Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL0893

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2009
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
347829 - FA RK 09-7770
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kinderontvoeringszaak. Verzoek moeder tot teruggeleiding naar Nederland van minderjarigen die zich in Duitsland bevinden. Ingevolge HKOV dient rechter van de staat waarnaar kind is ontvoerd te beslissen op verzoek tot teruggeleiding, Nederlandse rechter derhalve onbevoegd. Teruggeleiding in dit stadium van de procedure niet via Brussel IIbis. Het o.g.v. artikel 11 lid 7 Brussel IIbis 'overrulen' van een beslissing van de Duitse rechter tot niet teruggeleiding kan eerst nà een beslissing van de Duitse rechter in een teruggeleidingsprocedure aldaar. T.a.v. gezag e.d. zaak aangehouden in afwachting van onderzoek RvdK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/90 met annotatie van I. Curry-Sumner

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 09-7770

Zaaknummer: 347829

Datum beschikking: 19 oktober 2009

Internationale kinderontvoering/gezag

Beschikking op het op 17 september 2009 ingekomen verzoek van:

[de moeder]

wonende te [woonplaats A.],

advocaat: mr. A.J. van Steensel te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader]

wonende te [plaats B.] (Duitsland),

advocaat: mr. Y. Bérénos te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het aanvullend verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;

- het faxbericht d.d. 5 oktober 2009 van de kant van de vader;

- de brief d.d. 6 oktober 2009 van de kant van de vader, met bijlagen;

- het faxbericht d.d. 7 oktober 2009 van de kant van de moeder, met bijlagen.

Op 8 oktober 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de moeder, vergezeld van haar advocaat;

- de advocaat van de vader;

- namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad):

mevrouw J.J. de Kok en mevrouw C. de Graaf.

Van de zijde van de moeder en van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd. Van de zijde van de vader zijn voorts nadere stukken overgelegd.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De minderjarige [minderjarige dochter], is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek.

Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:

- twee faxberichten d.d. 13 oktober 2009 van de zijde van de vader;

- het faxbericht d.d. 15 oktober 2009 van de zijde van de Raad;

- het faxbericht d.d. 15 oktober 2009 van de zijde van de moeder;

- het faxbericht d.d. 16 oktober 2009 van de zijde van de vader;

- het faxbericht d.d. 19 oktober 2009 (abusievelijk gedateerd 16 oktober 2009) van de zijde van de vader.

Verzoek en verweer

De moeder heeft bij verzoekschrift verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de vader te gelasten de minderjarige kinderen uiterlijk op een door de

rechtbank te bepalen datum terug te brengen naar Nederland en af te geven aan de moeder en voorts, indien de vader de minderjarige kinderen niet op de door de rechtbank vastgestelde datum heeft teruggebracht, te bepalen dat de moeder deze beschikking zelf ten uitvoer mag leggen, desnoods met hulp van politie en justitie,

met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure.

Bij aanvullend verzoekschrift heeft de moeder, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzocht te bepalen dat:

- het gezag over de minderjarige kinderen per datum beschikking alleen aan de

moeder toekomt;

- de omgangsregeling (in verband met de inwerkingtreding op 1 maart 2009 van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (Stb. 2008, 500) hierna te noemen: zorgregeling) tussen de vader en de minderjarigen voor de duur van een jaar wordt opgeschort;

- de vader met ingang van de datum dat de kinderen terug zijn in Nederland voor de duur van zes maanden op geen enkele wijze omgang met de minderjarigen mag hebben, tenzij de Raad voor de Kinderbescherming anders concludeert,

met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure.

De vader heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de moeder. Hij heeft voorts verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat de minderjarige kinderen niet zullen terugkeren, althans te gelasten dat er een onderzoek zal worden gestart teneinde te onderzoeken of de minderjarige kinderen bij terugkeer aan gevaar worden blootgesteld, en daarbij de verzoeken van de moeder af te wijzen;

- met wijziging van de beschikking van 8 mei 2006 de minderjarige kinderen aan de vader toe te vertrouwen;

- met wijziging van de beschikking van 8 mei 2006 de gewone verblijfplaats van de

minderjarige kinderen vast te stellen bij de vader;

- vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige kinderen in te schrijven

op de [school] (Duitsland).

Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt van het volgende uitgegaan.

Partijen zijn op 19 oktober 1996 te [plaats] (Polen) met elkaar gehuwd.

Bij beschikking van 8 mei 2006 van de rechtbank 's-Gravenhage is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 12 september 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Uit het huwelijk van partijen zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige dochter], geboren op [geboortedatum] 1997 te [woonplaats A.];

- [minderjarige zoon], geboren op [geboortedatum] 2003 te [woonplaats A.].

