Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL1022

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2009
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
AWB 09/11103
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser met name kunnen tegenwerpen dat hij geen documenten ter onderbouwing van zijn reisroute heeft overgelegd en dat hij het ontbreken van die documenten niet heeft gecompenseerd door het afleggen van gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent die reisroute en op grond hiervan de afwijzing van de asielaanvraag mede kunnen baseren op artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat het asielrelaas van eiser geen positieve overtuigingskracht heeft, onvoldoende heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit is, nu dit in een aantal opzichten ontoereikend is gemotiveerd, genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is daarmee gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 09/11103, V-nummer: [v-nummer] ,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. drs. J.M. Walls, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. H. Hanssen-Telman, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 27 maart 2009 - voor zover thans van belang - afwijzend beslist op de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 30 maart 2009 beroep ingesteld.

Het beroep is op 15 december 2009 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen M. Dupont, tolk in het Frans.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van die bepaling, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.2. Het bestreden besluit

Verweerder heeft in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen van 13 februari 2009, de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen met toepassing van artikel 31, eerste lid, in verband met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en reisroute te kunnen vaststellen. Ook heeft eiser geen documenten overgelegd ter staving van zijn asielrelaas. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen. Verweerder vindt dat hiermee reeds op voorhand afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser.

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht heeft. Eiser heeft op essentiële punten vage, summiere en bevreemdingwekkende verklaringen afgelegd. Dit maakt dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is, waardoor eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, aldus verweerder.

2.3. De gronden van het beroep

Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft tegengeworpen. Uitgaande van de geloofwaardigheid van het asielrelaas kan hem geen ongedocumenteerdheid worden verweten, aldus eiser.

Eiser stelt voorts geloofwaardig te hebben verklaard. De door verweerder genoemde vaagheden, tegenstrijdigheden en ongerijmde wendingen zijn vergezocht en niet op logica gebaseerd. Zo is onbegrijpelijk dat eiser wordt tegengeworpen dat hij niet weet of zijn vader nu wel of niet is gedood. Het is onterecht dat van eiser wordt gevergd dat hij zelf meer onderzoek doet naar het lot van zijn familie. Immers, eiser was op de vlucht en hij werd binnengehouden door [oom 1] . Ook kan van hem niet worden verwacht dat hij aangifte zou doen bij de politie, aangezien juist de politie werd aangevallen door de militairen. Voorts kan van eiser, die minderjarig is, niet worden verwacht te weten wat voor zaken zijn vader met zijn blanke [oom 2] deed.

Eiser beroept zich verder op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, waaraan verweerder volgens hem heeft verzuimd te toetsen. Eiser verwijst daarvoor naar het algemeen ambtsbericht inzake Guinee van 20 maart 2008, waarin beschreven staat dat er met name begin 2007 in Guinee sprake was van een verslechterde veiligheidssituatie. Eiser wijst tevens op het negatieve reisadvies van de Minister van Buitenlandse Zaken van

28 maart 2008. Sinds 20 mei 2008 is de veiligheidssituatie in het hele land, maar vooral in de hoofdstad Conakry, opnieuw instabiel, aldus eiser.

2.4. Het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn asielaanvraag. Met name heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij geen documenten ter onderbouwing van zijn reisroute heeft overgelegd en dat hij het ontbreken van die documenten niet heeft gecompenseerd door het afleggen van gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent die reisroute. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser toerekenbaar heeft verzuimd zijn studentenkaart en geboorteakte uit Guinee mee te nemen. Op grond hiervan heeft verweerder de afwijzing van de asielaanvraag reeds mede kunnen baseren op artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, zodat het ontbreken van documenten ter onderbouwing van eisers asielrelaas (de overlijdensakte van zijn vader) verder buiten beschouwing kunnen blijven.

2.4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mogen, indien aan een vreemdeling het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt tegengeworpen, ingevolge het eerste lid van dat artikel, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling en de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas, om het geloofwaardig te achten, geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet in dat geval positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.4.3. Het asielrelaas van eiser komt op het volgende neer. Guinese militairen hebben de vader van eiser - die politieagent was - voor de ogen van eiser en zijn familie op

18 juni 2008 mishandeld naar aanleiding van een politiestaking op 16 juni 2008. Eiser is toen gevlucht en heeft een aantal weken in de woning van ' [oom 1] ' doorgebracht, voordat hij met het vliegtuig naar Nederland kwam met ' [oom 2] ', een blanke man. In de woning van ' [oom 1] ' kreeg hij (onbedoeld) te horen dat zijn vader was vermoord en dat de rest van zijn familie spoorloos was. De beide ooms zijn op zoek gegaan naar zijn familie en eiser moest binnen blijven, omdat zijn ooms niet wilden dat hem iets zou overkomen. Eiser is op

5 juli 2008 naar Nederland vertrokken met ' [oom 2] '.

