Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK8417

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
AWB 08/6356
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van het opleggen van boetes bevat de Wav stingente bepalingen. In artikel 18 is bepaald welke de beboetbare feiten zijn en in artikel 19a is bepaald dat een boete kan worden opgelegd indien sprake is van het niet-naleven van een verplichting voortvloeiend uit deze wet voorzover het niet-naleven is aangeduid als een beboetbaar feit. Dit betekent dat slechts indien artikel 2, eerste lid, van de Wav ruim moet worden opgevat - zonder vergunning voor de desbetreffende arbeid (zoals het tweede lid ook bepaalt) - hier een bevoegdheid tot boete-oplegging bestaat.

De rechtbank stelt vast dat deze ruime uitleg niet afgeleid kan worden uit de MvT nu daarin geen passage is opgenomen die dit expliciet onderschrijft. De rechtbank acht de door verweerder gegeven uitleg van artikel 2 van de Wav evenwel niet onredelijk. Hierbij is van belang dat blijkens de MvT een belangrijke doelstelling van de wetgever is geweest adequaat te kunnen optreden tegen het goedkoop laten verrichten van reguliere arbeid door vreemdelingen met verdringing van prioriteit genietend aanbod als gevolg. Deze doelstelling zou in vergaande mate worden doorkuist indien de stelling van eiseres moet worden gevolgd dat de afgifte van een tewerkstellingsvergunning reeds af zou doen aan de bevoegdheid een boete op te leggen wegens schending van artikel 2 van de Wav in het geval later blijkt dat de verrichte werkzaamheden niet (geheel) overeenkomen met de aan de vergunning gekoppelde beperking. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/6356 WAV

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

Rangsit University, gevestigd te Pathumthani (Thailand), eiseres,

gemachtigde mr. K. Roderburg,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

IPROCESVERLOOP

Bij besluit van 26 maart 2008 heeft verweerder eiseres op grond van artikel 19a, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (verder: Wav) een bestuurlijke boete opgelegd van € 176.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav.

Bij besluit van 24 juli 2008 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 augustus 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 15 september 2009 ter zitting behandeld.

Namens eiseres zijn verschenen [A] en [B], bijgestaan door mr. K. Roderburg, advocaat te Amsterdam.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. van Muiswinkel en mr. M.C. Stokman.

IIOVERWEGINGEN

1De rechtbank staat in dit geding voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op de daartegen aangedragen beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2.1Eiseres is een universiteit gevestigd in Pathumthani (Thailand). Zij biedt onder meer het Hospitality Exchange Program (verder: HEP opleiding) aan. Ten behoeve van de HEP opleiding is eiseres een bilaterale samenwerkingsovereenkomst aangegaan met de Christelijke Hogeschool Nederland (verder: CHN) te Leeuwarden. Uit hoofde van deze samenwerkingsovereenkomst volgen studenten onderwijs en een stage in respectievelijk Nederland en Thailand. Thaise studenten wordt de mogelijkheid geboden om managementvaardigheden te ontwikkelen door middel van een stage in Nederland. Voor de uitvoering van de stage worden de Thaise studenten bij verschillende vestigingen van Bilderberg Hotels geplaatst. Zij werken in de bediening en in de keuken alwaar zij onder meer leren zelfstandig te werken, te plannen en klachten te behandelen zodat zij zelf een afdeling in een hotel kunnen managen. Ten einde de stage voor Bilderberg Hotels in Nederland aantrekkelijker te maken heeft eiseres onder meer de aanvragen om tewerkstellingsvergunningen verzorgd.

2.2Het Centrum voor Werk en Inkomen (thans UWV Werkbedrijf) heeft aan Bilderberg Hotels en Restaurants (hierna: Bilderberg) op 1 juni 2006 tewerkstellingsvergunningen verleend om door de vreemdelingen arbeid te laten verrichten als stagiair (hotel). De tewerkstellingsvergunningen waren geldig van 21 juli 2006 tot 21 januari 2007.