De vader heeft de Nederlandse nationaliteit, de moeder heeft de Poolse nationaliteit en de minderjarige kinderen hebben zowel de Nederlandse als de Poolse nationaliteit.

De ouders oefenen na de echtscheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over deze minderjarigen.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats bij de moeder hebben.

Voorts is bij deze beschikking tussen de vader en de minderjarigen een zorgregeling vastgesteld, waarbij de vader de minderjarige kinderen bij zich mag hebben: in de even jaren de tweede week van de kerstvakantie, de gehele paasvakantie, de gehele meivakantie en de eerste helft van de zomervakantie, en in de oneven jaren de gehele herfstvakantie, de eerste week van de kerstvakantie, de gehele voorjaarsvakantie en de tweede helft van de zomervakantie.

Op 1 augustus 2009 heeft de vader de minderjarige kinderen in het kader van de zorgregeling bij de moeder opgehaald in Nederland en meegenomen naar zijn woning in Duitsland.

De vader heeft de kinderen op 22 augustus 2009 niet teruggebracht naar Nederland. De kinderen verblijven thans bij de vader in Duitsland.

De moeder heeft bij de politie aangifte gedaan van onttrekking aan het ouderlijk gezag.

De vader heeft in februari 2009 contact opgenomen met het AMK en heeft op 8 juni 2009 een schriftelijke melding bij het AMK gedaan.

Het AMK heeft op 21augustus 2009 aan de Raad voor de Kinderbescherming verzocht onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van de kinderen bij beide ouders, teneinde tot een oordeel te komen omtrent de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel.

Op 17 september 2009 heeft de moeder het verzoek tot teruggeleiding ingediend bij de rechtbank.

Op 5 oktober 2009 heeft de moeder het aanvullend verzoekschrift tot eenhoofdig gezag en tot opschorting van de omgang ingediend.

De vader heeft op 7 oktober 2009 het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek ingediend.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Verzoek tot teruggeleiding

De moeder heeft verzocht om teruggeleiding van de kinderen naar Nederland, de staat van het gewone verblijf van de minderjarige kinderen. De moeder heeft de vader diverse malen verzocht de kinderen terug te brengen naar Nederland, maar de vader heeft hieraan geen gehoor gegeven. De vader houdt derhalve de kinderen zonder instemming c.q. toestemming van de moeder achter in Duitsland. De moeder is van mening dat er sprake is van ongeoorloofde achterhouding van de kinderen in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag), zodat de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar Nederland zou moeten volgen. Er is volgens de moeder geen sprake van de in het Verdrag genoemde uitzonderingen en er is minder dan één jaar verstreken tussen het niet doen terugkeren en het indienen van het verzoek bij de rechtbank.

Ter zitting heeft de moeder voorts aangegeven dat haar verzoek tot teruggeleiding mede gebaseerd is op de EG-Verordening nr. 2201/2003 van 27 november 2003 (hierna: Brussel IIbis) en zij heeft daarbij met name gewezen op de exequaturprocedure c.q. het verkrijgen van een certificaat. Volgens de moeder is het ook mogelijk op die manier de teruggeleiding te bewerkstelligen.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot teruggeleiding. Hij is van mening dat voldaan is aan de weigeringsgronden van artikel 13 van het Verdrag. Ten eerste stelt de vader zich op het standpunt dat er een ernstig risico bestaat dat de kinderen bij terugkeer worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand worden gebracht. De vader doelt hierbij op zijn vermoeden van seksueel misbruik door de moeder van [minderjarige zoon].

Voorts heeft de vader aangevoerd dat [minderjarige dochter] zich verzet tegen terugkeer. Volgens de vader zal terugkeer naar de moeder tot grote onrust en problemen leiden.

De rechtbank dient eerst te beoordelen of zij bevoegd is van het verzoek tot teruggeleiding kennis te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoekschrift van de moeder tot teruggeleiding van de kinderen gebaseerd is op het Verdrag. De stelling van de moeder dat de teruggeleiding in dit stadium ook op grond van Brussel IIbis bewerkstelligd kan worden is naar het oordeel van de rechtbank onjuist.

Op grond van artikel 11 lid 7 Brussel IIbis kan de Nederlandse rechter een beslissing van de Duitse rechter tot niet teruggeleiding 'overrulen' door het nemen van een gezagsbeslissing die de teruggeleiding met zich meebrengt. Deze situatie is eerst aan de orde nà een beslissing van de Duitse rechter in een teruggeleidingsprocedure aldaar.

