Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL1033

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
AWB 09/2810
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN2526, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Armenië / Azeri / 3 EVRM / motivering

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen stellen dat eiseres toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter vaststelling van de identiteit en nationaliteit en in redelijkheid het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kunnen tegenwerpen.

De rechtbank is van voorts oordeel dat verweerder eiseres heeft kunnen tegenwerpen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij staatloos is. Gelet op de inhoud van het ambtsbericht van 14 augustus 2002, met name het daarin genoemde artikel 10, derde lid, van de Wet op het Staatsburgerschap van de Republiek Armenië, heeft verweerder mogen stellen dat eiseres als Armeens staatsburger kan worden beschouwd. Nu eiseres vanaf 1990 langdurig in de Russische Federatie heeft verbleven, heeft verweerder in ieder geval een permanente verblijfplaats buiten Armenië mogen aannemen en op grond daarvan mogen oordelen dat wordt voldaan aan de vereisten van de genoemde bepaling. Verweerder heeft gelet hierop als uitgangspunt voor de verdere beoordeling van de asielaanvraag kunnen nemen dat slechts relevant is of eiseres bij terugkeer naar Armenië heeft te vrezen voor vervolging dan wel dat zij het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiseres heeft - met name met het oog op het tijdsverloop sinds haar vertrek uit Armenië - niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer nog persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging in verband met hetgeen haar in Armenië is overkomen in de periode voor haar vertrek. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter wel aanleiding voor de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of eiseres vanwege het feit dat zij kind is uit een gemengd huwelijk tussen een Azeri-moeder en een Armeense vader een risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, indien zij moet terugkeren naar Armenië. Naar het oordeel van de rechtbank behoort eiseres tot de groep van (potentieel) terugkerende etnische Azeri ten aanzien waarvan in het algemeen ambtsbericht Armenië van 10 maart 2008 wordt aangegeven dat de mate van veiligheid bij terugkeer niet valt te voorspellen en voor wie volgens het UNHCR geen garantie bestaat dat de leden van die groep bij terugkeer zonder problemen door de Armeense bevolking zal worden opgenomen. Onder die (onzekere) omstandigheden had verweerder naar het oordeel van de rechtbank verder dienen te onderzoeken of eiseres bij terugkeer een risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM (zie ook de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 18 november 2008 met nummers AWB 07/28157 en AWB 07/28158, LJN: BI8837). Aangezien verweerder dat onderzoek niet heeft verricht is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 09/2810, V-nummer: [v-nummer] ,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[eiseres] , eiseres,

mede namens haar twee minderjarige kinderen,

gemachtigde: mr. P.J. Wapperom, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 13 januari 2009 afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Tevens heeft verweerder bij dit besluit ambtshalve beslist dat eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het 'buiten schuld-beleid' wordt verleend.

Tegen dit besluit, voor zover het betreft de afwijzing van de asielaanvraag, heeft eiseres bij faxbericht van 28 januari 2009 beroep ingesteld.

De zaak is op 11 november 2009 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiseres is, in het bijzijn van haar kinderen en echtgenoot, ter zitting verschenen, waar zij is bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen E. Abkarian, tolk in het Armeens.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), voor zover hier van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.2. Het bestreden besluit

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in verband met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiseres geen documenten heeft overgelegd ter vaststelling van haar identiteit en nationaliteit, terwijl niet is gebleken dat het ontbreken van die documenten aan eiseres niet kan worden toegerekend.

Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiseres staatloos is. Verweerder baseert zich daarvoor op het algemeen ambtsbericht inzake 'Staatsburgerschaps- en Vreemdelingenwetgeving in de republieken van de voormalige Sovjet-Unie', van 14 augustus 2002 (DPV/AM-743442). Eiseres kan worden beschouwd als Armeens staatsburger, aldus verweerder.

Dit betekent volgens verweerder dat slechts relevant is of eiseres ten aanzien van Armenië een gegronde vrees voor vervolging heeft of bij terugkeer naar dat land het risico loopt te worden behandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Verweerder gaat dan ook voorbij aan de problemen die eiseres zegt te hebben ondervonden in de Russische Federatie.

Het asielrelaas van eiseres, voor zover dat inhoudt dat zij voor haar vertrek uit Armenië in 1990 problemen heeft ondervonden vanwege het feit dat zij kind is uit een gemengd huwelijk tussen een Azeri-moeder en een Armeense vader, acht verweerder geloofwaardig. De daaraan ontleende vrees wordt echter niet aannemelijk geacht. Verweerder beroept zich daarvoor onder meer op WBV 2008/16. Dat eiseres bij terugkeer dezelfde problemen zal meemaken als bij haar vertrek in 1990 maakt dit niet anders, aldus verweerder.

Het beroep van eiseres op haar medische omstandigheden kan gezien het advies van Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) van 25 juli 2008 niet leiden tot inwilliging van de aanvraag op grond van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM.

De door eiseres aangevoerde omstandigheden zijn niet voldoende voor een geslaagd beroep op het traumatabeleid.

Eiseres komt dan ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000.

