Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL3762

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
12-02-2010
Zaaknummer
AWB 07/9569
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Artikel 3.92, lid 2, Wet IB 2001. Eiser heeft een aanmerkelijk belang in [E] en heeft een aandeel in de vordering van de aandeelhouders op [E], welk aandeel eiser om niet heeft verkregen. De vordering bedroeg eind 2000 ƒ 1.979.464,- en eind 2001 ƒ 1.678.722,-. De rechtbank oordeelt dat het verschil tot de in 2001 te belasten inkomsten uit een werkzaamheid van eiser behoort en dat daarbij niet van belang is welke bestemming aan de door [E] op de vordering betaalde bedragen wordt gegeven en evenmin of het bedrag waarmee de vordering is afgenomen door eiser is ontvangen of op andere wijze aan hem ten goede is gekomen. Zou hetgeen eiser hiertegen heeft aangevoerd juist zijn, dan zou dit feitelijk inhouden dat de jaarstukken van [E] de standen van de vordering onjuist weergeven. Dit is echter gesteld noch gebleken. Het door eiser in geding gedane voorstel om de aflossingen alsnog aan te merken als het verstrekken van een geldlening kan niet in rechte worden afgedwongen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/18.2.2
FutD 2010-0456
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 07/9569 IB/PVV

Uitspraakdatum: 30 december 2009

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

IPROCESVERLOOP

1.1Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 585.854,- en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van ƒ 14.061,-, alsmede bij beschikking een verzuimboete van ƒ 1.750,- (hierna: de boetebeschikking).

1.2Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 8 november 2007 de aanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 532.651,- en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van ƒ 14.061,- en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De beroepen zijn vervat in één brief, gedateerd 22 oktober 2007 en ontvangen bij de rechtbank op 26 oktober 2007.

1.4Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2008. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is [A] verschenen, bijgestaan door [B].

1.6De rechtbank heeft bij beslissing van 4 december 2008 het onderzoek heropend, overwegende dat het voor de afdoening van de zaak gewenst is dat eiser wordt toegelaten tot het leveren van getuigenbewijs.

1.7Het getuigenverhoor heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is [A] verschenen. Als getuigen zijn gehoord [C] en [D].

1.8Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2009 te Den Haag. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [A] verschenen.

1.9Op de beide zittingen heeft tevens de mondelinge behandeling plaatsgevonden van de beroepen van eiser tegen de aan hem opgelegde aanslagen en navorderingsaanslagen voor de jaren 1998, 1999 en 2000, procedurenummers AWB 07/7970 IB/PVV, AWB 07/7971 IB/PVV, AWB 07/7972 IB/PVV en AWB 07/7973 IB/PVV. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt tevens geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.

II.OVERWEGINGEN

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Eiser heeft op 14 augustus 1997 25% van de aandelen van (na een latere naamswijziging) [E] Holding b.v. verkregen. De verkrijgingsprijs bedroeg ƒ 2.500,-. Van de hierna onder 1.11. te noemen vordering van de aandeelhouders op [E] heeft eiser eveneens 25% overgenomen. Daarvoor heeft eiser geen vergoeding betaald.

2.2.De aandeelhouders van [E] hadden een onvolwaardige vordering op [E]. In 1997 heeft [E] een onroerende zaak verkocht, waarbij [E] een flinke boekwinst heeft behaald. Als gevolg daarvan is de vordering van de aandeelhouders op [E] volwaardig geworden. Het aandeel van eiser in de vordering van de aandeelhouders op [E] bedroeg eind 2000

ƒ 1.979.464,-. Op 14 februari 2001 heeft [E] ƒ 203.945,- betaald aan [F] Notarissen. Op 11 juli 2001 heeft [E] ƒ 150.000,- overgemaakt naar de persoonlijke houdstervennootschap van eiser. Beide bedragen zijn in de administratie van [E] in mindering gebracht op haar schuld aan eiser. Aan het einde van 2001 is het bedrag van de vordering verhoogd met ƒ 53.203,- aan rente. Ultimo 2001 bedroeg de vordering ƒ 1.979.464,- -/- ƒ 203.945,- -/- ƒ 150.000,- + ƒ 53.203,- = ƒ 1.678.722,-.

