Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL1605

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
347700 / HA RK 09-485 Wrakingsnummer 2009/18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE – MEERVOUDIGE WRAKINGSKAMER

Wrakingsnr. 2009/18

rekestnummmer: 347700 / HA RK 09-485

zaaknummer: 746410 / CV EXPL 08-2719

datum beschikking: 5 november 2009

BESCHIKKING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] B.V.

gevestigd te Amsterdam

verzoekster,

gemachtigde: mr. [A]

tegen

Mr. [X]

kantonrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage, locatie Delft

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1 Verzoekster heeft bij de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, een procedure aanhangig gemaakt tegen [B] (hierna: [B]). In deze procedure heeft mr. [X] een comparitie gelast. Deze comparitie heeft wegens verhinderingen aan de zijde van verzoekster tweemaal geen doorgang kunnen vinden. De comparitie heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 17 april 2009, waarbij verzoekster werd vertegenwoordigd door mr. [C] (hierna: [C]).

Bij tussenvonnis van 25 juni 2009 heeft mr. [X] verzoekster een bewijsopdracht gegeven en partijen in de gelegenheid gesteld om in verband met een te plannen getuigenverhoor hun verhinderdata op te geven.

Bij tussenvonnis van 27 augustus 2009 heeft mr. [X] de datum van het te houden getuigenverhoor bepaald op 21 september 2009, te 14.30 uur.

Bij brieven van 3 september 2009, 8 september 2009 en 9 september 2009 heeft verzoekster mr. [X] verzocht een andere datum voor het getuigenverhoor te bepalen wegens een kort geding elders op hetzelfde tijdstip. Dit heeft mr. [X] geweigerd.

1.2 Bij brief van 11 september 2009 heeft mr. [A] (hierna: [A]) namens verzoekster een verzoek tot wraking van mr. [X] ingediend.

1.3 Mr. [X] heeft schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. Deze reactie is op 22 september 2009 door de wrakingskamer ontvangen.

1.4 Verzoekster heeft bij brief van 29 september 2009 gereageerd op de uiteenzetting van mr. [X].

1.5 Bij brief van 21 september 2009 heeft mr. [D] namens [B] een reactie gegeven op het wrakingsverzoek.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 26 oktober 2009 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld.

Verzoekster is niet verschenen. Verzoekster heeft de wrakingskamer per telefax pleitnotities doen toekomen.

Namens [B] is mr. [D] verschenen.

Mr. [X] is, na voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

3. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster heeft het volgende ten grondslag gelegd aan haar wrakingsverzoek:

3.1 Ter comparitie heeft mr. [X] aan [C] vragen gesteld over de afwezigheid van [A]. Ook heeft mr. [X] vervelende opmerkingen gemaakt over het feit dat [C] niet bevoegd was een regeling in der minne te treffen.

3.2 Verzoekster wilde [A] voorbrengen als getuige in de procedure tegen [B]. Verzoekster kreeg pas daags voor de ontvangst van het tussenvonnis waarbij de datum voor het getuigenverhoor op 21 september 2009 werd bepaald, bericht dat een kort geding dat [A] moest bijwonen op dezelfde dag en tijdstip zou plaatsvinden. Verzoekster had deze datum derhalve niet als verhinderdatum kunnen opgeven. Door de weigering van mr. [X] om een andere datum te bepalen voor het getuigenverhoor, werd het verzoekster onmogelijk gemaakt om bewijs te leveren door het doen horen van getuigen, waaronder [A] zelf.

3.3 Deze handelwijze van mr. [X], in relatie met zijn opmerkingen ter comparitie, leidt ertoe dat de schijn van partijdigheid aanwezig is.

4. Het standpunt van mr. [X]

4.1 In zijn schriftelijke reactie heeft mr. [X] te kennen gegeven dat hij niet in de wraking berust. Mr. [X] bevestigt dat hij kritische vragen heeft gesteld over de aard van de aan [C] verstrekte machtiging, dit in verband met de in het vonnis opgenomen bepaling dat de vennootschap deugdelijk vertegenwoordigd dient te zijn. Hij stelt dat hij eveneens is ingegaan op de afwezigheid van [A], nu voor de comparitie tweemaal aanhouding was verzocht en verkregen wegens mededelingen van verzoekster over de noodzaak van de persoonlijke aanwezigheid van haar directeur, [A]. In het licht van deze voorgeschiedenis en het tevoren aangekondigde doel van de comparitie acht mr. [X] deze vragen gerechtvaardigd.

