Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK8293

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
07/45224; 07/45225
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL7661, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van het beroep van eisers op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009 (LJN BI4791). In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009 in zaak C 465/07 (LJN BH3646), gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, kan worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet volgens de Afdeling in de vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008, nr. 25904, NA tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN BF0248) - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Uit de uitspraak van de Afdeling kan tevens worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 geen rol speelt. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 reeds aanspraak bestaat op bescherming tegen het lopen van een reëel risico op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn omschreven ernstige schade. Nu eisers niet hebben aangetoond dat de mate van willekeurig geweld in Burundi ten tijde van de totstandkoming van het bestreden besluit dermate hoog was dat zij, louter door hun aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liepen op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige schade, heeft verweerder terecht geen grondslag gezien voor vergunningverlening op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 07/45224 en AWB 07/45225

V-nummers […]

Inzake: […], eiser, en […], eiseres, alsmede hun minderjarige kinderen,

gemachtigde mr. J. van Veelen-de Hoop, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Maas.

I Procesverloop

1.1 Eiser, naar eigen zeggen, geboren op […] 1975 en van Burundische nationaliteit, verblijft sinds 17 augustus 2005 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in Nederland. Op 3 oktober 2005 heeft hij, mede ten behoeve van zijn minderjarige kinderen […] en […], een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 7 oktober 2005 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, met ingang van 3 oktober 2005, geldig tot 3 oktober 2010.

1.2 Eiseres, naar eigen zeggen, geboren op […] 1977 en van Burundische nationaliteit, verblijft sinds 11 oktober 2006 als vreemdeling in de zin van de Vw 2000 in Nederland. Op 15 november 2006 heeft zij, mede ten behoeve van haar minderjarige dochter […], een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 22 november 2006 is eiseres in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, met ingang van 15 november 2006, geldig tot 15 november 2011.

1.3 Op 11 april 2007 heeft verweerder aan eisers het voornemen kenbaar gemaakt tot intrekking van de aan hen verleende vergunningen. Op 7 respectievelijk 20 juni 2007 hebben eisers hun zienswijzen hierop naar voren gebracht. Bij besluiten van 2 november 2007 (hierna: de bestreden besluiten) heeft verweerder de aan eisers verleende verblijfsvergunningen ingetrokken.

2 Op 30 november 2007 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft op 17 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 8 september 2009. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen J.B. Rutagengwa, tolk in de taal Kirundi.

II Overwegingen

Wettelijk kader

1.1 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000 is komen te vervallen.

1.2 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmense¬lijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van verweerder op grond van klemmende redenen van huma¬ni¬taire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van verweerder van bij¬zon¬dere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

1.3 Ingevolge het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingen¬ver¬drag) is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

1.4 Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

1.5 Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Definitierichtlijn) wordt in de richtlijn verstaan onder "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

1.6 Ingevolge artikel 15 van de Definitierichtlijn bestaat ernstige schade uit:

a) doodstraf of executie; of

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

1.7 Ingevolge artikel 18 van de Definitierichtlijn verlenen lidstaten de subsidiaire-beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

Standpunten van partijen

2 De bestreden besluiten strekken tot intrekking van de aan eisers verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, nu de rechtsgrond voor verlening als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d en e, van de Vw 2000 is komen te vervallen. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eisers evenmin in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op een van de overige gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

3 In beroep hebben eisers aangevoerd dat verweerder ten onrechte de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd heeft ingetrokken. Gezien de verslechterde veiligheidssituatie in Burundi heeft verweerder ten onrechte besloten het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit dat land te beëindigen. Verweerder heeft daarbij gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door aan eiseres een vergunning te verlenen op een moment dat het categoriale beschermingsbeleid reeds was beëindigd en die vergunning vervolgens weer in te trekken wegens beëindiging van dat beleid.

Daarnaast heeft verweerder eisers ten onrechte niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op een van de overige gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

Verweerder heeft in dat kader ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn nationaliteit, identiteit, reisroute en asielrelaas. Voorts heeft verweerder ten onrechte aan eisers tegengeworpen dat hun relaas ongeloofwaardig is en geen positieve overtuigingskracht heeft.

