Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL2942

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
08-02-2010
Zaaknummer
349692 / HA RK 09-539 Wrakingsnummer 2009/22
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking van voorzieningenrechter. De rechtbank stelt voorop dat het enkele feit dat de door verzoekster en medegedaagden ingediende producties buiten beschouwing zijn gelaten – daargelaten of dit een processueel juiste beslissing is geweest – niet zonder meer als teken van partijdigheid kan worden beschouwd. Echter, gelet op het belang van de zaak, de voorgeschiedenis tussen de procespartijen en het feit dat het een geringer aantal producties betreft dan blijkens het procesverbaal van de zitting van 7 oktober 2009 is aangenomen, is het buiten beschouwing laten van alle door verzoekster en medegedaagden ingediende producties voor de rechtbank een op niet voorhand begrijpelijke beslissing. Niet weersproken is dat mr. [X] geen aanleiding heeft gezien stukken die de gemeente Leiden in een laat stadium heeft ingediend buiten beschouwing te laten. Dit in samenhang bezien met de omstandigheid dat mr. [X] de juistheid van zijn beslissing in een aanverwante eerdere procedure tussen dezelfde procespartijen heeft verdedigd, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de schijn is gewekt dat mr. [X] niet onbevooroordeeld was jegens verzoekster. Verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE – MEERVOUDIGE WRAKINGSKAMER

Wrakingnummer 2009/22

rekestnummer: 349692 / HA RK 09-539

zaaknummer in hoofdzaak: 346000 / KG ZA 09-1132

beschikking: 4 november 2009

BESCHIKKING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van:

de stichting Stichting Ontmoetingsruimte de Linkse Kerk,

gevestigd te Leiden,

verzoekster,

advocaat mr. M.A.R. Schuckink Kool te 's-Gravenhage;

tegen

Mr. [X],

voorzieningenrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage.

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1 Bij exploot van 7 september 2009 is ten verzoeke van de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Leiden onder meer verzoekster gedagvaard om op 7 oktober 2009 ter terechtzitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage te verschijnen.

Op 7 oktober 2009 heeft mr. [X] als voorzieningenrechter het kort geding in de zaak van de gemeente Leiden tegen verzoekster met betrekking tot de ontruiming van het door haar bewoonde c.q. bij haar in gebruik zijnde pand aan de Hooglandse Kerkgracht nummer 4 (2312 HX) te Leiden, behandeld.

1.2 Ter zitting van 7 oktober 2009 heeft mr. M.A.R. Schuckink Kool, namens verzoekster, een verzoek tot wraking van mr. [X] gedaan, waarna de zitting is geschorst. Het verzoek tot wraking is nader schriftelijk toegelicht bij e-mail d.d. 20 oktober 2009.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 21 oktober 2009 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. De advocaat van verzoekster, mr. M.A.R. Schuckink Kool, is verschenen. Mr. [X] heeft ter zitting aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen gereageerd op het wrakingverzoek.

3. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat mr. [X] door zijn opstelling ter zitting gerede en legitieme twijfel heeft opgeroepen over zijn onpartijdigheid in het onderhavige geding. Ter onderbouwing van dit standpunt schetst verzoekster – zakelijk weergegeven – de volgende gang van zaken.

Nadat op 7 september 2009 de dagvaarding was uitgebracht, heeft de gemeente Leiden drie weken later haar producties in het geding gebracht welke op 29 september 2009 door verzoekster zijn ontvangen. Vervolgens hebben medegedaagden van verzoekster op 4 oktober 2009 producties ingediend. Op 5 oktober 2009 is namens de gemeente Leiden tegen de indiening van deze producties bezwaar gemaakt bij mr. Schuckink Kool wegens te late toezending. Op 5 oktober 2009 diende mr. Schuckink Kool namens verzoekster nog een 14-tal producties in. Ook namens de gemeente Leiden zijn die dag nog producties ingediend. Ter zitting van 7 oktober 2009 maakte de gemeente Leiden (wederom) bezwaar tegen de door verzoekster en haar medegedaagden ingediende producties wegens te late toezending. Zonder verzoekster in de gelegenheid te stellen al haar argumenten naar voren te brengen, besloot mr. [X] eenzijdig tot buiten beschouwing laten van alle producties van alle gedaagden in die procedure. Dit terwijl alle producties tijdig, meer dan 24 uur van te voren, waren ingediend, de producties van verzoekster processuele stukken betroffen van eerdere en nog lopende procedures tussen partijen en alle producties die namens de gemeente Leiden waren ingediend wel in aanmerking werden genomen. Daarbij komt dat gelet op de belangen in deze zaak mr. [X] zijn beslissing om alle producties buiten beschouwing te laten onvoldoende heeft gemotiveerd en deze beslissing had moeten nuanceren door onderscheid te maken tussen de ingediende producties, naar bijvoorbeeld soort en tijdstip van indiening.

