Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK8340

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
AWB 09/8524
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Het komt de voorzieningenrechter merkwaardig voor dat verweerder zonder nadere motivering een beroep doet op artikel 43, onder e, van de Wbp, terwijl er een jarenlange vaste gedragslijn bestond dat minuten aan betrokkenen in afschrift werden verstrekt. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden welke rechten en vrijheden van ambtenaren thans, anders dan in het verleden, beschermd moeten worden. Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3

Reg.nr.: AWB 09/8524 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[A], wonende te [plaats], verzoeker,

gemachtigde mr. J. Singh,

ter zake van het besluit van 16 november 2009 van de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, waarbij het verzoek van verzoeker van 17 oktober 2009 om inzage van zijn persoonsgegevens, neergelegd in de minuut bij de brieven van 20 januari 2006, 7 april 2006 en 27 juni 2008 is afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 18 november 2009 bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij bij brief van 24 november 2009 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is ontvangen bij de rechtbank 's-Gravenhage, Vreemdelingenkamer, nevenzittingsplaats Haarlem. Bij brief van 2 december 2009 is het verzoek doorgezonden naar deze rechtbank.

Het verzoek is op 14 december 2009 ter zitting behandeld. Verzoeker is verschenen bij gemachtigde, drs. J.E. Groenenberg (werkzaam ten kantore van de gemachtigde van verzoeker). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. Berg.

IOVERWEGINGEN

1.Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

2.1Verzoeker heeft bij brief van 17 oktober 2009 verzocht om afgifte van de minuten, die ten grondslag liggen aan de besluiten van 20 januari 2006, 7 april 2006 en 27 juni 2008.

2.2Bij het bestreden besluit van 16 november 2009 heeft verweerder het verzoek met toepassing van artikel 43, onder e, van de Wet beschermingpersoonsgegevens (Wbp) afgewezen omdat de rechten en vrijheden van anderen in het geding zijn. De opsteller van een minuut of nota kan zich belemmerd voelen in de vrijheid om argumenten en overwegingen naar voren te brengen, die bij de besluitvorming van belang kunnen zijn, als het document na afronding van de besluitvorming voor inzage vatbaar is. Dit zou kunnen leiden tot het niet vermelden van dergelijke overwegingen en daarmee de besluitvorming raken.

2.3Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder bij brief van 19 oktober 2009 uiterst summier de inhoud van de minuten heeft weergegeven. Voorts heeft een medewerkster van verweerder telefonisch met de gemachtigde van verzoeker de inhoud van de minuut doorgenomen. Verzoeker stelt dat artikel 43, onder e, van de Wbp ziet op rechten van verzoeker en anderen, zijnde derden, en dat dit artikel niet is geschreven ter bescherming van een bestuursorgaan. Daartoe verwijst hij naar artikel 1, onder g, van de Wbp.

Verzoeker meent dat zijn beroep op artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gehonoreerd dient te worden.

3.1Artikel 1, aanhef en onder g, van de Wbp luidt als volgt:

'Voor deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder derde verstaan:

ieder, niet zijnde de betrokkene, de verantwoordelijke, de bewerker, of enig persoon die onder rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke of de bewerker gemachtigd is om persoonsgegevens te verwerken.'

3.2Artikel 35 van de Wbp luidt als volgt:

1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

3. Voordat een verantwoordelijke een mededeling doet als bedoeld in het eerste lid, waartegen een derde naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt hij die derde in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de mededeling gegevens bevat die hem betreffen, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.

4. Desgevraagd doet de verantwoordelijke mededelingen omtrent de logica die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens.

