Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK8531

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-12-2009
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
AWB 09-40361 en AWB 09-40363
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende bezwaar / geen spoedeisend belang / afwijzing / beroep op noot T. Spijkerboer

De enkele omstandigheid dat een besluit voor uitvoering vatbaar is, levert geen spoedeisend belang op als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter volgt hierbij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (o.a. de uitspraken van 1 april 2009 (gepubliceerd op www.raadvanstate.nl, 200900207/2), 8 oktober 2009 (200904694/3) en 6 november 2009 (200907138/3). Ook de omstandigheden dat verzoekers in bewaring kunnen worden gesteld dan wel dat de opvangvoorzieningen kunnen worden beƫindigd leveren op zichzelf geen spoedeisend belang op. Zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 20 november 2009 (200908559/2) en 25 november 2009 (200907080/2). Dat verzoekers in casu een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM zou zijn ontnomen wordt niet gevolgd door de voorzieningenrechter. Er is geen grond om de in artikel 8:81 van de Awb neergelegde regeling van de toegang tot de voorlopigevoorzieningsprocedure niet toereikend te achten. Voor verzoekers staat de mogelijkheid open om, indien alsnog onomkeerbare gevolgen dreigen in te treden, waaronder een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM, een nieuw verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen. Ter ondersteuning verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2008 (200804897/2, LJN: BD9026) en van 21 augustus 2009 (200906084/2).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 09/40361 en AWB 09/40363

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 december 2009

inzake

[Naam 1], verzoekster

geboren op [datum] 1957,

nationaliteit Burger van Rusland,

en

[Naam 2], verzoeker

geboren [datum] 1954,

nationaliteit Burger van Rusland,

verblijvende te [plaats],

tezamen te noemen: verzoekers,

gemachtigde mr. J.W.F. Noot,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te 's-Gravenhage,

verweerder.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 2 november 2009 heeft verweerder de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Tegen deze besluiten hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

Tevens hebben verzoekers de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende de bezwaarschriftprocedure een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek kennelijk ongegrond is, uitspraak doen zonder zitting.

3. Na kennis te hebben genomen van de stukken acht de voorzieningenrechter in dit geval termen aanwezig om van vorenbedoelde bevoegdheid gebruik te maken.

4. Aan de orde is allereerst de vraag of er sprake is van een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

5. Verzoekers hebben aangevoerd dat, blijkens de rechtsmiddelenclausule van de bestreden beschikkingen, hen aangezegd is binnen 24 uur Nederland te verlaten. Zij stellen daarom spoedeisend belang te hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. Tevens hebben verzoekers gewezen op de noot van T. Spijkerboer bij de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 27 augustus 2009 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: BK3233, JV 2009/455). Volgens verzoekers dient hen een effectief rechtsmiddel te worden geboden, omdat anders strijd met de artikelen 3 en 13 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dreigt. Daarnaast is er bij verzoekster sprake van een medische noodsituatie op korte termijn. Een uitzetting zou derhalve onomkeerbare gevolgen kunnen hebben.

6. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder andere de uitspraken van 1 april 2009 (200900207/2), 8 oktober 2009 (200904694/3) en 6 november 2009 (200907138/3), levert de enkele omstandigheid dat het bestreden besluit voor uitvoering vatbaar is geen spoedeisend belang op. Dat bij verzoekster sprake zou zijn van een medische noodsituatie op korte termijn maakt vorenstaande niet anders. Immers, niet gebleken is van concrete aanwijzingen dat en op welke termijn er een daadwerkelijke uitzetting gaat plaatsvinden. Ook de omstandigheden dat verzoekers in bewaring kunnen worden gesteld dan wel dat de opvangvoorzieningen kunnen worden beƫindigd leveren op zichzelf geen spoedeisend belang op (zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 20 november 2009 (200908559/2) en 25 november 2009 (200907080/2)).

7. In de rechtsmiddelenclausule bij de besluiten van 2 november 2009 is evenmin grond gelegen om spoedeisendheid aan te nemen, nu deze clausule niets kan afdoen aan de bepalingen die de wet geeft met betrekking tot het aanwenden van rechtsmiddelen. Dat verzoekers in casu een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM zou zijn ontnomen wordt niet gevolgd door de voorzieningenrechter. Er is geen grond om de in artikel 8:81 van de Awb neergelegde regeling van de toegang tot de voorlopigevoorzieningsprocedure niet toereikend te achten. Voor verzoekers staat de mogelijkheid open om, indien alsnog onomkeerbare gevolgen dreigen in te treden, waaronder een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM, een nieuw verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen. Ter ondersteuning verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2008 (200804897/2, LJN: BD9026) en van 21 augustus 2009 (200906084/2).

8. In het licht van deze feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat reeds het gebrek aan spoedeisendheid in de weg staat aan toewijzing van de verzoeken.

9. Nu de verzoeken om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond zijn, zal de voorzieningenrechter de verzoeken afwijzen.

10. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

11. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. E.H.M. Druijf als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2009.