2.3Op 11 augustus 2006 heeft het Centrum voor Werk en Inkomen (verder: CWI) de Arbeidsinspectie verzocht onderzoek te doen naar de werkzaamheden van Thaise studenten die via de HEP opleiding stage volgen bij een aantal vestigingen van Bilderberg. Op respectievelijk 30 november 2006, 1 december 2006, 5 december 2006 en 7 december 2006 hebben inspecteurs van de Arbeidsinspectie tien vestigingen van Bilderberg bezocht in verband met een controle in het kader van de Wav. Volgens het naar aanleiding van die controle opgemaakte boeterapport van 12 juni 2007 troffen zij daar 22 personen aan die keukenwerkzaamheden en werkzaamheden in de bediening verrichtten. Bij nader onderzoek bleek dat deze personen vreemdelingen waren in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en dat zij uitsluitend beschikten over tewerkstellingsvergunningen die waren afgegeven ten behoeve van een stage. De Arbeidsinspectie kwam op grond van onderzoek tot de conclusie dat de werkzaamheden niet aangemerkt konden worden als stagewerkzaamheden, maar als reguliere werkzaamheden die gedurende de gehele stageperiode nagenoeg ongewijzigd bleven.

3Verweerder heeft zich in het bestreden besluit - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden niet te onderscheiden waren van reguliere arbeid en dat, nu geen reguliere tewerkstellingsvergunningen verstrekt waren doch uitsluitend tewerkstellingsvergunning ten behoeve van een stage, eiseres artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden. De overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav zijn aan eiseres toe te rekenen. Voorts heeft verweerder overwogen dat de boete niet onevenredig hoog is. Er is geen sprake van het ontbreken van verwijtbaarheid aangezien niet is gebleken dat eiseres er op heeft toegezien dat de werkzaamheden van de stagiaires uit meer zouden bestaan dan het uitvoeren van eenvoudige werkzaamheden gedurende de gehele stageperiode.

4Eiseres heeft in haar beroepschrift - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. Verweerder heeft niet tijdig beslist op het bezwaar van 29 april 2008 waardoor de periode waarin eiseres in haar belangen is geschaad onnodig is verlengd. Verweerder heeft volgens eiseres bij het vergaren van de feiten niet de zorgvuldigheid betracht die van een bestuursorgaan verwacht mag worden. Voor de 22 Thaise studenten waren wel tewerkstellingsvergunningen aanwezig, zodat artikel 2, eerste lid, van de Wav niet is overtreden. Eiseres mocht er ook op vertrouwen dat aan de vergunningplicht was voldaan. Bij de vergunningaanvraag heeft zij immers het stageprogramma overgelegd en het CWI heeft op basis van dat programma de vergunningen verleend. De stage was noodzakelijk ter voltooiing van hun opleiding, er was een uitgewerkt en gefaseerd stageplan aanwezig en er werd volgens dat plan gewerkt. Door de manier van ondervragen valt op de ten overstaan van de Arbeidsinspectie door de studenten afgelegde verklaringen af te dingen. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat de motivering van het besluit incorrect dan wel onvoldoende kenbaar is. Van handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav is volgens eiseres voorts geen sprake, omdat zij niet kan worden aangemerkt als werkgever. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu aan CHN geen boete is opgelegd. Verweerder heeft de relevante belangen niet op de juiste wijze tegen elkaar afgewogen. Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat geen sprake is van verwijtbaarheid van haar kant. Zij heeft alles gedaan wat in redelijkheid van haar verwacht mag worden.

5.1Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de Wav wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder werkgever verstaan: degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

5.2Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

5.3Ingevolge artikel 18 van de Wav wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, en 15 van de Wav aangemerkt als een beboetbaar feit.

5.4Ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de Wav legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

5.5Ingevolge beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav wordt bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, Wav, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de Beleidsregels is gevoegd. Ingevolge de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav gesteld op € 8.000,00.

5.6Ingevolge paragraaf 24 van de Uitvoeringsregels behorende bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen (verder: Uitvoeringsregels) kan voor vreemdelingen die arbeid verrichten die noodzakelijk is ter voltooiing van hun opleiding, voor maximaal een jaar een tewerkstellingsvergunning worden verleend zonder toepassing van artikel 8, eerste lid, onder a, b en d, van de Wav. Voorwaarde voor toepassing van deze uitzonderingsmogelijkheid is dat deze stagiaires reeds een voldoende vakgerichte basisopleiding hebben gevolgd in hun land van herkomst.