Eisers hebben gesteld dat zij nog steeds hebben te vrezen voor vervolging en een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Daarnaast hebben zij vanwege hun gemengde afkomst te vrezen voor discriminatie.

Met een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn hebben eisers gesteld dat in hun geval sprake is van een reëel risico op het lijden van ernstige schade als bedoeld in deze bepaling.

Eiser heeft gesteld dat hij voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid.

Aan eiseres dient een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 te worden verleend.

Beoordeling

4.1.1 Bij besluit van 7 oktober 2005 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfs-vergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Burundi, dat verweerder destijds voerde op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Aan eiseres is bij besluit van 22 november 2006 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

4.1.2 Vaststaat dat verweerder per 19 juni 2006 het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Burundi heeft beëindigd. Verweerder heeft dit besluit toegelicht bij brief van dezelfde datum, gericht aan de voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten Generaal. Op grond van informatie in het algemeen ambtsbericht Burundi van 31 maart 2006 van de Minister van Buitenlandse Zaken acht verweerder terugkeer van vreemdelingen naar Burundi niet langer van bijzondere hardheid in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000. De Tweede Kamer heeft op 28 juni 2006 met deze beleidswijziging ingestemd.

4.1.3 Ten aanzien van de vraag of aanleiding bestaat een categoriaal beschermingsbeleid te voeren, heeft verweerder een ruime beleids- en beoordelingsvrijheid. De aanwending van die vrijheid kan de toetsing in rechte alleen dan niet doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat het besluit niet strookt met de wettelijke voorschriften, dan wel dat verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. De taak van de rechter is het besluit van verweerder omtrent de algehele situatie van het land van herkomst aan die maatstaven te toetsen, niet om een eigen oordeel omtrent de algehele- en veiligheidssituatie aldaar te vormen en deze in de plaats van die van verweerder te stellen. Met andere woorden: De rechter dient het oordeel van verweerder terzake in beginsel te respecteren (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierna: de Afdeling, uitspraak van 28 juli 2009, zaaknr. 200807882/1).

Eisers hebben gesteld dat de mensenrechtensituatie in Burundi sinds oktober 2006 is verslechterd. Ter onderbouwing van hun stelling hebben zij verwijzen naar het Human Rights Watch Report van januari 2007, de brief van Amnesty International van 21 november 2006, de informatie van Human Rights Watch van 12 december 2006, het rapport van de Verenigde Naties van 17 mei 2007, het Country Report van het US Department of State van 6 maart 2007 en het rapport van de Verenigde Naties van 19 september 2006. Daarnaast hebben eisers gewezen op een toespraak van K. van den Broek, werkzaam bij Cordaid, voor de werkgroep Vluchtelingen waarin hij heeft gezegd dat er nog steeds een strijd gaande is tussen de FNL en de regering en dat de veiligheidssituatie geenszins is verbeterd.

Verweerder ontkent niet dat er in bepaalde gebieden van Burundi nog steeds gevechten plaatsvinden tussen het regeringsleger en de rebellengroepering FNL en dat de FNL daar een bedreiging vormt. Verweerder wijst er echter op dat de veiligheidssituatie in grote delen van Burundi is verbeterd en het, mede door de aanwezigheid van de vredesmacht van de Verenigde Naties, relatief rustig is geworden. Verweerder baseert zich daarbij op de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 maart 2006 en van 23 november 2006. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat ook landen als Zwitserland, België, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk geen speciaal beleid ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Burundi (meer) kennen. Ten aanzien van de door eisers bij de zienswijzen overgelegde informatie heeft verweerder gesteld dat de hierin genoemde incidenten bekend waren bij het opstellen van het algemeen ambtsbericht van november 2006 en geen aanleiding vormden om tot een ander oordeel te komen. Hetzelfde geldt, aldus verweerder, ten aanzien van de door eisers bij beroep overgelegde informatie.

Gelet op de ruime beleids- en beoordelingsvrijheid van verweerder, alsmede de wijze waarop verweerder in dit geval tot de wijziging van zijn beleid terzake van Burundi is gekomen en de feitelijke grondslag waarop hij deze heeft gebaseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat thans geen categoriaal beschermingsbeleid voor Burundi is geïndiceerd.

