Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK9034

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
AWB 07/9428
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Termijn waarover heffingsrente kan worden berekend op grond van beleid van de Staatssecretaris ingekort.

In onderhavig geval onvoldoende grond om te oordelen dat de voorlopige aanslag “zo snel mogelijk” na binnenkomst van het verzoek van eiser is vastgesteld. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, Afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 07/9428 IB/PVV

Uitspraakdatum: 16 december 2009

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

IPROCESVERLOOP

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2006 een voorlopige aanslag (aanslagnummer [nummer]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 41.961.461.

Daarbij heeft hij bij beschikking een bedrag van € 153.936 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 november 2007 de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 18 december 2007, ontvangen bij de rechtbank op 19 december 2007, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2009 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is verschenen mr. drs. [A]. Namens verweerder is verschenen mr. [B].

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.6. Op 30 augustus 2006 heeft eiseres haar tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen verkocht. Zij heeft daarmee een vervreemdingsvoordeel van € 41.961.461 behaald.

1.7. Op 1 september 2006 heeft de adviseur van eiseres aan verweerder verzocht om een voorlopige aanslag op te leggen.

1.8. Met dagtekening 10 november 2006 heeft verweerder een voorlopige aanslag opgelegd aan eiseres conform het verzoek van haar adviseur. Verweerder heeft daarbij € 153.936 aan heffingsrente in rekening gebracht, berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli 2006 en eindigt op 10 november 2006.

Geschil

1.9. Het geschil betreft het tijdvak waarover verweerder de heffingsrente heeft berekend.

1.10. Eiseres heeft zich primair op het standpunt gesteld dat berekening van de heffingsrente vanaf 1 juli 2006 een inbreuk op het eigendomsrecht van eiseres inhoudt en daarmee in strijd is met artikel 1, Eerste Protocol, EVRM. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat het tijdvak waarover heffingsrente wordt berekend, op grond van beleid van de Staatssecretaris dient te eindigen op 10 september 2006, dan wel op 21 september 2006 of 27 oktober 2006, aangezien verweerder de voorlopige aanslag redelijkerwijs binnen drie weken had moeten opleggen en dat in ieder geval (op grond van artikel 4:13, tweede lid, Awb) binnen acht weken had moeten doen.

1.11. Verweerder heeft de standpunten van eiseres gemotiveerd betwist.

1.12. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de beschikking heffingsrente, dan wel subsidiair vermindering van de heffingsrente tot € 91.325.

1.13. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.14. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

IIOVERWEGINGEN

2.1. Niet in geschil is dat verweerder de heffingsrente heeft berekend overeenkomstig artikel 30f, derde lid onder a, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), waarin is bepaald dat de heffingsrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het midden van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet.

2.2. Krachtens artikel 1, eerste lid, Eerste Protocol, EVRM heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom en zal aan niemand zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Krachtens het tweede lid van deze verdragsbepaling tasten de voorgaande bepalingen op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

2.3. Het primaire geschilpunt is toegespitst op de vraag of met de berekening van de heffingsrente sprake is van een redelijk evenwicht tussen het individueel belang en het gemeenschappelijk belang. Met inachtneming van de daarbij overeenkomstig de jurisprudentie van het EHRM in acht te nemen 'wide margin of appreciation' beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend. Daartoe overweegt zij als volgt.

2.4. Uit de wetsgeschiedenis van het met ingang van 1 januari 2005 geldende artikel 30f, derde lid, onder a, AWR blijkt dat deze bepaling uitgaat van de fictie dat het belastbare inkomen en daarmee de belastingschuld gelijkmatig over het gehele jaar aangroeien. De keuze voor het toepassen van deze fictie in plaats van het berekenen van de heffingsrente over de daadwerkelijke aangroei van het belastbare inkomen in de loop van het jaar, is ingegeven door praktische overwegingen van doelmatigheid. Toepassing van de fictie maakt een doelmatige inrichting mogelijk van het grootschalig geautomatiseerd proces waarin de heffingsrente wordt berekend. Hiermede is zowel het gemeenschappelijk als het individueel belang van de belastingplichtigen gediend. Voor een deel van de belastingplichtigen - te weten zij die inkomsten genieten na 1 juli - leidt de door de wetgever gekozen oplossing evenwel tot een nadeel. Voor belastingplichtigen die voor 1 juli inkomsten genieten is de regeling juist gunstig. De rechtbank is van oordeel dat het nadeel dat een deel van de belastingplichtigen - waaronder eiseres - ondervindt als gevolg van de door de wetgever gekozen oplossing, niet maakt dat er geen sprake is van een redelijk evenwicht tussen het individueel belang en het gemeenschappelijk belang. Het, zoals eiseres heeft bepleit, maken van een inbreuk op de fictie voor niet periodiek genoten inkomen en/of in box 1 of 2 belastbare vermogenswinsten zou de uitvoering onevenredig bemoeilijken.

