Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL2292

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
AWB 09-39968
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO1974, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Coa / artikel 17 Rva 2005 / buitengewone kosten / noodzakelijke kosten / documentenonderzoek / criterium in Handleiding niet redelijk / onvoldoende gemotiveerd

De rechtbank is van oordeel dat het door verweerder in de “Handleiding Vergoeding Buitengewone Kosten” van 1 maart 2009 neergelegde criterium “biedt het voornemen geen mogelijkheid tot het laten verrichten van een onderzoek, dan zijn de kosten geen noodzakelijke kosten en worden ze niet vergoed” in dit geval niet redelijk en derhalve niet aanvaardbaar is. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat het (door de IND) niet bieden van een mogelijkheid tot het laten verrichten van een onderzoek niet afdoet aan het zelfstandige recht van eiser om een onderzoek dan wel een contra-expertise te laten verrichten, en dat enkel op grond van het niet bieden van een mogelijkheid als vorenbedoeld niet kan worden gezegd dat de contra-expertise niet noodzakelijk is. Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen de uitleg die in de toelichting op artikel 17 van de Rva 2005 aan het begrip “noodzakelijk” is gegeven. De vraag of de IND eiser in het onderhavige geval na uitreiking van het voornemen al dan niet in de gelegenheid heeft gesteld om een contra-expertise te doen verrichten is, gelet op het voorgaande, niet relevant. Dit geldt evenzeer voor de opmerking van verweerder dat het eiser in beginsel echter wel vrij staat om een contra-expertise te laten verrichten.

Het COA heeft de stelling dat de kosten voor een contra-expertise naar aanleiding van een documentenonderzoek niet noodzakelijk zijn, onvoldoende gemotiveerd. Volgens vaste jurisprudentie wordt van eiser in de asielprocedure verlangd dat hij een tegenadvies zal inbrengen indien hij het documentenonderzoek wenst aan te tasten. Niet valt in te zien dat de onderzoeksresultaten van een documentenonderzoek feiten betreffen die niet weerlegbaar zijn. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/39968

Uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2009

inzake

[Eiser],

geboren op [geboortedatum],

nationaliteit Iraakse,

verblijvende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. C.A.J.M. Snijders,

tegen

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers,

te Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot vergoeding van de door hem te maken kosten in verband met het laten verrichten van een contra-expertise documentenonderzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 november 2009 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van 15 december 2009, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of de weigering van verweerder om eiser de door hem te maken kosten in verband met het laten verrichten van een contra-expertise documentenonderzoek te vergoeden, in rechte stand kan houden.

2. Verweerder heeft - zakelijk weergegeven - geweigerd om eiser in aanmerking te brengen voor een vergoeding voor buitengewone kosten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) in samenhang met artikel 17 van de Rva 2005. Volgens verweerder bieden artikel 17 van de Rva 2005 en het daarop ontwikkelde beleid geen grondslag voor vergoeding van de aangevoerde kosten, nu het niet strikt noodzakelijk is een dergelijke contra-expertise te laten verrichten.

3. In het verweerschrift heeft verweerder voorts gesteld dat in het voornemen niet de mogelijkheid wordt geboden aan eiser om een contra-expertise te verrichten. Volgens verweerder staat het eiser in beginsel echter wel vrij om een contra-expertise te laten verrichten. Ter ondersteuning van het standpunt heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van 25 november 2009 (AWB 09/3201) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ‘s-Gravenhage.

4. Eiser heeft zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat het onjuist is dat de rechtbank in de asielprocedure nagaat of de totstandkoming en de inhoud van het documentenonderzoek juist is. Het ligt immers op de weg van de asielzoeker om de juistheid van zijn stellingen aan te tonen. Bovendien was het immer bestendig beleid van verweerder om dergelijke expertises te vergoeden. Het ‘nieuwe’ beleid van verweerder, waarmee volgens eiser onder één hoedje wordt gespeeld met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND), is niet correct en onzorgvuldig. Reeds vaker is gebleken dat een documentenonderzoek wel degelijk weerlegbaar is. De stelling van verweerder dat een contra-expertise naar aanleiding van een documentenonderzoek nooit tot een andere conclusie zou kunnen leiden, acht eiser in strijd met het beginsel van “equality of arms”. Ter ondersteuning van het vorenstaande heeft eiser verwezen naar de uitspraak van 13 november 2009 (AWB 09/30383 en AWB 09/30382) van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 12 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COA) kan de Minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet COA. Bij ministerieel besluit van 26 januari 2005 (Stcrt. 2005, nr. 24, pag. 17) is van deze bevoegdheid gebruikgemaakt door de vaststelling van de Rva 2005. Deze regeling is nadien gewijzigd bij de regelingen van 7 september 2006, Stcrt. 177, 6 december 2006, Stcrt. 244, 23 januari 2007, Stcrt. 21, 15 februari 2008, Stcrt. 39, 12 en 15 februari 2009, Stcrt. 53, 2 april 2009, Stcrt. 74.

