Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BL0767

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
AWB 09/4218
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN1927, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van het verslag van een briefing van de vaste Kamercommissie van Economische Zaken over de aanleg van een hoogspanningskabel. Het verslag is opgesteld ten behoeve van intern beraad en bevat persoonlijke beleidsopvattingen. Er is geen sprake van milieu-informatie zodat verweerder niet verplicht was tot een belangenafweging als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Wob. Openbaarmaking is op goede gronden geweigerd. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/4218 WOB

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

de stichting Stichting De Groene Landscheiding N470, gevestigd te Zoetermeer, eiseres,

gemachtigde mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te Den Haag,

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM), verweerder.

IPROCESVERLOOP

Bij besluit van 3 oktober 2008 heeft verweerder het verzoek van eiseres ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 16 juni 2009, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum en van gronden voorzien bij brief van 13 juli 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Tevens heeft verweerder een aantal stukken overgelegd, waarbij verweerder heeft aangegeven dat kennisname - met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb - beperkt dient te blijven tot de rechtbank.

De zaak is op 26 augustus 2009 ter zitting behandeld.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [A], [B] en haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P. Beudeker en [C].

IIOVERWEGINGEN

1.Eiseres behartigt de belangen van de bewoners en bedrijven van Rokkeveen in Zoetermeer Zuidoost en van de Munnikenweg en omgeving in Berkel en Rodenrijs met betrekking tot het plan een hoogspanningsverbinding aan te leggen ter hoogte van de zogenaamde groene landscheiding. Eén van de belangrijkste aspecten van het plan is volgens eiseres de keuze voor boven- dan wel ondergrondse aanleg, waarbij de stelling van eiseres is dat de laatstgenoemde optie veel gunstiger is voor het milieu, in het bijzonder voor de gezondheid van de omwonenden.

2.Eiseres heeft bij brief aan verweerder van 20 augustus 2008 openbaarmaking verzocht van het verslag van de besloten briefing op 24 juni 2008 van de vaste Tweede Kamercommissie van Economische Zaken door de firma Tractebel Engineering N.V. (hierna: Tractebel) over de realisatie van een 380kV-verbinding tussen Wateringen en Zoetermeer (hierna: het project).

3.Verweerder heeft eiseres in het besluit van 3 oktober 2008 medegedeeld dat er geen officieel verslag van de briefing is gemaakt vanwege diens vertrouwelijk karakter, zodat verstrekking niet mogelijk is. Verweerder heeft voorts in genoemd besluit aangegeven dat hij wel in het bezit is van een verslag dat een ambtenaar van het Ministerie van VROM, die als toehoorder bij de briefing aanwezig was, naar aanleiding van de briefing heeft gemaakt. Verweerder heeft openbaarmaking van dit verslag geweigerd onder verwijzing naar artikel 11 en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob.

4.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Wob wordt onder intern beraad verstaan: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid. Ingevolge onderdeel g van hetzelfde artikel wordt onder milieu-informatie verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer.

4.2.Ingevolge artikel 19.1a van de Wet milieubeheer wordt onder milieu-informatie verstaan: alle informatie neergelegd in documenten over:

a) de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden met inbegrip van vochtige biotopen, kust- en zeegebieden, biologische diversiteit en haar componenten, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen;

b) factoren, zoals stoffen, energie, geluid, straling of afval, met inbegrip van radioactief afval, emissies, lozingen en ander vrijkomen van stoffen in het milieu die de onder a bedoelde elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten;

c) maatregelen, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, zoals beleidsmaatregelen, wetgeving, plannen, programma's, milieuakkoorden en activiteiten die op de onder a en b bedoelde elementen en factoren van het milieu een uitwerking hebben of kunnen hebben, alsmede maatregelen of activiteiten ter bescherming van die elementen; [...]

f) de toestand van de gezondheid en veiligheid van de mens, met inbegrip van de verontreiniging van de voedselketen, indien van toepassing, de levensomstandigheden van de mens, waardevolle cultuurgebieden en bouwwerken, voorzover zij worden of kunnen worden aangetast door de onder a bedoelde toestand van elementen van het milieu of, via deze elementen, door de onder b en c bedoelde factoren, maatregelen of activiteiten.

4.3.Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob blijft de verstrekking van gegevens achterwege indien het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van voorkoming van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken (rechts)personen dan wel derden. Ingevolge het zesde lid van dit artikel is het hier weergegeven artikelonderdeel niet van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie.

4.4.Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

4.5.Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Wob kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

4.6.Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wob wordt in afwijking van het eerste lid bij milieu-informatie het belang van de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen afgewogen tegen het belang van openbaarmaking. Informatie over persoonlijke beleidsopvattingen kan worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Het tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

5.1.De in artikel 11, eerste lid, van de Wob neergelegde bescherming van persoonlijke beleidsopvattingen beoogt de vrije meningsvorming te beschermen, het belang om in vertrouwelijke sfeer gedachten te kunnen uitwisselen zonder vrees voor gezichtsverlies en te kunnen waarborgen dat bij de vormgeving van het beleid de betrokkenen in alle vrijheid hun gedachten en opvattingen kunnen uiten.

