Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK9309

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2009
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
AWB 09/26749, 09/26750
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Niet tijdig nemen van een besluit / Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen / nieuwe beslistermijn / artikel 8:55d Awb

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is van rechtswege ontstaan doordat verweerder het bestreden besluit heeft ingetrokken op 4 december 2009 en dateert daarom van na 1 oktober 2009. Daarom is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen van toepassing. Omdat het beroep van rechtswege is ontstaan kon van eiser niet worden verwacht dat hij voorafgaand aan dat beroep verweerder in gebreke stelde. Bovendien wist verweerder op het moment van intrekken van het bestreden besluit dat hij in gebreke was tijdig op het bezwaar te beslissen, gelet op de eerder door de rechtbank gestelde beslistermijn van 12 weken bij haar uitspraak van 28 april 2009.

Nu geen verder (feitelijk) onderzoek in de zaak nodig is, ziet de rechtbank niet in waarom het zorgvuldig motiveren van een nieuw besluit op bezwaar niet binnen twee weken kan plaatsvinden. Verweerder dient daarom binnen twee weken alsnog een besluit op het bezwaar te nemen. Verweerder verbeurt een dwangsom van € 100,-- voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 10.000,--.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 197
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:12
Algemene wet bestuursrecht 8:55d
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 09/26749 (beroep) AWB 09/26750 (voorlopige voorziening)

V-nr: *

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningen-rechter

in het geding tussen:

eiser en verzoeker [naam], geboren [datum] in 1971, van Algerijnse nationaliteit, (hierna: eiser),

gemachtigde: mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlenging van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voor verblijf bij echtgenote [naam] H’ afgewezen. Bij besluit van 12 juli 2007 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Bij dit besluit is tevens de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 13 januari 2005 ingetrokken. Het tegen deze besluiten ingestelde bezwaar is bij besluit van 7 februari 2008 ongegrond verklaard. Bij dit besluit is de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 2 augustus 2002 ingetrokken.

Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen van 28 april 2008 (AWB 08/4531) niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunning en de afwijzing van het verzoek om verlenging van de verblijfvergunning. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard.

Bij besluit van 21 juli 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen de ongewenstverklaring opnieuw ongegrond verklaard. Op 23 juli 2009 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de werking van de ongewenstverklaring op te schorten en de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Bij brief van 4 december 2009 heeft verweerder meegedeeld dat het bestreden besluit is ingetrokken en dat opnieuw op het bezwaar van eiser zal worden beslist. Eiser heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat het beroep moet worden geacht te zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden.

De voorzieningenrechter /rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. Eiser heeft niet gesteld noch is gebleken dat er nog belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit zal dan ook vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.

2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt in geval van intrekking van een besluit het daartegen ingestelde beroep met toepassing van artikel 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht zich mede te richten tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat ingevolge artikel 6:2 van de Awb gelijk dient te worden gesteld met een besluit. Het beroep richt zich dan ook mede tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit.

3. De rechtbank overweegt ten eerste dat, anders dan partijen menen, de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Deze wet is in werking getreden op 1 oktober 2009. Eisers beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar is van rechtswege ontstaan op 4 december 2009, de dag dat verweerder het bestreden besluit heeft ingetrokken. Het beroep dateert daarom van ná de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen.

4.1. In artikel 6:12, eerste lid, van de Awb, zoals gewijzigd door de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, is bepaald dat indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, het niet aan een termijn is gebonden. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge het derde lid van dat artikel kan, indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank kon in dit geval in redelijkheid niet van eiser worden gevergd om verweerder in gebreke te stellen. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is immers van rechtswege ontstaan doordat verweerder het bestreden besluit heeft ingetrokken. Gelet daarop kon niet van eiser worden verwacht dat hij voorafgaand aan dat beroep verweerder in gebreke stelde. In dat verband acht de rechtbank ook van belang dat verweerder op het moment van intrekken van het bestreden besluit op 4 december 2009 wist dat hij in gebreke was tijdig op het bezwaar te beslissen. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, heeft bij de hiervoor vermelde uitspraak van 28 april 2009 immers het beroep tegen de ongewenstverklaring gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit diende te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is op 28 april 2009 naar partijen verzonden. De in deze gegeven beslistermijn was dus op 4 december 2009 al overschreden.

5. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig nemen van een besluit vernietigen. Met betrekking tot de op te leggen nieuwe beslistermijn overweegt de rechtbank als volgt.

6.1. Ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Ingevolge artikel 8:55d, derde lid, van de Awb kan de rechtbank in bijzondere gevallen, of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

6.2. Verweerder heeft aangevoerd dat in dit geval een termijn van acht weken noodzakelijk is om zorgvuldig op het bezwaar te kunnen beslissen. Desgevraagd heeft verweerder verklaard dat geen verder (feitelijk) onderzoek nodig is, maar dat de termijn van acht weken vooral is gewenst om het nieuwe besluit op bezwaar van een zorgvuldige juridische motivering te voorzien. Gelet op de omstandigheid dat geen verder (feitelijk) onderzoek in de zaak nodig is, ziet de rechtbank niet in waarom het zorgvuldig motiveren van een nieuw besluit op bezwaar niet binnen twee weken kan plaatsvinden. Gelet daarop zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen twee weken alsnog een besluit op het bezwaar neemt.

7. De rechtbank bepaalt verder met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,-- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 10.000,--.

8. De rechtbank zal verder met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat het besluit van 12 juli 2007 voor zover dat betrekking heeft op de ongewenstverklaring van eiser wordt geschorst totdat op het bezwaar is beslist en dat verweerder de uitzetting van eiser achterwege dient te laten totdat op het bezwaar is beslist. Partijen is geen gelegenheid geboden om zich over deze voorziening uit te laten. Er wordt echter geen andere voorziening getroffen dan die waarom eiser had verzocht in zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Daarover hebben partijen zich ter zitting uitgelaten. Redengevend voor het treffen van de voorlopige voorziening is dat eiser ter zitting heeft aangevoerd dat hij een groot belang heeft bij het treffen daarvan omdat hij als gevolg van de ongewenstverklaring op elk moment aangehouden kan worden wegens overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht en dat verweerder zich daartegen niet heeft verzet.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

9. De gevraagde voorziening strekt er toe dat de werking van het besluit op bezwaar wordt opgeschort en de uitzetting achterwege wordt gelaten totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Proceskosten en griffierecht

10. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder met toepassing van 8:75 in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Awb in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift; 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

11. Op grond van artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 09/26749,

- verklaart het beroep voor zover zich dat richt tegen het ingetrokken bestreden besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover zich dat richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig nemen van een besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,-- (zegge: honderd euro) verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 10.000,-- (zegge: tienduizend euro);

- bepaalt dat het besluit van 12 juli 2007 voor zover dat betrekking heeft op de ongewenstverklaring van eiser wordt geschorst en de uitzetting van eiser wordt verboden totdat op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderd en zesenzestig euro), te betalen aan de griffier;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ad € 150,-- (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 09/26750,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Sijbrands, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: AS

Coll.: SSS

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.