7. In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rva 2005 is bepaald dat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval omvat de betaling van buitengewone kosten.

8. In artikel 17 van de Rva 2005 is bepaald dat een asielzoeker een vergoeding kan ontvangen voor buitengewone kosten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g van deze regeling, die hij heeft gemaakt.

Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald.

Op grond van het derde lid van dit artikel worden buitengewone kosten slechts betaald voor zover vooraf door het COA aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van deze kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming.

Op grond van het vierde lid van dit artikel wordt de toestemming, bedoeld in het derde lid, uitsluitend verleend indien en voor zover de kosten noodzakelijk zijn en niet op andere wijze in de betaling kan worden voorzien.

9. Aangezien in artikel 17 van de Rva 2005 volgens verweerder vage begrippen voorkomen en om rechtsongelijkheid te voorkomen, hanteert verweerder bij het bepalen van de vraag welke kosten voor vergoeding als buitengewone kosten in aanmerking komen, de “Handleiding Vergoeding Buitengewone Kosten ” van 1 maart 2009 en de in de “Lijst beoordeling buitengewone kosten” neergelegde criteria. Deze lijst is volgens verweerder evenwel niet uitputtend bedoeld, als gevolg waarvan het in de praktijk zal voorkomen dat om kostenvergoeding verzocht wordt van kosten die niet op de lijst voorkomen. In een dergelijke situatie beslist de clustermanager.

10. In vorenbedoelde lijst van verweerder is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“3.6 Documentenonderzoek, onderzoek in het land van herkomst, vingerafdrukken e.d.

(…)

IND voornemen

De IND heeft een voornemen uitgebracht. Uit het voornemen van de IND moet blijken of de kosten van een te laten verrichten onderzoek noodzakelijke kosten zijn. De advocaat moet ter onderbouwing van zijn aanvraag het voornemen overleggen. Biedt het voornemen geen mogelijkheid tot het laten verrichten van een onderzoek, dan zijn de kosten geen noodzakelijke kosten en worden ze niet vergoed. Biedt het voornemen wel een mogelijkheid dan moet aan de hand van het voornemen bepaald worden of de kosten noodzakelijk zijn.

IND beschikking

De IND heeft een beschikking uitgebracht. De advocaat gaat in beroep. Uit de beschikking van de IND moet blijken of de kosten van een te laten verrichten onderzoek noodzakelijke kosten zijn. De advocaat moet ter onderbouwing van zijn aanvraag de IND-beschikking overleggen. Biedt de IND-beschikking geen mogelijkheid tot het laten verrichten van een onderzoek, dan zijn de kosten geen noodzakelijke kosten en worden ze niet vergoed. Biedt de IND-beschikking wel een mogelijkheid dan moet aan de hand van de IND-beschikking bepaald worden of de kosten noodzakelijk zijn en of de advocaat wellicht niet te laat is met het inbrengen van een contra-expertise/onderzoek.”

11. De rechtbank stelt vast dat deze door verweerder gehanteerde beleidsregel niet bij besluit is vastgesteld. Derhalve is er geen sprake van een beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) echter heeft overwogen in de uitspraak van 13 december 2006 (LJN: AZ4321), heeft het niet bekendmaken van een beleidsregel niet tot gevolg dat de inhoud van het daarin neergelegde beleid zonder betekenis is. In een dergelijk geval dient de aanvaardbaarheid van dat beleid in elk afzonderlijk geval te worden aangetoond.