4.2 Met betrekking tot het getuigenverhoor brengt mr. [X] naar voren dat in het tussenvonnis van 25 juni 2009 is vermeld dat partijen de gelegenheid zou worden geboden hun verhinderdata op te geven. Hierbij is ook aangegeven dat behoudens zeer bijzondere omstandigheden geen uitstel van de zitting zou worden verleend. Op de rol van 30 juli 2009 heeft verzoekster geen verhinderdata opgegeven. Hierna is de zaak verwezen naar de rol van 6 augustus 2009, waarbij verzoekster is meegedeeld dat zij alsnog verhinderdata zou kunnen opgeven. Nadat verzoekster op de rol van 6 augustus 2009 niets van zich had laten horen, is de datum voor het getuigenverhoor bepaald op 21 september 2009. Nu verzoekster geen verhinderdata had opgegeven, mocht van haar verwacht worden dat zij op de voor het getuigenverhoor bepaalde datum getuigen zou voorbrengen. In het licht hiervan leverde de vereiste aanwezigheid bij een kort geding in Amsterdam een niet voldoende absolute verhindering op voor verzoekster, aldus mr. [X].

5. Het standpunt van [B]

Namens [B] is aangevoerd dat van partijdigheid van mr. [X] geen sprake was. Ter comparitie heeft mr. [X] alleen opgemerkt dat de afwezigheid van [A] opvallend was, aangezien verzoekster diverse aanhoudingen had verzocht met het argument dat [A] zelf aanwezig wilde zijn. Voorts is namens [B] naar voren gebracht dat verzoekster geen verhinderdata heeft opgegeven en dat zij zich bij het kort geding had kunnen laten vervangen. Volgens [B] maakt verzoekster misbruik van procesrecht door het verzoek tot wraking, aangezien dit erin heeft geresulteerd dat het getuigenverhoor geen doorgang heeft gevonden.

6. Beoordeling

6.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.2 De afwijzing van het verzoek om uitstel van het getuigenverhoor is een procedurele beslissing. Volgens vaste jurisprudentie is wraking niet bedoeld als rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen. De juistheid van de beslissing van mr. [X] met betrekking tot het verzoek om uitstel is niet ter beoordeling van de wrakingskamer. Daarover kan in hoger beroep worden geklaagd. Procedurele beslissingen kunnen slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek indien uit die procedurele beslissingen blijkt van een vooringenomenheid van de rechter die deze beslissingen genomen heeft. Naar het oordeel van de wrakingskamer wijzen de door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden daar niet op. Het enkele feit dat mr. [X] een beslissing heeft genomen waar verzoekster zich niet in kan vinden, geeft geen blijk van (schijn van) vooringenomenheid jegens verzoekster. Dat de afwezigheid van [A] ter comparitie bij mr. [X] bevreemding wekte en aanleiding vormde voor vragen, acht de wrakingskamer gezien de verzoeken tot aanhouding begrijpelijk. Dit geldt eveneens voor de opmerking over het feit dat [C] niet gemachtigd was een regeling in der minne te treffen. De door mr. [X] gemaakte opmerkingen leveren geen schijn van partijdigheid op.

6.3 Naar het oordeel van de rechtbank doen zich ook overigens geen omstandigheden voor die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor een gebrek aan onpartijdigheid van mr. [X] dan wel de uiterlijke schijn daarvan, zodat het verzoek dient te worden afgewezen.

7. Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het geding wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat deze beslissing onverwijld wordt medegedeeld aan:

* verzoekster p/a haar gemachtigde mr. [A]

* [B] p/a zijn gemachtigde mr. [D];

* de kantonrechter mr. [X].

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2009 door mrs Von Maltzahn, Aarts en Bergman in tegenwoordigheid van mr. Ligthart als griffier.