2.3.Op 15 juli 2003 heeft eiser de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 ingediend. Daarin heeft hij zijn belastbaar inkomen uit werk en woning berekend op ƒ 178.708,-.

2.4.Op 14 april 2003 is verweerder begonnen aan een boekenonderzoek bij het concern van [G] b.v., één van de vennootschappen waarin eiser, middelijk of onmiddellijk, een controlerend belang heeft. De bevindingen bij dit onderzoek waren voor verweerder aanleiding van de door eiser ingediende aangifte af te wijken. Verweerder heeft de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 585.854,-, welk bedrag als volgt kan worden gespecificeerd:

tabel 1

Voorts heeft verweerder eiser, wegens het niet tijdig doen van aangifte, een verzuimboete van ƒ 1.750,- opgelegd.

2.5.Op 22 september 2005 heeft eiser heeft tegen de aanslag en de daarbij gegeven boetebeschikking bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het bezwaar hebben partijen langdurig met elkaar gecorrespondeerd en, al dan niet telefonisch, vele gesprekken gevoerd. Op 31 augustus 2006 heeft ten kantore van verweerder in verband met de behandeling van de bezwaarschriften over de jaren 1998 tot en met 2001 een hoorgesprek plaatsgevonden tussen eiser en [C] en [D], beiden werkzaam bij de belastingdienst. Van dit hoorgesprek is een verslag opgemaakt, dat in kopie tot de gedingstukken behoort en waarin onder meer het volgende is vermeld:

"[Eiser] komt met een voorstel. Het voorstel is om de jaren 1998 en 1999 alle aflossingen te belasten als winst uit aanmerkelijk belang. Alle aflossingen na 1999 wil [eiser] niet in de heffing betrekken, maar [eiser] wil alle aflossingen na 1999 tot heden terugstorten in [E]. De claim op de turbovordering blijft hiermee behouden en er zijn vervolgens geen leningen meer aanwezig. [Eiser] wil dit realiseren door de rekening courant bedrag van [H] N.V. in 2005 over te boeken naar [E]. De rentebestanddelen blijven vanaf 2000 belast in box 1 als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden.

[C] en [D] geven aan dat ze het voorstel van [eiser] in overweging nemen. [C] of [D] neemt contact op met [eiser] over de verdere afhandeling van bovenstaande bezwaren. Einde hoorgesprek."

2.6Na het hoorgesprek heeft verweerder eiser het concept van een vaststellingsovereenkomst (hierna: de concept-vaststellingsovereenkomst) toegestuurd. De daarbij gevoegde begeleidende brief is gedagtekend 7 september 2006. De concept-vaststellingsovereenkomst, die in kopie tot de gedingstukken behoort, bevat onder meer de volgende bepalingen:

"3. Omschrijving van geschil of onzekerheid

(...)

[Eiser] stelt zich op het standpunt dat indien en voor zover de aflossingen op de Turbovordering worden aangewend voor het verstrekken van leningen aan andere vennootschappen, hij feitelijk optreedt als intermediair en dat, mede gelet op de door [eiser] overgelegde ongedateerde parapluovereenkomst, hij niet de uiteindelijke gerechtigde is tot de op de Turbovordering afgeloste bedragen. Op grond van het voorgaande concludeert [eiser] dat er, voorzover hij niet de uiteindelijke gerechtigde is tot de afgeloste bedragen, er geen belastbaar feit is voor de heffing van inkomstenbelastingen.

Volgens [verweerder] is elke aflossing op de Turbovordering aan te merken als een belastbaar feit en de aanwending door [eiser] van de afgeloste bedragen irrelevant is.

(...)

5. Inhoud van de overeenkomst

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

5.1 (...).