De legitieme twijfel over de onpartijdigheid van mr. [X] wordt versterkt door de eerdere betrokkenheid van mr. [X] bij een geding tussen dezelfde procespartijen over een aanverwant onderwerp. Nu mr. [X] de juistheid van zijn beslissing in die procedure ter zitting heeft beklemtoond, wordt duidelijk dat hij onvoldoende afstand kan nemen van deze eerdere procedure zodat sprake is van vooringenomenheid.

4. Het standpunt van mr. [X]

Mr. [X] berust niet in de wraking en heeft de door verzoekster aangevoerde gronden weersproken.

Hij stelt zich op het standpunt dat de producties op basis van het procesreglement geweigerd moesten worden aangezien het grote aantal producties (149) deels ingediend was één dag voor de zitting en deels twee dagen voor de zitting, welke indiening gezien de datum van de dagvaarding niet spoedig genoemd kan worden. De inzending had eerder kunnen en dan ook moeten plaatsvinden. Na het bezwaar namens de gemeente Leiden tegen de ingediende producties, heeft mr. [X] verzoekster twee keer de gelegenheid gegeven te reageren. Nadat de beslissing was genomen de producties allen buiten beschouwing te laten, heeft mr. [X] verzoekster niet voor een derde keer aan het woord gelaten. De argumenten die thans worden aangevoerd tegen de weigering van de producties zijn destijds ter zitting niet door verzoekster aangevoerd. Bovendien is mr. Schuckink Kool medegedeeld dat het hem vrijstond ter zitting te citeren uit de producties en daarnaar te verwijzen. Uit genoemde weigering van de producties kan niet (de schijn van) partijdigheid afgeleid worden.

Voorts stelt mr. [X] dat het enkele feit dat hij eerder betrokken is geweest in een zaak tussen dezelfde procespartijen en dat hij kennelijk een voor verzoekster onwelgevallige beslissing heeft genomen, niet leidt tot (schijn van) vooringenomenheid. Daarbij komt dat de door hem genomen eerdere beslissing is bekrachtigd door het gerechtshof en in de bodemprocedure een vonnis van dezelfde strekking is gewezen.

5. Beoordeling

5.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonder-lijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2 Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthou-den, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.3 De rechtbank stelt voorop dat het enkele feit dat de door verzoekster en medegedaagden ingediende producties buiten beschouwing zijn gelaten – daargelaten of dit een processueel juiste beslissing is geweest – niet zonder meer als teken van partijdigheid kan worden beschouwd. Echter, gelet op het belang van de zaak, de voorgeschiedenis tussen de procespartijen en het feit dat het een geringer aantal producties betreft dan blijkens het procesverbaal van de zitting van 7 oktober 2009 is aangenomen, is het buiten beschouwing laten van alle door verzoekster en medegedaagden ingediende producties voor de rechtbank een op niet voorhand begrijpelijke beslissing. Niet weersproken is dat mr. [X] geen aanleiding heeft gezien stukken die de gemeente Leiden in een laat stadium heeft ingediend buiten beschouwing te laten. Dit in samenhang bezien met de omstandigheid dat mr. [X] de juistheid van zijn beslissing in een aanverwante eerdere procedure tussen dezelfde procespartijen heeft verdedigd, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de schijn is gewekt dat mr. [X] niet onbevooroordeeld was jegens verzoekster. Dit betekent dat, nu iedere schijn van partijdigheid of vooringenomenheid dient te worden vermeden, het verzoek tot wraking dient te worden toegewezen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

6. Beslissing

De rechtbank:

wijst toe het verzoek tot wraking van mr. [X];

bepaalt dat het geschorste onderzoek ter zitting in de hoofdzaak met ingang van heden opnieuw een aanvang neemt en schorst dit onderzoek totdat het onderzoek door een andere voorzieningenrechter in deze rechtbank, belast met de behandeling van civiele zaken, zal zijn hervat;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• verzoekster p/a haar advocaat mr. M.A.R. Schuckink Kool;

• gemeente Leiden p/a haar advocaat mr. A.R. de Jonge;

• de stichting Stichting Vrijplaats Koppenhinksteeg, de vereniging Vereniging Cultureel Centrum Bar en Boos, de stichting Stichting De Fabel van de Illegaal, [B], [C], [D], [E] h.o.d.n. Hong Ying Instituut van Aziatische Sport en Cultuur, de stichting Stichting het Leids Weggeeffonds, de vereniging Het Syrisch Democratisch Huis, zij die verblijven of wonen in de onroerende zaak of een gedeelte daarvan, staande en gelegen te Leiden aan de Hooglandse Kerkgracht nr. 4 (2312 HX), aan de Koppenhinksteeg nr. 2 (2312 HX), aan de Koppenhinksteeg nr. 2b (2312 HX), aan de Koppenhinksteeg nr. 2c (2312 HX), aan de Koppenhinksteeg nummer 4 (2312 HX), Herbertus Jacobus Jan de Vos;

• mr. [X].

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2009 door mrs. J.W. du Pon, L. de Loor-Alwin en C.C. Dedel - van Walbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Lamers als griffier.