Het uitgangspunt van de wetgever is voorts geweest dat de democratische verantwoording moet gelden voor het eindresultaat van dergelijk overleg maar niet voor de standpunten die betrokkenen in verschillende fasen van voorbereiding hebben ingenomen en die niet zijn overgenomen in het uiteindelijk gepresenteerde beleid.

5.2.De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van het door verweerder overgelegde document.

5.3.De rechtbank stelt vast dat het verslag waar het geschil betrekking op heeft blijkens de inhoud en de in deze procedure gegeven toelichting, bedoeld is om andere ambtenaren van het Ministerie van VROM en uiteindelijk verweerder te informeren over de inhoud van de briefing teneinde die informatie te kunnen meewegen bij nadere beleidsvorming dan wel standpuntbepaling over het project. Het verslag bevat naast een beknopte weergave van de bijdragen van enkele deelnemers aan de besloten briefing, soms ook kort commentaar op deze bijdragen van de ambtenaar die het verslag heeft opgesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verslag door verweerder terecht is aangemerkt als een stuk dat is opgemaakt ten behoeve van intern beraad en dat de inhoud van het stuk deels moet worden aangemerkt als een persoonlijke beleidsopvatting van de ambtenaar die het verslag heeft opgesteld en voor het overige als een verzameling van persoonlijke beleidsopvattingen van degenen die bij de besloten briefing aanwezig waren. De stelling van eiseres dat zij niet in staat is gesteld te controleren of het hier al dan niet persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad betreft, treft geen doel, nu niet valt in te zien hoe verweerder zulks zou kunnen aantonen zonder de inhoud van het verslag prijs te geven. Het mogelijk maken van een dergelijke controle door eiseres, zou de Wob-procedure dan ook op onaanvaardbare wijze doorkruisen.

5.4.De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat, gelet op de inhoud en de beknoptheid van het verslag, het niet mogelijk is te kiezen voor gedeeltelijke openbaarmaking - waarbij het moet gaan om feiten die niet tot personen herleidbaar zijn (als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wob) - vanwege de verwevenheid van de weergegeven feiten met de persoonlijke beleidsopvatting(en) in kwestie. Hierbij is tevens van belang dat de briefing is gehouden voor een beperkt aantal personen wiens identiteit makkelijk is te achterhalen, nu het gaat om de briefing van een vaste Kamercommissie en het algemeen bekend is dat Tractebel deze briefing heeft verzorgd. Er bestond dan ook geen aanleiding voor verweerder om gebruik te maken van de bevoegdheid ingevolge het tweede lid van artikel 11 van de Wob. Ook in dit verband geldt - evenals hiervoor onder 5.3 - dat het standpunt van verweerder niet eigenstandig door eiseres kan worden gecontroleerd zonder afbreuk te doen aan de Wob-procedure.

5.5.Eiseres heeft voorts aangevoerd dat het zeer waarschijnlijk is dat het verslag milieu-informatie bevat, waardoor verweerder ingevolge het vierde lid van artikel 11 van de Wob een belangenafweging had moeten verrichten, hetgeen hij heeft nagelaten. Dat het verslag waarschijnlijk milieu-informatie betreft, baseert eiseres op de stelling dat de bovengrondse aanleg van de 380kV-verbinding een elektrisch veld veroorzaakt of kan veroorzaken hetgeen gevolgen kan hebben voor mens en milieu. De rechtbank is na kennisname van het verslag van oordeel dat het geen milieu-informatie betreft. Zoals verweerder in het verweerschrift heeft aangegeven is sprake van een technische briefing die niet handelt over (de toestand van) elementen, factoren, maatregelen of de toestand van de gezondheid of de veiligheid van de mens, bedoeld in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer. Het enkele feit dat een project - zoals de onderhavige hoogspanningsverbinding - (mogelijk) gevolgen heeft voor het milieu die op enig moment betrokken zullen moeten worden in de afweging over de realisatie van het project - hetgeen verweerder erkent - betekent nog niet zonder meer dat elke persoonlijke beleidsopvatting die wordt ingebracht in het besluitvormingstraject dat aan dat project ten grondslag ligt, als milieu-informatie heeft te gelden. Die kwalificatie blijft afhankelijk van de aard van de informatie en in welke relatie zij moet worden gezien tot de (mogelijke) milieugevolgen. Nu in dit geval geen sprake is van milieu-informatie was verweerder niet gehouden de belangen bedoeld in het vierde lid van artikel 11 van de Wob tegen elkaar af te wegen.

5.6.Verweerder mocht reeds op grond van hetgeen hiervoor is overwogen de openbaarmaking van het verslag weigeren. De beroepsgronden die zijn gericht tegen de alternatieve weigeringsgrond (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob) die verweerder heeft opgenomen in het bestreden besluit, behoeven dan ook geen bespreking.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

IIIBESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D. Biever, in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.M. van der Meide.

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.