5.2 (...).

5.3Een door [E] direct of indirect verstrekte lening (waaronder begrepen rekening courant) aan:

a. een met [eiser] verbonden natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 3.6, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001;

b. een samenwerkingsverband waarvan [eiser] of een met hem verbonden natuurlijk persoon deel uitmaakt;

c. een lichaam waarin [eiser] of een met hem verbonden natuurlijk persoon een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001;

d. een met een lichaam als bedoeld in onderdeel c. verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969; of

e. een samenwerkingsverband waarvan een lichaam als bedoeld in onderdeel c. of d. deel uitmaakt,

wordt binnen 3 maanden van het tijdstip van de ondertekening door [eiser] van deze vaststellingsovereenkomst afgelost. Voor zover binnen deze periode de desbetreffende lening niet is afgelost, wordt het saldo van deze lening aangemerkt als aflossing op de Turbovordering door [E] voor de inkomstenbelasting bij [eiser] belastbaar als resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in afdeling 3.4 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, gevolgd door het verstrekken van een lening door [eiser] aan de desbetreffende persoon.

5.4Een door [E] na het tijdstip van de ondertekening door [eiser] van deze overeenkomst direct of indirect verstrekte lening (waaronder begrepen rekening courant) aan:

a. een met [eiser] of een met hem verbonden natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 3.6, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001;

b. een samenwerkingsverband waarvan [eiser] of een met hem verbonden natuurlijk persoon deel uitmaakt;

c. een lichaam waarin [eiser] of een met hem verbonden natuurlijk persoon een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001;

d. een met een lichaam als bedoeld in onderdeel c. verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;

e. een samenwerkingsverband waarvan een lichaam als bedoeld in onderdeel c. of d. deel uitmaakt; of

f. [eiser],

wordt deze aangemerkt als aflossing op de turbovordering door de vennootschap, voor de inkomstenbelasting bij [eiser] belastbaar als resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in afdeling 3.4 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, in de situaties als bedoeld in a. tot en met e. gevolgd door het verstrekken van een lening door [eiser] aan de desbetreffende persoon."

2.7Op 16 oktober 2006 hebben partijen over de concept-vaststellingsovereenkomst gesproken. In dit gesprek gaf eiser onder meer te kennen dat hij zich niet kon vinden in de inhoud van de onderdelen 5.3 en 5.4 van de concept-vaststellingsovereenkomst. Nadien hebben partijen over en weer verschillende pogingen gedaan de concept-vaststellingsovereenkomst aan te passen. In zijn brief van 16 mei 2007 heeft verweerder eiser een laatste voorstel gedaan. Bij brief van 4 juli 2007 heeft eiser daarop gereageerd. In zijn brief van 30 juli 2007 deelde verweerder eiser mee "besloten [te hebben] om uitspraak op de openstaande bezwaren te doen. Door het niet accepteren van onze opgestelde vaststellings-overeenkomst en (eind-)voorstellen komen deze te vervallen en levert derhalve voor ons geen discussie meer op."

2.8Op 8 november 2007 heeft verweerder uitspraak gedaan op de bezwaren van eiser tegen de aanslag en de boetebeschikking. Bij de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag heeft verweerder het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd met de op de vordering bijgeschreven rente ten bedrage van ƒ 53.203,-. Het bij de uitspraak nader vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt derhalve ƒ 532.651,- Bij de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking heeft verweerder de boetebeschikking gehandhaafd.

Geschil

2.9Tussen partijen is in geschil of:

a. tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen;

b. de onder 2.2 genoemde bedragen van ƒ 203.945,-en ƒ 150.000 behoren tot het belastbare inkomen uit werk en woning van eiser van het jaar 2001.

Eiser heeft uitdrukkelijk aangegeven dat het beroep niet mede is gericht tegen de boetebeschikking.

2.10Eiser beantwoordt vraag a. bevestigend en vraag b. ontkennend. Ter onderbouwing heeft eiser onder meer het volgende aangevoerd.