Tot slot overweegt verweerder ambtshalve dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het bijzondere beleid inzake vreemdelingen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten.

2.3. De gronden van het beroep

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Eiseres meent dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten ter staving van haar identiteit en nationaliteit haar gelet op haar vluchtsituatie niet kan worden toegerekend.

Voorts stelt eiseres dat zij, gezien haar gemengde afkomst, het ontbreken van identiteitsdocumenten, haar vertrek uit Armenië in 1990 en haar langdurig illegaal verblijf in Rusland, geen identiteitsdocumenten dan wel het Armeens staatsburgerschap zal kunnen verkrijgen. Eiseres stelt dan ook staatloos te zijn en in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het staatlozenbeleid.

Ook de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de Russische Federatie hadden in de beoordeling moeten worden betrokken, aldus eiseres.

Ten aanzien van de stelling van verweerder dat eiseres haar vrees voor vervolging dan wel de volgens eiseres te verwachten behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM niet aannemelijk heeft gemaakt, geeft eiseres aan dat de verwijzing door verweerder naar WBV 2008/16 niet opgaat, omdat dat beleid slechts betrekking heeft op etnische Azeri die in Armenië zijn gebleven en die het land nimmer hebben verlaten. Op eiseres is het beleid ten aanzien van etnische Azeri van toepassing, zoals dat gold ten tijde van haar aanvraag in september 2005. Eiseres verwijst in dit verband naar de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Armenië, van 21 juli 2004 en 19 december 2006. Hieruit blijkt dat etnische Azeri wel degelijk het risico lopen te worden geconfronteerd met (verbaal) geweld door de bevolking of de autoriteiten. Bovendien blijkt hieruit dat er geen informatie over de terugkeer van etnische Azeri bekend is.

Eiseres meent dat zij als alleenstaande, zieke, etnische Azeri-vrouw niet kan terugkeren naar Armenië. Volgens het BMA-advies zal bij het uitblijven van een behandeling een medische noodsituatie op korte termijn ontstaan. Een goede medische behandeling is voor eiseres in Armenië niet beschikbaar. Als etnische Azeri zal zij geen toegang krijgen tot de medische voorzieningen. Verweerder is voorts ten onrechte voorbij gegaan aan de verklaring van de behandelend psychiater van 19 september 2008.

Eiseres behoort in Armenië tot een kwetsbare minderheidsgroep. Ten onrechte is door verweerder niet onderzocht in hoeverre de Salah Sheek-jurisprudentie op eiseres van toepassing is. Getoetst had moeten worden aan WBV 2007/19. Het conflict dat eiseres in 1990 is ontvlucht had moeten worden aangemerkt als een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

Tot slot meent eiseres dat zij voldoet aan de voorwaarden van het traumatabeleid.

2.4. Het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat eiseres toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter vaststelling van haar identiteit en nationaliteit. Verweerder heeft eiseres mogen aanrekenen dat zij destijds bij het verlaten van haar woning haar geboorteakte en schooldiploma's niet heeft meegenomen. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kunnen tegenwerpen.

2.4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals de uitspraak van 19 juli 2004 met nummer 200403516/1 (LJN: AQ6596), maakt het onderzoek naar de nationaliteit van de vreemdeling aan de hand van het recht van een vreemde staat deel uit van de beoordeling van het relaas voor wat betreft de feiten, indien een vreemdeling stelt staatloos te zijn. Ingevolge artikel 31, eerste lid, is het aan de vreemdeling om de gestelde nationaliteit of staatloosheid aannemelijk te maken. Vervolgens is het primair de verantwoordelijkheid van verweerder om op basis van hetgeen de vreemdeling heeft gesteld en van hetgeen hem over het nationale recht van het land van herkomst uit ambtsberichten en eventuele andere objectieve bronnen bekend is te beoordelen of een vreemdeling daarin is geslaagd. Dit oordeel kan door de rechtbank slechts terughoudend worden getoetst.

2.4.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij staatloos is. Gelet op de inhoud van eerdergenoemd ambtsbericht van 14 augustus 2002, met name het daarin genoemde artikel 10, derde lid, van de Wet op het Staatsburgerschap van de Republiek Armenië, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres als Armeens staatsburger kan worden beschouwd. Nu eiseres vanaf 1990 langdurig in de Russische Federatie heeft verbleven, heeft verweerder in ieder geval een permanente verblijfplaats buiten Armenië mogen aannemen en op grond daarvan mogen oordelen dat wordt voldaan aan de vereisten van de genoemde bepaling. Eiseres heeft haar stelling dat zij na een verblijf van meer dan

10 jaar in de Russische Federatie van rechtswege het staatsburgerschap van de Russische Federatie heeft verkregen pas ter zitting ingenomen en voorts niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan verder voorbij zal gaan.

