Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK8520

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2009
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
AWB 09-18790
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL9523, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / artikel 3 EVRM / artikel 33 Vluchtelingenverdrag / Iran / homoseksualiteit / paragraaf C2/2.10.2 van de Vc 2000

Nu de homoseksuele geaardheid van eiser op zichzelf niet in geschil is, is de rechtbank evenwel van oordeel dat verweerder niet zonder nadere motivering gevolgd kan worden in het standpunt dat eiser bij terugkeer in Iran geen risico van schending van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM loopt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de omstandigheid dat de Iraanse autoriteiten niet op de hoogte zijn van de homoseksuele geaardheid van eiser en dat de enkele geaardheid niet strafbaar is in Iran niet afdoet aan het feit dat uit paragraaf C2/2.10.2 van de Vc 2000, aangaande het beleid van verweerder inzake de vervolging van homoseksuelen, blijkt dat van vreemdelingen niet wordt verlangd dat zij bij terugkeer hun seksuele geaardheid verborgen houden. Daarvan uitgaande is bij een terugkeer van eiser niet uitgesloten dat een situatie ontstaat die schending van artikel 3 van het EVRM oplevert.

Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder in het kader van zijn belangenafweging of tot ongewenstverklaring kan worden overgegaan niet heeft beoordeeld of eiser kan worden aangemerkt als verdragsvluchteling en of eiser, gelet daarop, op grond van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag (hierna: het Verdrag) al dan niet kan worden uitgezet naar Iran. Ook hierom mist het besluit een deugdelijke motivering. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat artikel 33 van het Verdrag buiten de omvang van het geschil valt, nu in het kader van de ongewenstverklaring enkel dient te worden getoetst aan het gestelde in de artikelen 3 en 8 van het EVRM. De rechtbank volgt dit standpunt niet.

Uit paragraaf C2/2.10.2 van de Vc 2000 volgt dat indien een asielzoeker zich erop beroept dat hij problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn homoseksuele geaardheid, dit onder omstandigheden kan leiden tot vluchtelingschap in de zin van het Verdrag. Het is vaste jurisprudentie dat onder vervolging wegens het behoren tot een sociale groep als bedoeld in artikel 1A van het Verdrag, mede vervolging wegens seksuele geaardheid wordt begrepen. Indien sprake is van een bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is dit een daad van vervolging. Dit is bijvoorbeeld het geval indien het homoseksueel zijn of het uiten van specifiek homoseksuele gevoelens strafbaar is gesteld. Voor de conclusie dat er sprake is van vluchtelingschap moet wel sprake zijn van een bestraffingsmaatregel van een zeker gewicht. In het ambtsbericht inzake Iran van 22 juli 2008, alsook in het thematisch ambtsbericht van inzake de situatie van homoseksuelen in Iran van 28 mei 2009, staat dat homoseksualiteit op zichzelf in Iran niet strafbaar is. Seksuele handelingen tussen mensen van hetzelfde geslacht zijn wel strafbaar en kunnen volgens de wet worden bestraft met de doodstraf. Sodomie, dat wil zeggen geslachtsverkeer tussen twee mannen of tussen twee vrouwen, kan worden bestraft met de dood, indien beide partijen are mature, of sound mind and have free will. Derhalve blijkt uit het voorgaande dat het uiten van homoseksuele gevoelens wordt bestraft met de dood, hetgeen, gelet op het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf C2/2.10.2 van de Vc 2000 als een daad van vervolging wordt aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook op grond van de in het bestreden besluit gemaakte belangenafweging in redelijkheid niet tot ongewenstverklaring van eiser kunnen besluiten. Onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/18790

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2009

inzake

[Eiser],

geboren op [datum] 1977,

van Iraanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. M.E.M. Jacquemard,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. R.P.G. van Bel.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2009 is eiser ongewenst verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser op 6 maart 2009 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Op 11 mei 2009 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie.