3.3Artikel 43 van de Wbp luidt als volgt:

De verantwoordelijke kan de artikelen 9, eerste lid, 30, derde lid, 34 en 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:

a. de veiligheid van de staat;

b. de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten;

c. gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen;

d. het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld onder b en c, of

e. de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

4.Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat het verzoek om verstrekking ambtshalve is aangemerkt als een verzoek in het kader van de Wbp en niet in het kader van de Wob. Verweerder heeft voorts medegedeeld dat de minuut een interne juridische analyse is. Dit bevat overwegingen van de ambtenaar waarom hij tot een besluit is gekomen. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat in de minuut geen persoonsgegevens zijn vermeld en subsidiair dat artikel 43, onder e, van de Wbp van toepassing is. Verweerder hanteerde tot voor kort de gedragslijn dat een minuut wel werd verstrekt omdat sporadisch een verzoek om verstrekking van de minuut werd ingediend. Thans geldt een nieuwe gedragslijn, waaruit volgt dat dergelijke verzoeken niet worden ingewilligd. De verzoeken brengen een grote werklast met zich mee.

5.Verzoeker heeft ter zitting medegedeeld dat hetgeen hij heeft gesteld met betrekking tot de Wob komt te vervallen. Voorts heeft hij medegedeeld dat alleen de inhoud van de minuut die ten grondslag ligt aan het besluit van 7 april 2006 telefonisch is medegedeeld.

6.Niet in geschil is dat verweerder in dit kader de verantwoordelijke is.

De voorzieningenrechter laat thans in het midden of verzoeker gevolgd kan worden in zijn stelling dat "anderen" als bedoeld in artikel 43, onder 3, van de Wbp gelijkgesteld moeten worden met "derden" als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder g, van de Wbp.

Het komt de voorzieningenrechter merkwaardig voor dat verweerder zonder nadere motivering een beroep doet op artikel 43, onder e, van de Wbp, terwijl er een jarenlange vaste gedragslijn bestond dat minuten aan betrokkenen in afschrift werden verstrekt. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden welke rechten en vrijheden van ambtenaren thans, anders dan in het verleden, beschermd moeten worden.

7.De voorzieningenrechter overweegt verder dat niet snel dient te worden besloten tot het treffen van een voorlopige voorziening ter zake van het besluit om met een beroep op de Wbp verstrekking van gegevens te weigeren. Een dergelijke voorziening ontbeert immers uit de aard der zaak een voorlopig karakter en beslecht het geschil in feite definitief. Slechts als het besluit evident onrechtmatig is en onweerlegbaar sprake is van een aanspraak op verstrekking van gegevens en de verzoeker daar voorts een spoedeisend belang bij heeft, bestaat er ruimte voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Van een evident onrechtmatig besluit in vorenbedoelde zin is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Er zijn meerdere afwijzingsgronden mogelijk en verweerder kan de eventuele toepassing daarvan in bezwaar bezien. Gezien de onmogelijkheid om thans een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven, wijst de voorzieningenrechter, het belang van verzoeker bij verstrekking van gegevens afwegend tegen het belang dat is gediend bij het voorkomen daarvan, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

8.Ten overvloede wordt overwogen als volgt.

Gelet op hetgeen verweerder ter zitting heeft aangevoerd, komt het de voorzieningenrechter voor dat de eigenlijke afwijzingsgrond is gelegen in de administratieve lasten die verzoeken om verstrekking van minuten met zich meebrengen.

Uit de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 892, nr. 3) bij artikel 43, onder e, van de Wbp volgt dat onder 'anderen' ook de verantwoordelijke moet worden begrepen. De verantwoordelijke zal niet uitsluitend op grond van zijn belang om administratieve lasten te beperken, een verzoek om informatie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, mogen afwijzen. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 29 juni 2007 (LJN: AZ4663) volgt dat het bezit van een groot cliëntenbestand meebrengt dat veel cliënten een beroep op de hun toekomende rechten kunnen doen. De verantwoordelijke zal aannemelijk dienen te maken dat door inwilliging van het verzoek de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat de verantwoordelijke in een van zijn rechten en vrijheden wordt (of dreigt te worden) aangetast. Vooralsnog is hiervan niet gebleken, zodat een dergelijke afwijzingsgrond evenmin stand zal kunnen houden.

9.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

IIBESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. C.C. de Rijke-Maas, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier A.J. Faasse-van Rossum.

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.