Ingevolge het Verdrag dient de rechter van de staat waarnaar het kind ontvoerd is te beslissen op een verzoek tot teruggeleiding. Dit betekent dat het verzoek tot teruggeleiding bij de rechter in Duitsland ingediend zal moeten worden en dat deze rechter dient te beslissen of de kinderen al dan niet dienen te worden teruggeleid. Het is derhalve niet aan de Nederlandse rechter om over het verzoek tot teruggeleiding te oordelen en de rechtbank zal zich dan ook ten aanzien van dat verzoek onbevoegd verklaren.

Nu de rechtbank zich met betrekking tot de teruggeleiding onbevoegd verklaart, zal zij in het kader van het verzoek tot teruggeleiding niet ingaan op de vraag of er sprake is van ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren van de kinderen danwel of er een terecht beroep is gedaan op de weigeringsgronden uit het Verdrag.

Verzoeken met betrekking tot éénhoofdig gezag, verblijfplaats, zorgregeling en contactverbod

Teneinde te bepalen of de rechtbank rechtsmacht heeft om van deze verzoeken kennis te nemen, zal de rechtbank, nu de kinderen in Duitsland verblijven, wel moeten beoordelen of sprake is van ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren van de kinderen.

In geval van ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind blijven op grond van artikel 10 Brussel IIbis de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had bevoegd.

Van ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren is ingevolge artikel 2 lid 11 Brussel IIbis sprake als dit gebeurt in strijd met het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had en indien dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of het niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. De vader heeft de stelling van de moeder dat er sprake is van ongeoorloofde achterhouding niet betwist. Voorts is door de vader erkend dat de gewone verblijfplaats van de kinderen te [woonplaats A.] is.

Nu er sprake is van ongeoorloofde achterhouding, is de rechtbank, als het gerecht van de lidstaat waar de kinderen onmiddellijk voor het niet doen terugkeren hun gewone verblijfplaats hadden, bevoegd om naar Nederlands recht op de verzoeken met betrekking tot het gezag, de verblijfplaats, de zorgregeling en het contactverbod te beslissen.

De moeder heeft verzocht te bepalen dat zij voortaan alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen zal worden belast. Zij is van mening dat de vader het ouderlijk gezag niet aanwendt in het belang van de kinderen. Hij misbruikt het ouderlijk gezag en brengt onherstelbare geestelijke schade toe aan de kinderen.

De vader heeft de moeder ten onrechte beschuldigd van seksueel misbruik en bovendien daarbij [minderjarige dochter] betrokken door deze beschuldiging met haar te bespreken, aldus de moeder.

De kinderen hebben door toedoen van de vader geen contact meer met hun moeder, familie en vrienden.

Door het uiten van de valse en ernstige beschuldiging aan het adres van de moeder is er geen mogelijkheid meer voor enig overleg tussen de ouders. Voorts zijn de kinderen inmiddels klem geraakt tussen de ouders.

Teneinde te voorkomen dat de vader de kinderen in de toekomst weer naar zich terug zal halen heeft de moeder verzocht de zorgregeling tussen de vader en de kinderen voor de duur van een jaar op te schorten alsmede de vader te verbieden gedurende een periode van zes maanden op enigerlei wijze contact te hebben met de vader. Volgens de moeder is het van belang dat de kinderen tot rust komen en tijd krijgen om de band met hun moeder weer te normaliseren. Ieder contact met de vader zal daarop een inbreuk leveren.

De vader heeft verweer gevoerd. Volgens de vader zijn de kinderen niet klem en verloren geraakt tussen de ouders. Gelet op het vermoeden van seksueel misbruik is het volgens de vader niet mogelijk dat de kinderen bij de moeder terugkeren en is er geen enkele reden om de moeder te belasten met het éénhoofdig gezag.

De vader heeft zijnerzijds op grond van gewijzigde omstandigheden verzocht de gewone verblijfplaats van de kinderen bij hem in Duitsland te bepalen.

Daarnaast heeft de vader verzocht om vervangende toestemming voor het inschrijven van de minderjarigen op de [school] (Duitsland).

De Raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat het in het belang van de kinderen is dat er op korte termijn onderzoek wordt gedaan, en dat dat onderzoek, gelet op het feit dat de kinderen Nederlandstalig zijn, in Nederland plaatsvindt. Voorts acht de Raad het noodzakelijk dat de kinderen, zodra zij weer terug zijn in Nederland, onder toezicht worden gesteld en uit huis worden geplaatst in een neutraal pleeggezin. De Raad is al bezig met het treffen van voorbereidingen en er is een ander pleeggezin beschikbaar dan het eerder voorgestelde pleeggezin. Dit andere pleeggezin is volledig neutraal.