Enige dagen na het onder 2.5 vermelde hoorgesprek heeft [C] eiser meegedeeld dat hij met voorstel van eiser akkoord ging. Daarmee was de vaststellingsovereenkomst een feit. Voorts heeft [C] eiser meegedeeld dat hij [D] zou vragen een en ander op papier te zetten. [D] heeft dit gedaan maar aan het voorstel van eiser een aantal punten toegevoegd, die partijen niet waren overééngekomen.

De door [E] in mindering op de vordering van eiser op [E] gebrachte bedragen van ƒ 203.945,- en ƒ 150.000,- zijn geen aflossingen van de vordering van eiser op [E], maar zijn in feite door [E] uitgeleend aan gelieerde vennootschappen dan wel door [E] aangewend om daarmee schulden aan gelieerde vennootschappen af te lossen. Hierbij heeft eiser slechts als "doorgeefluik"gefungeerd.

2.11Verweerder beantwoordt vraag a. ontkennend en vraag b. bevestigend. Ter onderbouwing heeft hij onder meer het volgende aangevoerd.

Na het hoorgesprek heeft [C] telefonisch contact met eiser gehad. [C] heeft zich echter niet akkoord verklaard met het voorstel van eiser. Er is dan ook geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.

De betalingen van ƒ 203.945,- en ƒ 150.000,- zijn in mindering gekomen op de vordering van eiser op [E]. Ingevolge artikel 3.94 van de Wet IB 2001 behoren deze bedragen tot eisers belastbare inkomen uit werk en woning.

2.12Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 178.708,-.

2.13Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot geschilpunt a.

2.14 Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat tussen eiser en verweerder een (vaststellings)overeenkomst tot stand is gekomen. Eiser heeft dienaangaande aangevoerd dat hem enige dagen na het onder 2.5. vermelde hoorgesprek namens eiser telefonisch is meegedeeld dat verweerder met het voorstel van eiser akkoord ging. Op verzoek van eiser zijn [C] en [D] als getuigen gehoord. Met hun, door de rechtbank geloofwaardig geachte, verklaringen is niet aannemelijk geworden dat verweerder, bij monde van [C] en/of [D], het door eiser aan verweerder voorgelegde voorstel tot beëindiging van het tussen partijen bestaande geschil heeft aanvaard. Uit de verklaringen blijkt weliswaar dat het voorstel van eiser binnen de Belastingdienst is besproken, doch dat zulks niet tot instemming van verweerder met het voorstel heeft geleid. [C] heeft eiser telefonisch geïnformeerd over de bezwaren die binnen de Belastingdienst tegen het voostel van eiser bestonden. Van de voor het tot stand komen van een (vaststellings)overeenkomst vereiste wilsovereenstemming van partijen, bestaande uit de aanvaarding door de ene partij (in dit geval verweerder) van het aanbod van de andere partij (in dit geval eiser), is onder deze omstandigheden geen sprake. Ook anderszins heeft eiser geen feiten gesteld die, indien aannemelijk bevonden, zouden kunnen leiden tot het oordeel dat eiser en verweerder een (vaststellings)overeenkomst hebben gesloten. Met betrekking tot geschilpunt a. is het gelijk derhalve aan verweerder.

Met betrekking tot geschilpunt b.

2.15Tot het belastbaar inkomen uit werk en woning behoort ingevolge artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden. Naar volgt uit artikel 3.90 van de Wet is belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren. In artikel 3:92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet wordt onder werkzaamheid mede verstaan het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen - voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet behoudens indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond van de artikelen 4.10 en 4.11 van de Wet. Ingevolge artikel 3.92, tweede lid, aanhef en onderdeel a, aanhef en onder 1°, van artikel 3.92 van de Wet, wordt met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eerste lid bedoelde vennootschap gelijkgesteld het aangaan of het hebben van een schuldvordering op een dergelijke vennootschap.