Voor alle hiervoor bedoelde stages dient uit een door de desbetreffende onderwijsinstelling afgegeven verklaring te blijken dat de stage een noodzakelijk onderdeel uitmaakt van het onderwijsprogramma. Tevens dient een gefaseerd stageprogramma te worden overgelegd waaruit blijkt wat de inhoud van de stage is. Het aantal stagiaires per werkgever dient beperkt te blijven tot 10% van het vaste personeelsbestand, met een minimum van 2. Deze beperking is niet van toepassing op vreemdelingen die beschikken over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het volgen van een studie, of een W-document.

6.1Vast staat dat verweerder bij het beslissen op het bezwaarschrift van eiseres de daarvoor in artikel 7:10 van de Awb gestelde termijn niet in acht heeft genomen. Overschrijding van die termijn betekent echter niet dat dit besluit reeds op die grond voor vernietiging in aanmerking komt. Er valt immers geen wettelijk voorschrift aan te wijzen dat bepaalt dat in een geval als het onderhavige het desbetreffende besluit niet in stand kan blijven. Evenmin bestaat er grond voor het oordeel dat eiseres door deze gang van zaken zodanig in haar belangen is geschaad, dat het bestreden besluit om die reden wegens strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig rechtsbeginsel niet in stand kan blijven. Verweerder heeft eiseres bij brief van 30 juni 2008 op de hoogte gesteld van het feit dat de termijn voor het nemen van een beslissing op haar bezwaar is verlengd. Eiseres had desgewenst tegen het uitblijven van de beslissing op bezwaar kunnen opkomen op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, wat zij niet heeft gedaan.

6.2Voorts is niet in geschil dat de vreemdelingen zijn aan te merken als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en dat zij de onder rechtsoverweging 2.3 genoemde werkzaamheden hebben verricht.

6.3Blijkens de Memorie van Toelichting (TK 1993-1994, 23 574, nr. 3, p. 13-14) bij artikel 1 en 2 van de Wav is diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever en is deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht, is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende (Memorie van Antwoord, TK 1993-1994, 23 574, nr. 5, p. 2). Voorts is voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav instemming met, onderscheidenlijk wetenschap van de arbeid niet vereist. Het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan, wordt ook opgevat als het laten verrichten van arbeid. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 11 juli 2007 (LJN: BA9298).

6.4Uit het ruime werkgeversbegrip van de Wav volgt dat voor het aanmerken van een onderwijsinstelling als werkgever in de zin van de Wav niet is vereist dat de instelling stagiaires bedrijfsmatig arbeid laat verrichten, dan wel opdracht hiertoe geeft, doch slechts dat zij hen feitelijk arbeid laat verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de vreemdelingen de werkzaamheden ten dienste van eiseres verricht en heeft verweerder eiseres terecht aangemerkt als werkgever op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de Wav.

6.5Ten aanzien van de stelling dat wel tewerkstellingsvergunningen waren verleend, derhalve artikel 2, eerste lid, van de Wav niet is overtreden, overweegt de rechtbank het volgende. Het CWI heeft hier inderdaad - op grond van de in het op artikel 5 van de Wav gebaseerde artikel 1 van het Delegatie- en Uitvoeringsbesluit Wav neergelegde bevoegdheid - wel tewerkstellingsvergunningen verleend en wel om de betreffende Thaise personen "arbeid te doen verrichten als stagiair (hotel)", welke vergunningen geldig waren van 21 juli 2006 tot 21 juli 2007. In zoverre is de constatering in het primaire besluit, dat is gewerkt zonder tewerkstellingsvergunning, dan ook onjuist. In het bestreden besluit heeft verweerder echter nader verduidelijkt dat zonder vergunning voor de betreffende arbeid is gewerkt.

6.6Alvorens tot vergunningverlening over te gaan diende het CWI te toetsen aan de Uitvoeringsregels. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of indien later blijkt dat niet conform de in de vergunning omschreven beschrijving - hier: arbeid als stagiair - wordt gewerkt strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav geconstateerd kan worden in welk geval tot boete-oplegging kan worden overgegaan.