2.4.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat het asielrelaas van eiser geen positieve overtuigingskracht heeft, onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

2.4.5. Verweerder baseert zijn stellingname dat het niet aannemelijk is dat eiser niets over het lot van zijn familie kan vertellen naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het bericht 'Guinea military chiefs hold emergency meeting on police strike' van Associated Press van 19 juni 2008. Anders dan verweerder betoogt, volgt uit dit bericht namelijk niet dat de identiteit van de slachtoffers al snel na het ingrijpen van de militairen bekend is geworden. In dit bericht wordt slechts iets aangegeven omtrent de mogelijke hoeveelheid slachtoffers.

2.4.6. Voorts acht de rechtbank het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd voor zover het inhoudt dat bevreemdingwekkend is dat eiser niet zelf op zoek is gegaan naar zijn vader dan wel dat hij geen pogingen heeft ondernomen om te achterhalen wat er met zijn vader is gebeurd. Uit het asielrelaas volgt dat eiser, daartoe aangemaand door zijn familie, op de vlucht was geslagen, omdat de kans bestond dat de militairen ook hem (en zijn familie) zouden mishandelen of oppakken wanneer zij met zijn vader klaar waren. Verder volgt daaruit dat hij door zijn ' [oom 1] ' werd beschermd tegen zijn wraakzucht door hem in de woning te houden. Wel heeft hij ' [oom 1] ' steeds met klem verzocht om informatie over de toestand van zijn familie. Eiser werd hierop herhaaldelijk de belofte gedaan dat op zoek zou worden gegaan naar zijn vader. Gelet op deze elementen in het asielrelaas van eiser heeft verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat bevreemdingwekkend is dat eiser niet zelf op zoek is gegaan naar zijn vader dan wel dat hij geen pogingen heeft ondernomen om te achterhalen wat er met zijn vader is gebeurd.

2.4.7. Op zichzelf terecht merkt verweerder op dat eiser niet kan uitleggen waarom het motief van zijn vader om niet direct te vluchten voor de militairen zou zijn gelegen in de aanwezigheid van een blanke man (' [oom 2] ') in de woning. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder dit gegeven echter niet zonder meer gebruiken ter onderbouwing van zijn standpunt dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is. Immers, duidelijk is dat eiser op vragen van verweerder gist naar de reden waarom zijn vader niet direct is gevlucht. Eiser heeft dit zijn vader niet gevraagd of kunnen vragen. Gezien de inhoud van het asielrelaas van eiser is echter ook goed voorstelbaar dat het gedrag van zijn vader was ingegeven door zijn wens om zijn familie niet in gevaar te brengen. In het bestreden besluit is er door verweerder geen blijk van gegeven dat met een dergelijke alternatief scenario (waarover eiser niet anders dan speculatief had kunnen verklaren) rekening is gehouden. In zoverre is het bestreden besluit dan ook onvoldoende gemotiveerd.

2.4.8. De stellingname van verweerder dat het bevreemding wekt dat eiser geen aangifte heeft gedaan bij de autoriteiten van de vermissing van zijn familie, aanzien hij geen vervolging door de autoriteiten te vrezen had en uit het genoemde artikel van Associated Press volgt dat de regering alles in het werk stelde om de veiligheid van burgers te garanderen, is naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende gemotiveerd. In de eerste plaats omdat in het bestreden besluit niet duidelijk wordt gemaakt op welke autoriteiten wordt gedoeld, hoewel dit wel van belang is, omdat eiser juist op de vlucht was voor militaire autoriteiten. In de tweede plaats blijkt uit het asielrelaas van eiser dat hij door ' [oom 1] ' in de woning werd gehouden. Onder die omstandigheden kan het niet doen van aangifte aan eiser niet zonder nadere motivering (die ontbreekt) worden tegengeworpen.

2.4.9. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank evenmin in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bevreemdingwekkend is dat eiser verklaart dat hij in het geheel niets meer van zijn moeder, stiefmoeder, broers en zussen heeft vernomen. Zo is het niet uit te sluiten dat zij in de handen van de militairen zijn gevallen, voordat zij een veilig heenkomen konden vinden. Ingeval van een dergelijk mogelijk alternatief scenario (waarover eiser zelf slechts in speculatieve zin zou kunnen verklaren, omdat hij er verder geen kennis van heeft) ligt het niet zonder meer voor de hand om het ontbreken van contact tussen eiser en de genoemde familieleden bevreemdingwekkend te achten. Het bestreden besluit is dan ook in dit opzicht onvoldoende gemotiveerd.

2.4.10. Omdat het bestreden besluit in een aantal opzichten ontoereikend is gemotiveerd, is het genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank ziet dan ook aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is daarmee gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.4.11. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Op 1 oktober 2009 is in werking getreden het Besluit houdende aanpassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de indexering van bedragen in die bijlage. Artikel II van het besluit bepaalt dat ten aanzien van bezwaar of beroep dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit is ingesteld, de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing blijft zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht dan ook vastgesteld op € 644,- (1 punt voor de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

2.4.12. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling

van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op:

€ 644,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

Aldus gegeven door mr. C.J. van der Wilt, rechter, en door deze en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.