1.1 Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 52.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 januari 2009 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3 Eiseres heeft daartegen bij brief van 31 januari 2009, welke brief wordt geacht te zijn ontvangen bij de rechtbank op 2 februari 2009, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2009 te 's-Gravenhage.

Eiseres is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [A] en [B].

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.6 Op 12 januari 2009 omstreeks 16.00 uur stond de auto van eiser met het kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Herengracht te Leiden. Deze locatie is door burgemeester en wethouder aangewezen als plaats waar mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting. Op deze plaats mag met een geldige parkeervergunning of met een geldig parkeerkaartje worden geparkeerd.

1.7 Eiseres, jeugdwerkster (vrijwilligster) bij het Leger des Heils, heeft haar auto op de bewuste dag op de Herengracht geparkeerd met het doel een viertal kleuters, die in het gebouw van het Leger des Heils aan de Groenesteeg verbleven, op te halen en naar huis te brengen. Zij heeft daartoe een parkeerkaartje gekocht voor 30 minuten, hetwelk geldig was tot 15:52 uur. Nadat zij tijdig met de kleuters bij de auto was teruggekeerd en hen in de gordels had vastgezet en wilde wegrijden, gaf plotseling een van hen aan te moeten plassen. Eiseres was daardoor gedwongen terug te keren naar het gebouw van het Leger des Heils om de kleuter daar naar het toilet te brengen. Bij hernieuwde terugkeer bij de auto trof eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan, uitgeschreven acht minuten nadat haar parkeerkaartje was verlopen De naheffingsaanslag is opgebouwd uit € 2 aan parkeerbelasting en € 50 aan kosten.

Geschil en standpunten van partijen

1.8 In geschil is of de bij de uitspraak op bezwaar gehandhaafde naheffingsaanslag terecht aan eiseres is opgelegd.

1.9 Eiseres stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat verweerder zich volwassen dient te gedragen en behoort te beseffen dat zij onder de geschetste omstandigheden - een kind met hoge nood - geen andere keus had dan linea recta naar het gebouw van het Leger des Heil terug te keren. Eiseres meent dat, ook al omdat zij zeer voortvarend te werk is gegaan en ondanks het oponthoud slechts luttele minuten na het verstrijken van de geldigheidsduur van het gekochte parkeerkaartje met de groep kinderen weer bij de auto terug was, voor het handhaven van de nahefffingsaanslag geen rechtvaardiging bestaat.

1.10 Verweerder is blijkens diens uitspraak op bezwaar van opvatting dat de naheffingsaanslag dient te worden gehandhaafd omdat de deze geruime tijd (dat wil zeggen: acht minuten) na het aflopen van de toegestane parkeertijd is opgelegd en omdat op dat moment geen kinderen in de auto werden aangetroffen. In het verweerschrift heeft verweerder opgemerkt er van uit te gaan dat eiseres de parkeercontroleurs niet heeft gezien, wat volgens hem wil zeggen dat, aangezien surveillance van de straat circa 15 tot 20 minuten in beslag neemt, eiseres langer dan na 8 minuten na afloop van de geldigheid van het betaalbewijs bij haar voertuig is teruggekomen. Ter zitting heeft verweerder opgemerkt dat het gebouw van het Leger des Heils trouwens slechts één minuut lopen van de parkeerplaats is en niet, zoals eiseres suggereert, vijf minuten.

1.11 Eiseres concludeert tot gegrond verklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de belastingaanslag.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

IIOVERWEGINGEN

2.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van eiseres ten tijde van het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag stond geparkeerd op een in het aanwijzingsbesluit aangewezen plaats en tijdstip, zonder dat daarvoor parkeerbelasting was voldaan, zodat, gelet op het bepaalde in de hier van toepassing zijnde Verordening parkeerbelastingen 2009 van de gemeente Leiden, de bevoegdheid bestond parkeerbelasting na te heffen. De vraag die partijen verdeeld houdt is of eiseres een beroep op overmacht toekomt.

