Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK9163

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-12-2009
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
AWB 08/6299
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

RANOV / geen onredelijk onderscheid tussen vreemdelingen met verblijfsvergunning “medische noodsituatie” en afhankelijke gezinsleden van die vreemdelingen

Het is in beginsel aan verweerder om te bepalen aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling. Verweerder zal moeten motiveren waarom de ene vreemdeling wel en de andere niet in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning, indien sprake is van gelijke gevallen. De situatie van eiser als afhankelijk gezinslid is niet gelijk is aan de situatie van de hoofdpersoon met een verblijfsvergunning vanwege een medische noodsituatie. Weliswaar was de verblijfsvergunning van eiser ten tijde van de regeling ook onzeker, maar deze onzekerheid was afhankelijk van de onzekere situatie van de hoofdpersoon.

Niet onredelijk dat in de situatie dat de hoofdpersoon niet in aanmerking komt voor de regeling of ervoor kiest in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning onder een andere beperking het afhankelijk gezinslid evenmin voor een verblijfsvergunning op grond van de regeling in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 08/6299

V-nr: *

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

eiser [naam], geboren [datum] in 1963, van Ugandese nationaliteit,

gemachtigde: mr. B. Wegelin, advocaat te Amsterdam,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Op 10 december 2007 is aan eiser een kopie van de interne minuut verzonden, waarin vervat de beoordeling of eiser in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling Afwikkeling Nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: de Regeling) zoals gepubliceerd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/11. Bij besluit van 25 januari 2008 heeft verweerder het hiertegen op 11 december 2007 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Op 20 februari 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen.

Bij besluit van 26 januari 2009 heeft verweerder het besluit van 11 december 2007 ingetrokken en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

1. Verweerder stelt zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling. Uit het beleid in WBV 2007/11 volgt dat geen verblijfsvergunning op grond van de Regeling wordt verleend indien de vreemdeling reeds in het bezit is van een verblijfsvergunning. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling nu hij met ingang van 17 maart 2006 in het bezit is van een verblijfsvergunning onder de beperking “verblijf bij partner”, welke (thans) geldig is tot 16 februari 2010. Eiser valt niet onder één van de in het WBV 2007/11 genoemde uitzonderingen. Uit het betreffende beleid volgt verder dat evenmin een verblijfsvergunning op grond van de Regeling wordt verleend indien de vreemdeling na 1 april 2001 aantoonbaar uit Nederland is vertrokken. Eiser heeft in het kader van andere verblijfsprocedures een op 29 juni 2004 in Uganda afgegeven paspoort overgelegd alsmede een op 6 januari 2006 te Uganda opgesteld affidavit. Hieruit wordt afgeleid dat eiser deze documenten in Uganda heeft afgehaald. Eiser is dan ook na 1 april 2001 aantoonbaar vertrokken uit Nederland. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is afgezien van het horen van eiser.

2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser, met een verblijfsvergunning als afhankelijk gezinslid van iemand met een verblijfsvergunning vanwege een medische noodsituatie, niet volledig gelijk wordt behandeld als de hoofdpersoon. Vreemdelingen met een verblijfsvergunning vanwege een medische noodsituatie wordt in de Regeling niet tegengeworpen dat zij in het bezit zijn van een verblijfsvergunning. De partner van eiser had ten tijde van de Regeling een verblijfsvergunning op grond van een medische noodsituatie en eiser een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn partner gedurende die medische noodsituatie. Afhankelijke gezinsleden behouden alleen hun recht op verblijf als de hoofdpersoon de medische vergunning houdt. Hun verblijfsrecht is ten minste net zo onzeker als dat van de hoofdpersoon. Het is onlogisch en in strijd met de systematiek van de Vw 2000 dat een vreemdeling die geen verblijfsvergunning heeft wegens medische noodsituatie maar een verblijfsvergunning voor verblijf bij een gezinslid dat die vergunning heeft, wel uitgesloten wordt van de Regeling.

3. De rechtbank stelt voorop dat de verblijfsvergunning op grond van de Regeling ambtshalve kan worden verleend op grond van artikel 3.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 3.17a, aanhef en onder b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. De voorwaarden voor deze vergunning zijn uitgewerkt in het beleid (WBV 2007/11).

4. In WBV 2007/11 is in onderdeel 5.3.3 neergelegd dat vreemdelingen die reeds in het bezit zijn van een verblijfsvergunning niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van de regeling. Ratio hierachter is dat deze personen reeds duidelijkheid hebben omtrent hun verblijf, zodat een regeling voor hen niet nodig is. Een uitzondering wordt gevormd door - onder meer - de vreemdelingen die vóór 1 april 2001 een asielaanvraag in Nederland hebben ingediend en nadien in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf vanwege een medische noodsituatie”. Enkel aan houders van deze verblijfsvergunningen wordt, voor zover zij aan de overige voorwaarden voldoen, het éénmalige aanbod gedaan om de verblijfsvergunning om te zetten in een verblijfsvergunning op grond van deze regeling.

5. De rechtbank stelt vast dat de partner van eiser ten tijde van de Regeling in het bezit was van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf vanwege een medische noodsituatie”. Eiser was in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij partner [naam] gedurende haar medische noodsituatie”. De beperking van eisers verblijfsvergunning is niet als uitzondering in de regeling neergelegd, zodat eiser, omdat hij in het bezit was van een verblijfsvergunning, niet aan de voorwaarden van de regeling voldoet.

6. Het is in beginsel aan verweerder om te bepalen aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder wel zal moeten motiveren waarom de ene vreemdeling wel en de andere niet in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning, indien sprake is van gelijke gevallen. De rechtbank is echter van oordeel dat de situatie van eiser als afhankelijk gezinslid niet gelijk is aan de situatie van de hoofdpersoon met een verblijfsvergunning vanwege een medische noodsituatie. Weliswaar was de verblijfsvergunning van eiser ten tijde van de regeling ook onzeker, maar deze onzekerheid was afhankelijk van de onzekere situatie van de hoofdpersoon. Bovendien is in de Regeling onder punt 5.7 voorzien in de mogelijkheid dat gezinsleden van een vreemdeling wiens verblijf op grond van de regeling is aanvaard onder bepaalde voorwaarden op grond van de regeling verblijf wordt toegestaan. De rechtbank acht het niet onredelijk dat in de situatie dat de hoofdpersoon niet in aanmerking komt voor de regeling of ervoor kiest, zoals in het geval van eisers partner, in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning onder een andere beperking, in het geval van eisers partner “voortgezet verblijf”, het afhankelijke gezinslid evenmin voor een verblijfsvergunning op grond van de regeling in aanmerking komt. Gelet op het vorenstaande slaagt de beroepsgrond niet.

7. Nu verweerder reeds op grond van het vorenstaande eiser geen aanbod op grond van de Regeling heeft hoeven doen, behoeft de weigeringsgrond dat eiser aantoonbaar het land heeft verlaten geen bespreking meer.

8. Op grond van het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

9. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/6299,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzitter, in tegenwoordigheid van M.R. van Kerkwijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc..: AZ/MvK

Coll.: WdJ

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.