Verweerder heeft het bezwaar van eiser bij besluit van 18 mei 2009 ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 22 mei 2009 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 15 december 2009, waar eiser niet in persoon is verschenen, doch is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is of het besluit van 18 mei 2009 in rechte stand kan houden. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser, gericht tegen de ongewenstverklaring ongegrond verklaard.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. Eiser is op 11 maart 2003 Nederland binnengekomen en heeft op 18 maart 2003 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 21 maart 2003 is deze aanvraag afgewezen en hierna is eiser met onbekende bestemming vertrokken. Op 7 augustus 2007 heeft eiser een tweede aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De procedure ten aanzien van deze asielaanvraag is geëindigd met een onherroepelijke uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 28 mei 2009 (AWB 08/33960), waarin het beroep van eiser niet-ontvankelijk is verklaard. Op 14 oktober 2008 is eiser door de korpschef van regionaal politiekorps Drenthe gehoord inzake het voornemen om hem ongewenst te verklaren, waarvan op ambtsbelofte proces verbaal is opgemaakt. De korpschef van regionaal politiekorps Drenthe heeft op 15 oktober 2008 een voorstel tot ongewenstverklaring van eiser ingediend, waarna op 17 februari 2009 het besluit tot ongewenstverklaring is genomen.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

4. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij in Nederland geen verblijfsrecht heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000 en hij een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

5. Ingevolge paragraaf A5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) kan een vreemdeling met toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ongewenst worden verklaard in het geval dat wegens misdrijf een veroordeling tot een gevangenisstraf heeft plaatsgevonden of waarin een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd en het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of maatregel tenminste een maand bedraagt. Daarbij is niet vereist dat de betreffende uitspraak onherroepelijk is geworden.

6. Onbetwist is dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000. Voorts blijkt uit het Justitiële Documentatieregister van 15 oktober 2008 dat eiser op 15 november 2006 is veroordeeld tot een geldboete van € 190,00 wegens het opgeven van een valse naam, zoals is strafbaar gesteld in artikel 435 van het Wetboek van Strafrecht. Tevens blijkt uit dit Justitiële Documentatieregister dat eiser bij uitspraak van de Meervoudige Strafkamer van de rechtbank te Rotterdam van 4 juni 2008 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren wegens diefstallen, meermalen gepleegd medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd medeplegen van oplichting, het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, medeplegen van handel in strijd met artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. Derhalve vormt eiser een gevaar voor de openbare orde, terwijl hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, zoals bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000.

7. Gelet op het vorenstaande was verweerder op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bevoegd eiser ongewenst te verklaren.

8. Zoals blijkt uit het in paragraaf A5/2 van de Vc 2000 neergelegde beleid worden bij de aanwending van die bevoegdheid de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig afgewogen tegen het algemene belang dat uit het oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend.

9. Op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is eiser in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die naar zijn mening bij het besluit in aanmerking moeten worden genomen. Hij is daartoe op 14 oktober 2008 gehoord door de korpschef van de politieregio Drenthe.

10. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder en is van oordeel dat hetgeen door en namens eiser is aangevoerd van onvoldoende gewicht moet worden geacht om zijn ongewenstverklaring achterwege te laten. Immers, eiser heeft tijdens dit gehoor en aangaande het voorstel tot zijn ongewenstverklaring geen argumenten aangevoerd om niet tot ongewenstverklaring te besluiten. Derhalve bestaan in het onderhavige geval geen zwaarwegende redenen om niet tot het besluit te komen eiser om redenen van openbare orde de toegang tot het Nederlands grondgebied te ontzeggen. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in hetgeen door eiser is aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om de ongewenstverklaring achterwege te laten. Nu eiser voor het plegen van misdrijven tot 30 maanden gevangenisstraf is veroordeeld, heeft verweerder aan het belang van de gemeenschap, meer in het bijzonder aan de bescherming van de openbare orde, meer gewicht kunnen toekennen dan aan de persoonlijke belangen van eiser.

11. Voorts heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het onderhavige geval niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan, bij afweging van alle aan de orde komende belangen, aanleiding zou bestaan, in afwijking van de geldende beleidsregels, op grond van artikel 4:84 van de Awb de ongewenstverklaring van eiser achterwege te laten. De namens eiser aangevoerde omstandigheden acht verweerder niet zwaarwegend genoeg om gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Eiser is veroordeeld wegens het plegen van ernstige misdrijven en de verklaring van eiser dat hij zich inzet om in Nederland in te burgeren, geïllustreerd door een verklaring van een docente van de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, evenals zijn verklaring van Nederland te houden en dat hij het goed vindt hier te zijn, acht verweerder onvoldoende om af te zien van de ongewenstverklaring van eiser.