6.7Ten aanzien van het opleggen van boetes bevat de Wav stringente bepalingen. In artikel 18 is bepaald welke de beboetbare feiten zijn en in artikel 19a is bepaald dat een boete kan worden opgelegd indien sprake is van het niet-naleven van een verplichting voortvloeiend uit deze wet voorzover het niet-naleven is aangeduid als beboetbaar feit. Dit betekent dat slechts indien artikel 2, eerste lid, van de Wav ruim moet worden opgevat - zonder vergunning voor de desbetreffende arbeid (zoals het tweede lid ook bepaalt)- hier een bevoegdheid tot boete-oplegging bestaat. De rechtbank stelt vast dat deze ruime uitleg niet afgeleid kan worden uit de MvT nu daarin geen passage is opgenomen die dit expliciet onderschrijft. De rechtbank acht de door verweerder gegeven uitleg van artikel 2 van de Wav evenwel niet onredelijk. Hierbij is van belang dat blijkens de MvT een belangrijke doelstelling van de wetgever is geweest adequaat te kunnen optreden tegen het goedkoop laten verrichten van reguliere arbeid door vreemdelingen met verdringing van prioriteit genietend aanbod als gevolg. Deze doelstelling zou in vergaande mate worden doorkruist indien de stelling van eiseres moet worden gevolgd dat de afgifte van een tewerkstellingsvergunning reeds af zou doen aan de bevoegdheid een boete op te leggen wegens schending van artikel 2 van de Wav in het geval later blijkt dat de verrichte werkzaamheden niet (geheel) overeenkomen met de aan de vergunning gekoppelde beperking. Dit geldt temeer als sprake is van een werkgever die wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat de betreffende werkzaamheden niet (geheel) onder de bedoelde beperking vallen. Dat de opvatting van verweerder maakt dat in voorkomende gevallen de (uitleg van de) beperking van de vergunning leidend is voor de vraag of sprake is van een overtreding ingevolge artikel 2 van de Wav past voorts in de systematiek van de wet nu de beperking evenzeer beslissend is voor het toepassingsbereik van de vergunning door voor te schrijven welke arbeid met de betreffende vergunning mag worden verricht. De rechtbank vindt daarnaast steun voor voormeld oordeel in de jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 februari 2008, LJN: BC3644) waaruit - zij het impliciet - voortvloeit dat de toepassing van artikel 2 van de Wav zoals verweerder die voorstaat, niet onrechtmatig is.

6.8De tewerkstellingsvergunningen zijn verleend ten behoeve van stages voor een postdoctorale opleiding op ten minste HBO-niveau. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de werkzaamheden die de vreemdelingen verrichtten niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. De stagiaires werden gedurende de stageperiode voltijd ingeroosterd voor deze werkzaamheden. Uit de afgelegde verklaringen van de vreemdelingen, die nagenoeg gelijkluidend zijn, blijkt dat er geen afwisseling van taken was of van de afdelingen waarin zij tewerkgesteld werden, geen sprake was van een structurele stagebegeleiding, er niets of nauwelijks iets geleerd werd over management en dat zij niet werden voorbereid op taken op supervisorniveau. Er zat geen progressie in de werkzaamheden. De vreemdelingen droegen geen eindverantwoordelijkheid. De werkzaamheden bestonden uitsluitend uit eenvoudige taken, zoals tafeldekken, ontbijt klaarzetten, bedienings- en afruimwerkzaamheden in vergaderzalen alsmede eenvoudige hulptaken in de keuken, zoals ingrediënten bijvullen of groenten snijden. Alle vreemdelingen hebben verklaard onder hun niveau te hebben gewerkt en weinig inhoudelijk te hebben geleerd van de werkzaamheden die zij deden. De werkzaamheden gedurende de stageperiode onderscheidden zich niet van die van het vaste personeel. De rechtbank ziet geen reden waarom verweerder de verklaringen van de vreemdelingen niet aan de boeteoplegging ten grondslag heeft mogen leggen. Volgens vaste jurisprudentie mag in beginsel worden uitgaan van de juistheid van een ten overstaan van de opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt. Daarvan is echter niet gebleken. Alvorens de vreemdelingen als getuigen zijn gehoord, is aan hen meegedeeld waarover zij werden gehoord. De verklaringen die de vreemdelingen hebben afgelegd zijn uitvoerig en consistent. Deze verklaringen zijn aan hen voorgelezen, waarna zij bij die verklaringen hebben volhard en deze hebben ondertekend. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de verklaringen niet vrijwillig of onder druk zijn afgenomen. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat de inspecteurs het onderzoek naar een bepaalde uitkomst hebben willen leiden, overweegt de rechtbank dat nu eiseres de integriteit van ambtenaren ter discussie stelt, het aan haar is haar standpunt hieromtrent aannemelijk te maken. Eiseres heeft haar stelling echter niet onderbouwd. De omstandigheid dat de in Nederland opgedane werkervaring voor een aantal vreemdelingen gunstig is gebleken bij het vinden van een baan, maakt dat niet anders. De omstandigheid dat eiseres bij de aanvragen voor de tewerkstellingsvergunningen een stageprogramma bij het CWI heeft ingediend en het CWI op basis daarvan de tewerkstellingsvergunningen heeft afgegeven, doet daar evenmin aan af. Het CWI kan immers niet voorafgaande aan de vergunningverlening toetsen of de werkzaamheden zoals die in de praktijk worden uitgevoerd ook daadwerkelijk volgens het stageprogramma worden verricht en op het niveau van een postacademische HBO-opleiding zijn. Van handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