2.4.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het in 2.4.3. overwogene, als uitgangspunt voor de verdere beoordeling van de asielaanvraag van eiseres kunnen nemen dat slechts relevant is of eiseres bij terugkeer naar Armenië heeft te vrezen voor vervolging dan wel dat zij het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

2.4.5. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres - met name met het oog op het tijdsverloop sinds haar vertrek uit Armenië - niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer nog persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging in verband met hetgeen haar in Armenië is overkomen in de periode voor haar vertrek. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter wel aanleiding voor de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of eiseres vanwege het feit dat zij kind is uit een gemengd huwelijk tussen een Azeri-moeder en een Armeense vader een risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, indien zij moet terugkeren naar Armenië. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

2.4.6. Het door verweerder gehanteerde Algemeen ambtsbericht Armenië van 10 maart 2008 vermeldt ten aanzien van etnische Azeri onder meer het volgende (p. 64-65):

"Na 1988 is vrijwel de gehele Azerbeidzjaanse minderheid, als gevolg van het conflict in Nagorny Karabach, uit Armenië en Nagorny Karabach vertrokken. Geen enkele bron kan betrouwbare cijfers geven over het huidige aantal etnische Azeri. Schattingen lopen uiteen van enkele tientallen tot enkele honderden personen, vooral ouderen, vrouwen en kinderen van gemengd gehuwden.

In de afgelopen jaren is geen informatie bekend geworden die zou duiden op vervolging van Azeri zijdens de overheid of intolerantie van de kant van de Armeense bevolking jegens hen. Volgens een gezaghebbende bron zijn zij in het dagelijkse leven volledig geaccepteerd, en hebben niets te vrezen. Dit zou wel het geval kunnen zijn wanneer zich conflicten aandienen waarbij Azeri betrokken zijn. Hoewel er geen concrete voorbeelden bekend zijn, kan het voorkomen dat een etnische Azeri in dergelijke situaties mogelijk slachtoffer kan worden van (verbaal) geweld.

De Azeri die momenteel in Armenië woonachtig zijn, laten hun etniciteit zo weinig mogelijk blijken. Zij worden beschouwd als Armeens staatsburger met de hiermee verbonden rechten en plichten. Lokale mensenrechten NGO's en de ombudsman melden dat zij nooit klachten van Azeri hebben ontvangen over discriminatie of geweld van de overheid of burgers hebben ondervonden. Dit zal mede te maken hebben met het feit dat deze Azeri in Armenië sociaal geïntegreerd zijn en zich niet als etnische Azeri profileren. Ze spreken Armeens, hebben veelal Armeense namen aangenomen en hebben in veel gevallen een baan, soms bij de overheid. Contacten met de pers, met vertegenwoordigers van internationale organisaties of zelfs met Azeri uit Azerbeidzjan gaan zij gewoonlijk uit de weg.

(...)

Terugkeer van etnische Azeri die oorspronkelijk uit Armenië afkomstig zijn, komt in de praktijk, voor zover bekend, niet voor. Het is dus niet bekend of etnische Azeri, indien zij zich als zodanig bekend maken, problemen krijgen wanneer ze Armenië binnen willen komen. De mate van veiligheid voor etnische Azeri afkomstig uit Armenië die terugkeren naar Armenië, valt niet te voorspellen. Volgens UNHCR bestaat er geen garantie dat etnische Azeri bij terugkeer naar of bij eerste vestiging in Armenië zonder problemen door de Armeense bevolking worden opgenomen. De wet op het staatsburgerschap maakt geen onderscheid op grond van etniciteit en de Armeense autoriteiten dienen dus documenten te verschaffen aan etnische Azeri afkomstig uit Armenië. Hoe dit in de praktijk gaat is onbekend."

2.4.7. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres, die Armenië in 1990 heeft verlaten en tot haar komst naar Nederland in 2006 in de Russische Federatie heeft verbleven, niet worden gerekend tot de in het ambtsbericht beschreven groep van etnische Azeri die geen dan wel minder snel een risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM loopt, vanwege het feit dat deze groep sociaal geïntegreerd is. Eiseres behoort tot de groep van (potentieel) terugkerende etnische Azeri ten aanzien waarvan in het ambtsbericht wordt aangegeven dat de mate van veiligheid bij terugkeer niet valt te voorspellen en voor wie volgens het UNHCR geen garantie bestaat dat de leden van die groep bij terugkeer zonder problemen door de Armeense bevolking zal worden opgenomen. Onder die (onzekere) omstandigheden had verweerder naar het oordeel van de rechtbank verder dienen te onderzoeken of eiseres bij terugkeer een risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM (zie ook de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 18 november 2008 met nummers AWB 07/28157 en AWB 07/28158, LJN: BI8837). Aangezien verweerder dat onderzoek niet heeft verricht is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

2.4.8. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat het bestreden besluit moet worden vernietigd en dat het beroep gegrond is. De overige beroepsgronden van eiseres behoeven met het oog hierop verder geen bespreking.

2.4.9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Op 1 oktober 2009 is in werking getreden het Besluit houdende aanpassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de indexering van bedragen in die bijlage. Artikel II van het besluit bepaalt dat ten aanzien van bezwaar of beroep dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit is ingesteld, de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing blijft zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht dan ook vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 322,- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiseres nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

2.4.10. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder eiseres de proceskosten vergoedt die zij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus gegeven door mr. C.J. van der Wilt, rechter, en door deze en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.