12. Gelet op het voorgaande, bezien in onderlinge samenhang, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden niet zijn aangemerkt als bijzondere feiten of omstandigheden die aanleiding dienen te zijn om in zijn geval van de beleidsregels af te wijken. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het algemeen belang zwaarder weegt dan de individuele belangen van eiser en geen toepassing hoeven geven aan artikel 4:84 van de Awb. Derhalve heeft verweerder eiser in zoverre ongewenst kunnen verklaren.

13. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in het kader van de ongewenstverklaring van eiser enkel dient te worden getoetst aan het gestelde in de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

14. Ten aanzien van de vraag of de ongewenstverklaring van eiser in strijd is met artikel 3 van het EVRM, geldt dat ingevolge deze bepaling dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat eiser bij uitzetting een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

15. De rechtbank volgt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in Iran als gevolg van de bekendheid van zijn seksuele geaardheid een reëel risico loopt van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daartoe is redengevend dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn homoseksuele geaardheid bekend is geworden in Iran bij zijn ouders dan wel bij de Iraanse autoriteiten. Hierbij is van belang dat weinig waarde kan worden gehecht aan de uit tweede hand verkregen mededeling van de broer van eiser, nu eiser deze verklaring van een niet objectief verifieerbare bron op geen enkele wijze heeft onderbouwd kan onderbouwen. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk weten te maken dat de vader van [naam1] (een vriend van eiser die ook betrokken was bij de door hem gepleegde misdrijven en volgens eiser kwaad op hem was vanwege de door eiser in zijn strafzaak afgelegde belastende verklaringen) eerwraak wilde. Daarnaast heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt dat, voor zover de vader van [naam1] daadwerkelijk zou hebben gebeld met de ouders van eiser en zou hebben gezegd dat eiser homoseksueel is, zijn ouders enig geloof aan deze beschuldiging door een hen onbekende man hebben gehecht en eiser als gevolg hiervan in ongenade is gevallen bij zijn ouders en andere familieleden. Dit blijkt namelijk niet uit de verklaringen van eiser over een telefoongesprek met zijn broer, waarin zij het niet over een dergelijke beschuldiging van homoseksualiteit hebben gehad doch enkel hebben gesprokken over hoe het met eiser ging. Evenmin heeft eiser op enige andere wijze vernomen dat zijn ouders of andere familieleden hem kwaad zouden willen doen. Bovendien heeft eiser geen enkele concrete aanwijzing kunnen geven waaruit zou blijken dat zijn homoseksuele geaardheid bekend is geworden bij anderen of de Iraanse autoriteiten. Verder zijn Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2006/38 en 2007/15, waarna door eiser is verwezen, in casu niet relevant aangezien dit het asielbeleid van verweerder aangaande Iran betreft, welk beleid hier niet ter toetsing voorligt.

16. Nu de homoseksuele geaardheid van eiser op zichzelf niet in geschil is, is de rechtbank evenwel van oordeel dat verweerder niet zonder nadere motivering gevolgd kan worden in het standpunt dat eiser bij terugkeer in Iran geen risico van schending van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM loopt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de omstandigheid dat de Iraanse autoriteiten niet op de hoogte zijn van de homoseksuele geaardheid van eiser en dat de enkele geaardheid niet strafbaar is in Iran niet afdoet aan het feit dat uit paragraaf C2/2.10.2 van de Vc 2000, aangaande het beleid van verweerder inzake de vervolging van homoseksuelen, blijkt dat van vreemdelingen niet wordt verlangd dat zij bij terugkeer hun seksuele geaardheid verborgen houden. Daarvan uitgaande is bij een terugkeer van eiser niet uitgesloten dat een situatie ontstaat die schending van artikel 3 van het EVRM oplevert.

17. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder in het kader van zijn belangenafweging of tot ongewenstverklaring kan worden overgegaan niet heeft beoordeeld of eiser kan worden aangemerkt als verdragsvluchteling en of eiser, gelet daarop, op grond van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag (hierna: het Verdrag) al dan niet kan worden uitgezet naar Iran. Ook hierom mist het besluit een deugdelijke motivering. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat artikel 33 van het Verdrag buiten de omvang van het geschil valt, nu in het kader van de ongewenstverklaring enkel dient te worden getoetst aan het gestelde in de artikelen 3 en 8 van het EVRM. De rechtbank volgt dit standpunt niet.