6.9Nu de door de 22 vreemdelingen verrichte werkzaamheden niet te onderscheiden waren van reguliere arbeid diende eiseres te beschikken over tewerkstellingsvergunningen voor die arbeid. Daar eiseres noch Bilderberg beschikte over dergelijke tewerkstellingsvergunningen, is sprake van overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Verweerder was derhalve bevoegd ter zake van dit beboetbare feit een boete op te leggen aan eiseres.

6.10Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling wordt in situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt, van boeteoplegging afgezien. Daartoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was is gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de boete te matigen.

6.11Bij een besluit tot boeteoplegging is voorts het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. In het licht van hetgeen hiervoor onder punt 6.7 is overwogen zou dit ook het geval kunnen zijn als de discrepantie tussen de gegeven beperking en de verrichte werkzaamheden dermate klein is dat de opgelegde boete niet meer in een redelijke verhouding staat tot de overtreding. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. Het is aan degene die een beroep doet op bijzondere omstandigheden om dit beroep te staven.

6.12Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid. Als verzorgster van de postacademische HBO-opleiding in het kader waarvan de stage werd gelopen, was eiseres verantwoordelijk voor het voldoen aan de voorwaarden waaronder de tewerkstellingsvergunningen waren verleend. Niet is gebleken dat eiseres er op heeft toegezien dat de werkzaamheden van de 22 stagiaires bestonden uit werkzaamheden op HBO-niveau. Evenmin is aanleiding de boete te matigen wegens een verminderde mate van verwijtbaarheid. Eiseres had maatregelen kunnen treffen om ervoor te zorgen dat de werkzaamheden bestonden uit werkzaamheden op HBO-niveau. Het betoog van eiseres, dat geen verdringing van legaal arbeidsaanbod heeft plaatsgevonden en Bilderberg met de tewerkstelling van de vreemdelingen geen financieel voordeel heeft behaald, treft geen doel. Het prijspeil in Thailand kan evenmin tot de conclusie leiden dat de boete zou moeten worden gematigd, reeds omdat eiseres geen controleerbare gegevens heeft verschaft en met bescheiden heeft toegelicht, dat zij door de boete onevenredig wordt getroffen. De rechtbank neemt hierbij nog in aanmerking dat eiseres met verweerder een betalingsregeling heeft getroffen om de boete in drie termijnen te betalen. Tot slot is, gelet op hetgeen hiervoor onder 6.8 is overwogen, de discrepantie tussen de beperking en de verrichte werkzaamheden niet dermate klein dat de opgelegde boete in dit geval disproportioneel moet worden geacht.

6.13Dat aan CHN geen boete is opgelegd, betekent niet dat de boete aan eiseres is opgelegd in strijd met het gelijkheidsbeginsel. CHN heeft, zoals verweerder ook ter zitting heeft toegelicht, slechts mogelijk gemaakt dat de 22 vreemdelingen gedurende drie weken onderwijs aan haar instelling hebben kunnen volgen. Anders dan eiseres kan CHN niet worden aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav. Van gelijkheid is dan ook geen sprake.

7Het beroep is ongegrond.

8Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

IIIBESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.D.G.J. Dop, mr. M.M.F. Holtrop en mr. D. Biever in tegenwoordigheid van de griffier Y.E. de Loos.

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.