2.5. Anders dan eiseres heeft betoogd, is er geen grond om de termijn waarover heffingsrente kan worden berekend te laten eindigen op 10 september 2006. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het beleid waar eiseres dit standpunt op baseert (het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 10 augustus 1994, nr. AFZ94/3734, VN 1994/2910) hier niet van toepassing is, omdat dit beleid ziet op andere gevallen dan het onderhavige.

2.6. Niet in geschil is dat verweerder voortvarend te werk dient te gaan bij het opleggen van de (nadere) voorlopige aanslag en in rekening brengen van de heffingsrente. Dit uitgangspunt is vervat in het door verweerder aangehaalde, in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 7 maart 2008 nr. CPP2007/3267M, Stcrt. nr. 55, BNB 2008/140, neergelegde beleid. Voor zover hier van belang houdt dit in dat verweerder steeds zo snel mogelijk, maar in elk geval drie maanden na binnenkomst van een duidelijk en volledig verzoek om de vaststelling van een (nadere) voorlopige aanslag, deze (nadere) voorlopige aanslag zal vaststellen. Indien verweerder vervolgens niet binnen drie maanden een (nadere) voorlopige aanslag vaststelt, zal de heffingsrente, berekend over de periode van de aan verweerder te wijten vertraging op verzoek van de belastingplichtige worden verminderd. Beperking van de in rekening te brengen heffingsrente, buiten de hiervoor genoemde toezegging, kan volgens dit beleid alleen aan de orde komen als verweerder zo weinig voortvarend te werk is gegaan dat hij, door het aan belanghebbende in rekening brengen van heffingsrente, enig beginsel van behoorlijk bestuur schendt.

2.7. Anders dan verweerder heeft betoogd, kan in dit geval niet worden gezegd dat verweerder, door de nadere voorlopige aanslag binnen drie maanden op te leggen, voldoende voortvarend te werk is gegaan. Verweerder is er bij zijn stellingname aan voorbijgegaan dat het enkele feit dat de voorlopige aanslag binnen drie maanden is vastgesteld ook volgens het door hem aangehaalde beleid niet betekent dat dit "zo snel mogelijk" is gebeurd. In dit geval is er onvoldoende grond om te oordelen dat de (nadere) voorlopige aanslag "zo snel mogelijk" is vastgesteld: ter zitting heeft verweerder verklaard dat verwerking van het verzoek van eiseres in het geautomatiseerde systeem enkele weken vergt. In dit geval heeft het tien weken geduurd alvorens de voorlopige aanslag is opgelegd, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in het verzoek is vermeld dat het belastbare inkomen in box 2 € 41.961.461 bedraagt en de op te leggen aanslag € 10.490.365 en dat aan het verzoek kon worden voldaan zonder een voorafgaande vakinhoudelijke beoordeling.

2.8. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de hiervoor vermelde kenmerken van het verzoek, een voldoende voortvarende behandeling van het verzoek om oplegging van een voorlopige aanslag tot gevolg had behoren te hebben dat de voorlopige aanslag binnen zes weken na het verzoek zou zijn opgelegd. Op die grond oordeelt de rechtbank dat de termijn waarover heffingsrente in rekening kan worden gebracht, eindigt op 13 oktober 2006.

2.9. Het voorgaande leidt tot gegrondverklaring van het beroep.

Proceskosten

2.10. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

IIIBESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de beschikking heffingsrente tot een berekend over het tijdvak dat aanvangt 1 juli 2006 en eindigt op 13 oktober 2006 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 39 aan haar vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. L. de Loor-Alwin, mr. J.P.F. Slijpen en mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.M.M.A. van der Vegt.

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.