Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL4407

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
328317 / FA RK 09-82
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Appelant heeft beroep ingesteld tegen een besluit op bezwaar omdat hij van mening is dat het nieuwe (hogere) toegekende persoonsgebonden budget nog steeds niet toereikend is. De rechtbank oordeelt dat het oorspronkelijke bezwaarschrift te laat is ingediend en dat er geen sprake geweest is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Verweerder heeft appellant ten onrechte in zijn bezwaar ontvangen en daarom zal de rechtbank het besluit op bezwaar vernietigen en op grond van 8:72 lid 4 Awb zelf in de zaak voorzien door appellant niet-ontvankelijk in zijn bezwaarschrift te verklaren. Appellant zou echter door vernietiging van het besluit in een slechtere positie komen te verkeren, daarom zal de rechter op grond van 8:69 lid 1 de rechtsgevolgen van het besluit in stand laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Beroep tegen een besluit op bezwaar inzake indicatiestelling

Rekestnummer: 09-82

Zaaknummer: 328317

Datum uitspraak: 21 april 2009

Uitspraak in het geding tussen:

De heer [A] te [plaats A],

hierna te noemen: appellant,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

gemachtigden: mr. A.C.S. van Aalten, drs. M. van Dijke en mr. drs. S.W.S. van Rooijen,

hierna te noemen: verweerder.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

mevrouw [B], echtgenote van de heer [A] voornoemd.

Procesverloop

- Op 23 juli 2008 heeft verweerder een indicatiebesluit genomen, inhoudende een zorgaanspraak met betrekking tot het minderjarige kind van appellant en zijn echtgenote voornoemd: [C], geboren op [datum] 1994 te [plaats A]. De zorgaanspraak behelst een zogeheten “GGZ Verblijf (ZZP 3, C-groep)”.

- Zorgkantoor Haaglanden heeft naar aanleiding van genoemd indicatiebesluit bij beschikking d.d. 25 augustus 2008 aan appellant een persoonsgebonden budget toegekend voor de periode 14 juli 2008 tot en met 31 december 2008.

- Op 11 september 2008 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen genoemd indicatiebesluit.

- Nadat de bezwaarschriftencommissie appellant op een hoorzitting van 3 november 2008 heeft gehoord, heeft verweerder bij besluit van 5 december 2008 het bezwaar gegrond verklaard, in die zin dat op grond van bijzondere omstandigheden de indicatie één categorie hoger dient te worden gesteld, namelijk een “ZZP 4, C-groep.

- Bij besluit van 18 december 2008 heeft Zorgkantoor Haaglanden naar aanleiding van genoemde besluit aan appellant een nieuw persoonsgebonden budget toegekend voor de periode tot en met 13 juli 2009.

- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 december 2008.

- Op 11 februari 2009 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting behandeld. De kinderrechter stelde op dat moment vast dat verweerder – die niet was verschenen – niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had ingediend. De behandeling van het beroepschrift daarop aangehouden tot een nadere zitting. Verweerder is per brief verzocht alsnog alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen.

- Van de zijde van appellant is nadien ingekomen: een brief d.d. 17 februari 2009 met bijlagen.

- Van de zijde van verweerder zijn nadien ingekomen: een brief d.d. 27 februari 2009 met bijlagen en een brief d.d. 9 maart 2009 met bijlagen.

Op 10 maart 2009 heeft de kinderrechter het onderzoek ter zitting voortgezet. Verschenen zijn: appellant en zijn echtgenote, alsmede de gemachtigden Van Dijke en Van Rooijen voornoemd van de zijde van verweerder. Van de zijde van appellant is ter zitting een aanvullende productie overgelegd.

Overwegingen

Appellant is van mening dat ook het nieuwe (hogere) persoonsgebonden budget, aan hem toegekend door Zorgkantoor Haaglanden naar aanleiding van het bestreden besluit niet toereikend is om de gecontracteerde zorg voor zijn zoon te betalen.

De kinderrechter ziet zich eerst geplaatst voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van appellant.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Blijkens artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest.

Verweerder heeft zich, overigens eerst in het verweerschrift, op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift van appellant te laat is ingediend en niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

De kinderrechter stelt vast dat appellant eerst op 11 september 2008 bezwaar heeft gemaakt tegen het indicatiebesluit van 23 juli 2008, derhalve na het verstrijken van evengenoemde termijn. Appellant is derhalve niet-ontvankelijk in zijn bezwaar, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

Appellant heeft in dat verband aangevoerd dat hij pas naar aanleiding van de beschikking van Zorgkantoor Haaglanden op 25 augustus 2008 wist welke financiële implicaties het (indicatie)besluit d.d. 23 juli 2009 van verweerder voor hem had en dat hij daarom later het bezwaarschrift heeft ingediend.

De kinderrechter is van oordeel dat appellant, teneinde de bezwaartermijn veilig te stellen, pro forma bezwaar had kunnen maken tegen genoemd (indicatie-)besluit en bovendien had appellant, na ontvangst van de beschikking d.d. 25 augustus 2008 van het zorgkantoor, nog tijdig bezwaar kunnen maken tegen het indicatiebesluit van verweerder.

De kinderrechter acht gelet daarop geen verschoonbare reden aanwezig voor de te late indiening van het bezwaarschrift en is van oordeel dat verweerder appellant ten onrechte in zijn bezwaar heeft ontvangen. Het besluit op bezwaar zal om deze reden worden vernietigd en de kinderrechter zal op grond van artikel 8:72 lid 4 Awb zelf in de zaak voorzien door appellant alsnog niet-ontvankelijk in zijn bezwaarschrift te verklaren.

Vernietiging van het bestreden besluit op de grond dat appellant in zijn bezwaar niet-ontvankelijk is, zou betekenen dat appellant door het instellen van beroep in een slechtere positie terecht zou komen nu het besluit op bezwaar een gunstiger uitkomst voor appellant had dan het oorspronkelijke indicatiebesluit. Dit zou in strijd zijn met het uit artikel 8:69, lid 1 van de Awb voortvloeiende verbod van reformatio in peius. De kinderrechter zal de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar derhalve in stand laten.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

vernietigt het besluit van verweerder d.d. 5 december 2008 voor zover appellant ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar tegen het indicatiebesluit d.d. 23 juli 2008;

verklaart appellant in zijn bezwaar tegen het indicatiebesluit d.d. 23 juli 2008 alsnog niet-ontvankelijk;

bepaalt dat het besluit op bezwaar van 5 december 2008 in stand blijft voor zover daarin is bepaald dat de indicatie één categorie hoger dient te worden gesteld, te weten ZZP 4, C-groep.

Aldus gegeven door mr. P.D. Veenendaal, kinderrechter, bijgestaan door

mr. B. Laterveer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2009.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.