2.16Ingevolge artikel I, onderdeel AJ, eerste lid, van de Invoeringswet Wet inkomsten-belasting 2001, worden vermogensbestanddelen, voor zover zij bij het begin van het kalenderjaar 2001 tot een werkzaamheid worden gerekend, bij het begin van dat jaar te boek gesteld voor de waarde in het economische verkeer op dat tijdstip. In afwijking daarvan wordt, ingevolge het vijfde lid van dit artikelonderdeel, een schuldvordering die op 31 december 2000 op grond van hoofdstuk II, afdeling 2A, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze luidde op 31 december 2000, tot een aanmerkelijk belang behoort, te boek gesteld voor de verkrijgingsprijs die gold voor de toepassing van die regeling.

2.17Vaststaat dat eiser een aanmerkelijk belang had in [E], dat hij een vordering had op [E] (hierna: de vordering), dat hij de vordering om niet heeft verkregen en dat het bedrag van de vordering op 31 december 2000 ƒ 1.979.464,- was en dat [E] de onder 2.22 genoemde bedragen van ƒ 203.945,- en ƒ 150.000,- in 2001 van haar tegenover de vordering staande schuld aan eiser heeft afgeboekt.

Ingevolge de onder 2.16. genoemde wettelijke bepalingen dient de vordering per 1 januari 2001 te boek te worden gesteld voor nihil. Daarvan uitgaande behoort op grond van de onder 2.15. vermelde wettelijke bepalingen een bedrag van ( ƒ 203.945,- + ƒ 150.000,- = ) 353.945,- te worden aangemerkt als in 2001 genoten belastbaar resultaat uit een werkzaamheid. Dit zou slechts anders zijn indien en voorzover eiser aannemelijk maakt dat de afname van de vordering geen aflossing van de vordering was. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

2.18. Het is voor de toepassing van de onder 2.15. en 2.16. genoemde wettelijke bepalingen niet van belang welke bestemming wordt gegeven aan de bedragen die de vennootschap betaalt op de schuldvordering die de belastingplichtige op de vennootschap heeft. Dus is ook niet van belang of het bedrag waarmee de schuldvordering van de belastingplichtige op de vennootschap afneemt, uiteindelijk door de belastingplichtige is ontvangen of aan hem ten goede is gekomen.

2.19In de loop van het geding heeft eiser diverse overzichten overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de bedragen waarmee de vordering zijn afgenomen, in feite door [E] zijn uitgeleend aan andere vennootschappen of door [E] zijn aangewend om daarmee schulden aan andere vennootschappen af te lossen. Eiser heeft in dit verband gesteld dat hij voor wat betreft de door [E] betaalde bedragen slechts als "doorgeefluik" fungeerde en op die bedragen geen rechten kon doen gelden. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling, zo zij al juist zou worden bevonden, gelet ook op hetgeen onder 2.18 is overwogen, niet het standpunt van eiser dragen dat de afname van de vordering geen aflossing van de vordering was. Naar verweerder onweersproken heeft gesteld, zijn de standen van de vordering van eiser op [E] aan het einde van 2000 (ƒ 1.979.464,-) en van 2001(ƒ 1.678.722,-) ontleend aan de jaarstukken van [E]. Zou eisers stelling juist zijn, dan hadden de betalingen door [E] niet tot een afneming van de vordering geleid en zouden de jaarstukken van [E] de stand van de vordering op 31 december 2001 onjuist weergeven. Dit is door eiser echter niet gesteld en daarvan is ook anderszins niet gebleken.

2.20. Met betrekking tot geschilpunt b. is het gelijk mitsdien eveneens aan verweerder.

2.21Gelet op hetgeen onder 2.14. tot en met 2.20. is overwogen is het beroep gegrond en dient te worden beslist zoals hierna onder III is vermeld.

Proceskosten

2.21De rechtbank vindt geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

IIIBESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.M. Vink en mr. E.J.W. Heithuis, in tegenwoordigheid van de griffier H. van Lingen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.