De rechtbank acht de situatie rondom de kinderen uiterst zorgelijk en is van oordeel dat zij thans, zonder dat nader onderzoek is gedaan, niet kan beslissen op de verzoeken van partijen. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat er - in Nederland - onderzoek gedaan wordt naar de vraag wat hun belang met zich brengt ten aanzien van de verschillende verzoeken, te weten het éénhoofdig gezag bij de moeder, de verblijfplaats bij de vader, de opschorting van de zorgregeling en het contactverbod tussen de vader en de kinderen.

Op zich zijn beide ouders van mening dat er onderzoek moet plaatsvinden en dat het beter is voor de kinderen als zij voorlopig in een pleeggezin verblijven. De vader heeft verzocht een ander instituut dan de Raad, zoals bijvoorbeeld FORA, het onderzoek te laten verrichten, gelet op zijn standpunt dat de Raad vooringenomen zou zijn, nu het rapport van het AMK vanuit de Raad naar de moeder zou zijn gestuurd en de vader niet de beschikking over dat rapport had.

Van enige vooringenomenheid bij de Raad is de rechtbank echter niet gebleken. De Raad heeft ter zitting verklaard dat zij bij de start van een onderzoek alle stukken aan partijen ter beschikking stelt en dat de vader op dat moment niet in Nederland was.

De rechtbank ziet dan ook geen reden om niet aan de Raad te verzoeken dit onderzoek te verrichten en dienaangaande rapport uit te brengen en te adviseren. Zij zal derhalve overeenkomstig beslissen.

Mocht de Raad dat nodig vinden, dan kan de Raad uiteraard een nader specialistisch onderzoek laten verrichten. Ter zitting heeft de Raad ook aangegeven dat dat mogelijk zal gebeuren. De rechtbank laat het verder aan de Raad over te beoordelen of en in welke mate contact tussen de kinderen en hun ouders, alsmede met overige familieleden in het belang van de kinderen is.

Hoewel de vader heeft toegezegd zijn medewerking te verlenen aan de overbrenging van de kinderen naar Nederland, is uit het faxbericht d.d. 19 oktober 2009 van de zijde van de vader gebleken dat de kinderen nog niet in Nederland zijn. De Raad kan derhalve thans nog niet starten met het onderzoek. De rechtbank acht de mededeling van de vader dat de Raad nog steeds geen neutraal pleeggezin voorhanden heeft, niet aannemelijk op grond van de mededeling van de Raad ter terechtzitting dat een dergelijk pleeggezin wel voorhanden was.

De rechtbank gaat er van uit dat de moeder nu onverwijld een verzoek tot teruggeleiding zal indienen bij de Duitse rechter. Zodra zij dat gedaan heeft en dit aan de rechtbank heeft gemeld, zal de rechtbank de Nederlandse liaisonrechter internationale kinderbescherming verzoeken ingevolge artikel 24 van de Uitvoeringswet Internationale Kinderbescherming contact op te nemen met de Duitse liaisonrechter, teneinde de zaak in Duitsland extra onder de aandacht te brengen van de bevoegde Duitse rechter.

De rechtbank zal de behandeling van de zaak aanhouden tot 1 december 2009 pro forma. De rechtbank verzoekt de advocaat van de moeder twee weken vóór die datum aan de wederpartij en de rechtbank mede te delen wat de stand van zaken van de procedure in Duitsland is. De rechtbank zal zich vervolgens uitlaten over het vervolg van de procedure.

Mochten de kinderen overigens al eerder in Nederland zijn, dan kan de Raad uiteraard starten met het onderzoek.

Proceskostenveroordeling

Nu de behandeling wordt aangehouden, zal de beslissing op het verzoek van de moeder de vader te veroordelen in de proceskosten eveneens worden aangehouden.

Beslissing

De Rechtbank verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige kinderen;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, zodra de kinderen zich in Nederland bevinden, een onderzoek te verrichten over het gezag, de zorgregeling en een eventueel contactverbod als hierboven overwogen en daarover te rapporteren en adviseren;

houdt de behandeling aan tot 1 december 2009 pro forma; uiterlijk twee weken vóór die datum dient de advocaat van de moeder zich uit te laten omtrent de stand van zaken van de eventueel gestarte teruggeleidingsprocedure in Duitsland;

houdt iedere verdere beslissing, ook ten aanzien van de proceskosten, aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.J. Keltjens, M. Kramer en M. van Loenhoud, kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Pereira Horta-van Dijk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2009.

De griffier is niet in staat deze beschikking mede te ondertekenen.

U kunt tegen deze beschikking - voor zover er definitief is beslist - in hoger beroep gaan bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. U dient dit beroep binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet verdragen internationale ontvoering van kinderen) na de dag van de uitspraak in te stellen. De uitspraakdatum staat in de beschikking vermeld.