12. De rechtbank is van oordeel dat het door verweerder in de “Handleiding Vergoeding Buitengewone Kosten” van 1 maart 2009 neergelegde criterium “biedt het voornemen geen mogelijkheid tot het laten verrichten van een onderzoek, dan zijn de kosten geen noodzakelijke kosten en worden ze niet vergoed” in dit geval niet redelijk en derhalve niet aanvaardbaar is. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat het (door de IND) niet bieden van een mogelijkheid tot het laten verrichten van een onderzoek niet afdoet aan het zelfstandige recht van eiser om een onderzoek dan wel een contra-expertise te laten verrichten, en dat enkel op grond van het niet bieden van een mogelijkheid als vorenbedoeld niet kan worden gezegd dat de contra-expertise niet noodzakelijk is. Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen de uitleg die in de toelichting op artikel 17 van de Rva 2005 aan het begrip “noodzakelijk” is gegeven. De vraag of de IND eiser in het onderhavige geval na uitreiking van het voornemen al dan niet in de gelegenheid heeft gesteld om een contra-expertise te doen verrichten is, gelet op het voorgaande, niet relevant. Dit geldt evenzeer voor de opmerking van verweerder dat het eiser in beginsel echter wel vrij staat om een contra-expertise te laten verrichten.

13. Ten aanzien van de stellingname van verweerder dat bovendien geen sprake is van noodzakelijk kosten, nu de onderzoeksresultaten van een documentenonderzoek vastgestelde feiten betreffen waarvan geen weerlegging mogelijk is en dat de rechter in de asielprocedure het documentenonderzoek kan toetsen, oordeelt de rechtbank als volgt.

14. Volgens vaste jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2008 (LJN: BC5224), dient van de juistheid van een op ambtseed of op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, waarvan in het onderhavige geval sprake is, te worden uitgegaan, tenzij door de vreemdeling tegenbewijs is geleverd. Evenzo mag de Staatssecretaris van Justitie volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling over de waarde die de Staatssecretaris van Justitie aan deskundigenadviezen kan toekennen, bij de beoordeling van de asielaanvraag in beginsel uitgaan van de conclusies van een deskundigenadvies, waaronder voormelde verklaring van onderzoek van het Bureau Documenten moet worden begrepen, indien het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, tenzij sprake is van concrete aanknopingspunten om aan de juistheid en volledigheid daarvan te twijfelen. Het is daarom alleszins aannemelijk dat van eiser - in zijn asielprocedure - zal worden verlangd dat hij een tegenadvies laat opstellen en inbrengt, indien hij het deskundigenbericht van het Bureau Documenten wenst aan te tasten. Eiser kan volgens vaste jurisprudentie in dat geval immers niet enkel volstaan met het plaatsen van kritische kanttekeningen bij het rapport.

15. De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Gravenhage, van 25 november 2009 (AWB 09/3201), leidt de rechtbank niet tot een andersluidend oordeel. In genoemde uitspraak is een vergelijking gemaakt tussen de uitkomsten van een onderzoek taalanalyse en van documentenonderzoek. Voorzover volgens verweerder uit deze vergelijking volgt dat de onderzoeksresultaten van een documentenonderzoek, in tegenstelling tot die van een taalanalyse, vastgestelde feiten betreffen waarvan weerlegging niet mogelijk is, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Ook ingeval van documentenonderzoek kan sprake zijn van onvolkomenheden in het onderzoek zelf danwel van een onjuiste conclusie. Dat de rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Gravenhage, dit ook onderkent blijkt overigens reeds uit de overweging dat indien het Bureau Documenten vaststelt dat het document vals is, een andere conclusie bijna niet mogelijk is. In dit kader is tevens van belang dat, anders dan verweerder stelt, geen sprake is van een vergelijkbare zaak. In genoemde uitspraak ging het om een identiteitskaart waarbij was vastgesteld dat deze onder andere was voorzien van een pasfoto met daarop een andere persoon dan eiser. In de onderhavige zaak gaat het daarentegen om een identiteitskaart die volgens het proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee van 6 oktober 2008, wat betreft detaillering, toegepast basismateriaal en gebruikte productie-, druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkomt met intern bekende informatie. Anders dan verweerder in het verweerschrift stelt, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit voornoemd proces-verbaal niet dat de identiteitskaart van eiser was voorzien van een pasfoto van een andere persoon dan eiser.

16. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser verzochte vergoeding in verband met het laten verrichten van een contra-expertise documentenonderzoek, niet is aan te merken als vergoeding van noodzakelijke kosten in vorenbedoelde zin.

17. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Om die reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking en zal het beroep gegrond worden verklaard.

18. Nu het beroep gegrond wordt verklaard acht de rechtbank voorts termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

19. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. C.F.E. van Olden- Smit als voorzitter en mr. J. van de Kraats en

mr. M. van den Brink als leden in tegenwoordigheid van mr. E.C.J. Kohl als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2009.