18. Ingevolge artikel 33, eerste lid, van het Verdrag zal geen van de Verdragssluitende Staten, op welke wijze dan ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan op de voordelen van deze bepaling geen aanspraak worden gemaakt door een vluchteling ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waarin hij zich bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land.

19. Uit paragraaf C2/2.10.2 van de Vc 2000 volgt dat indien een asielzoeker zich erop beroept dat hij problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn homoseksuele geaardheid, dit onder omstandigheden kan leiden tot vluchtelingschap in de zin van het Verdrag. Het is vaste jurisprudentie dat onder vervolging wegens het behoren tot een sociale groep als bedoeld in artikel 1A van het Verdrag, mede vervolging wegens seksuele geaardheid wordt begrepen. Indien sprake is van een bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is dit een daad van vervolging. Dit is bijvoorbeeld het geval indien het homoseksueel zijn of het uiten van specifiek homoseksuele gevoelens strafbaar is gesteld. Voor de conclusie dat er sprake is van vluchtelingschap moet wel sprake zijn van een bestraffingsmaatregel van een zeker gewicht. In het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Iran van 22 juli 2008, alsook in het thematisch ambtsbericht van inzake de situatie van homoseksuelen in Iran van 28 mei 2009, staat dat homoseksualiteit op zichzelf in Iran niet strafbaar is. Seksuele handelingen tussen mensen van hetzelfde geslacht zijn wel strafbaar en kunnen volgens de wet worden bestraft met de doodstraf. Sodomie, dat wil zeggen geslachtsverkeer tussen twee mannen of tussen twee vrouwen, kan worden bestraft met de dood, indien beide partijen are mature, of sound mind and have free will. Derhalve blijkt uit het voorgaande dat het uiten van homoseksuele gevoelens wordt bestraft met de dood, hetgeen, gelet op het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf C2/2.10.2 van de Vc 2000 als een daad van vervolging wordt aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook op grond van de in het bestreden besluit gemaakte belangenafweging in redelijkheid niet tot ongewenstverklaring van eiser kunnen besluiten.

20. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het besluit tot ongewenstverklaring niet zorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering mist en daarom geen stand kan houden. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Awb in aanmerking, zulks onder gegrondverklaring van het beroep.

21. Tot slot overweegt de rechtbank aangaande de vraag of de ongewenstverklaring van eiser in strijd is met het bepaalde in artikel 8 van het EVRM als volgt.

22. In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé-leven. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, het economisch welzijn, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.

23. Naar het oordeel van de rechtbank kan de conclusie van verweerder in het bestreden besluit dat geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM de toetsing in rechte doorstaan. Immers, eiser heeft geenszins aannemelijk gemaakt dat hij en zijn vriend, de heer [naam2]. partners zijn in een reële en voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen relatie. Eiser stelt dat hij en zijn partner elkaar al enige jaren kennen en ook enige tijd hebben samengewoond, maar hij kan deze gestelde samenwoning op geen enkele wijze onderbouwen. De verklaring van de partner van eiser van 11 maart 2009 is hiertoe onvoldoende en bovendien niet afkomstig uit een objectieve, verifieerbare bron. Zelfs indien zou worden uitgegaan van een periode van samenwoning van vier tot vijf maanden, is dit volgens verweerder te kort om te concluderen dat sprake is van een relatie in de zin van artikel 8 van het EVRM. De verklaring van eiser dat hij en zijn partner elkaar slechts één keer in de maand dan wel twee maanden zien, duidt evenmin op een relatie als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De verklaring van eiser voor deze lage frequentie maakt dit niet anders.

24. Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen betekent de ongewenstverklaring van eiser geen inmenging in het familie- of gezinsleven, nu geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM vanwege het niet aannemelijk hebben gemaakt van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en de heer [naam2].

25. Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat in deze uitspraak het beroep gegrond zal worden verklaard, met als gevolg dat het bestreden besluit (deels) zal worden vernietigd. Niettemin heeft de rechtbank bepaalde gronden van het beroep uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Om te voorkomen dat deze verwerping in rechte komt vast te staan, kan tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep worden ingesteld.

26. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank voorts termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

27. Aangezien ten behoeve van eiser geen toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan eiser.

28. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,00, en te voldoen aan eiser.

Aldus gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit als rechter in tegenwoordigheid van mr. B.J. Groothedde als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2009.