2.2 Eiseres heeft gesteld en ter zitting aannemelijk gemaakt dat zij op de betreffende dag om 15.45 uur, derhalve ruim binnen de tijd van het door haar aangeschafte parkeerkaartje, met de opgehaalde kinderen bij haar auto terug was en op het punt stond om weg te rijden, toen één van haar jeugdige passagiers plotseling aangaf dat ze naar het toilet moest. Zij heeft aan het verzoek van het kind gehoor gegeven en is teruggegaan naar het gebouw waar zij de kinderen had opgehaald.

De rechtbank wil met verweerder aannemen dat de korte afstand tussen de parkeerplaats en het gebouw van het Leger des Heils aan de Groenesteeg onder normale omstandigheden in één of enkele minuten valt te overbruggen, maar acht de stelling van eiseres een realistische dat daar meer tijd mee gemoeid is wanneer men, zoals in haar geval, tegelijk vier jonge kinderen van anderen in het gareel moet houden. Voor zover verweerder zich in zijn betoog gebaseerd heeft op de veronderstelling dat eiseres tijd had kunnen besparen door de drie overige kleuters in de auto achter te laten, moet die redeneerwijze - die aansluit bij de merkwaardige constatering van de parkeercontroleur dat geen kinderen in het (aan de waterkant) geparkeerde voertuig werden aangetroffen - om haar wereldvreemdheid terzijde worden gelegd.

De rechtbank merkt op dat, indien al zou moeten worden aangenomen dat meerbedoelde afstand in het onderhavige geval toch in minder dan 2 x 5 minuten te voet had kunnen worden afgelegd, zulks de geloofwaardigheid van het relaas van eiseres evenmin aantast, in aanmerking genomen dat zij onweersproken heeft aangevoerd dat ook enige tijd is heengegaan met de volgende handelingen: de kleuters weer uit de riemen halen, de auto afsluiten, de deur van het gebouw aan de Groenesteeg van het slot te halen, het alarm af te zetten, en dezelfde handelingen in omgekeerde richting nogmaals.

Verweerder ziet blijkens het verhandelde ter zitting bovendien reden om het verhaal van eiseres in twijfel te trekken, omdat niet is gebleken dat zij de parkeercontroleur(s) nog heeft gezien, reden waarom zij in verweerders visie pas (enige tijd) na 16.00 uur bij de auto kan zijn teruggekeerd. Eiseres heeft evenwel ter zitting benadrukt dat zij de parkeercontroleurs wel degelijk nog in de verte heeft waargenomen. De rechtbank ziet geen reden die juistheid van die mededeling van eiseres in twijfel te trekken. De stelling van verweerder op dit punt behoeft alleen al om die reden geen verdere bespreking meer. De door eiseres geschetste gang van zaken komt ook voor het overige alleszins aannemelijk voor. Geconcludeerd moet worden dat verweerder al te lichtvaardig en met een onverklaarbare vasthoudendheid de geloofwaardigheid van het door eiseres gestelde in twijfel heeft getrokken.

2.3 De rechtbank onderschrijft het standpunt van eiseres dat sprake was van een overmachtsituatie. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het haar als gevolg van de geschetste bijzondere omstandigheden en buiten haar schuld ondoenlijk was om (eerst) de parkeermeter te gaan bijvullen. Na het intreden van de "noodtoestand" heeft zij getracht alles in goede banen te leiden en zo snel mogelijk met de kleuters die aan haar zorg waren toevertrouwd, weer bij de auto terug te zijn, waardoor de overschrijding van de toegestane parkeertijd onder die omstandigheden een minimale was. Het beroep is derhalve gegrond te achten, de uitspraak op bezwaar is vatbaar voor vernietiging en de naheffingsaanslag dient tot het tarief van het parkeergeld te worden verlaagd.

2.4 Het zojuist overwogene brengt met zich dat de rechtbank niet behoeft te treden in de vraag of de handelwijze van verweerder in deze zaak niet zozeer afwijkt van wat onder de geschetste omstandigheden van een adequaat optredend bestuursorgaan in redelijkheid mag worden verwacht, dat van een schending van het fair-play beginsel sprake is.

Proceskosten

2.5 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiseres kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

IIIBESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verlaagt het bedrag van de naheffingsaanslag tot het gedeelte betrekking hebbend op het parkeergeld, te weten € 2;

- bepaalt dat haar uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit treedt;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Ollermann, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.M. van Duijvendijk.

Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.