4.1.4 De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel door aan eiseres een vergunning te verlenen op een moment dat het categoriale beschermingsbeleid reeds was beëindigd en die vergunning vervolgens weer in te trekken wegens beëindiging van dat beleid. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiseres een van eiser afhankelijk verblijfsrecht heeft dat kan worden beëindigd op het moment dat de rechtsgrond voor verlening van de aan eiser verleende verblijfsvergunning is komen te vervallen. Op het moment dat eiseres in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning was de aan eiser verleende vergunning nog niet ingetrokken en was er geen reden om eiseres niet in het bezit te stellen van een afhankelijke verblijfsvergunning. Niet is gebleken van een toezegging door verweerder aan eiseres dat haar verblijfsvergunning niet zal worden ingetrokken.

4.1.5 Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder onder verwijzing naar artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 terecht heeft vastgesteld dat de rechtsgrond waarop de verblijfsvergunningen aan eisers zijn verleend, is komen te vervallen, zodat verweerder de aan eisers verleende verblijfsvergunningen terecht op deze grond heeft ingetrokken.

4.2 Verweerder heeft vervolgens onderzocht of aanleiding bestaat voor het verlenen van een verblijfsvergunning op een van de overige gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. In het bestreden besluit is verweerder tot het oordeel gekomen dat zowel ten tijde van de vergunningverlening als ten tijde van het bestreden besluit geen reden bestond eisers een verblijfsvergunning op een van de overige gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 te verlenen.

4.3.1 Aan de weigering eisers in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verweerder ten grondslag mogen leggen dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd met betrekking tot zijn nationaliteit, identiteit en reisroute en dat niet aannemelijk is dat hij geen enkel indicatief bewijs van zijn reis heeft. Dit klemt temeer nu eiser heeft verklaard dat hij per vliegtuig van Bujumbura via Nairobi naar Nederland is gereisd. Verweerder heeft hierbij geen betekenis hoeven hechten aan de verklaring van eiser dat de reisagent de documenten van eiser in zijn bezit had en dat hij het paspoort van eiser heeft ingenomen, nu dit niet afdoet aan de eigen verantwoordelijkheid van eiser om, waar mogelijk, zijn nationaliteit, identiteit en reisroute met documenten te staven. Ook de stelling van eiser dat hij zijn identiteitskaart door middel van corruptie heeft verkregen, ontneemt eiser niet zijn eigen verantwoordelijkheid. Niet is gebleken dat eiser zijn documenten onder dwang aan de reisagent heeft moeten afgeven.

Daarnaast heeft verweerder aan eiser mogen tegenwerpen dat hij toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn asielrelaas. Verweerder heeft in de enkele stelling van eiser dat het te gevaarlijk zou zijn om documenten te verkrijgen, geen reden hoeven zien om het ontbreken van deze documenten niet aan eiser toe te rekenen. Bovendien valt niet in te zien waarom eiser geen documenten met betrekking tot het overlijden van zijn medewerkers kan verkrijgen, nu uit het algemeen ambtsbericht inzake Burundi van maart 2006 blijkt dat de registers in Burundi relatief goed functioneren.

4.3.2 Op grond van het vorenstaande heeft verweerder door het toerekenbaar ontbreken van documenten de geloofwaardigheid van het asielrelaas aangetast mogen achten. Nu eisers desondanks menen dat zij bescherming behoeven, heeft verweerder van hen een grotere inspanning mogen verlangen om de noodzaak daartoe aannemelijk te maken. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 mogen – mede gelet op de geschiedenis en totstandkoming van die bepaling en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels – in het asielrelaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van relevante bijzonderheden voorkomen. Van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2008, zaaknr. 200706294/1) behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan die beoordeling door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf van die te verrichten te toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op de motivering neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2009 (LJN BJ3621) geldt de hiervoor beschreven terughoudende rechterlijke toets ook voor het oordeel van verweerder over het realiteitsgehalte van de vermoedens van de vreemdeling die deel uitmaken van de gebeurtenissen die volgens zijn asielrelaas hebben plaatsgevonden. Bij de toetsing door de rechter van het standpunt van verweerder omtrent het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, is voor evenbedoelde terughoudendheid evenwel geen plaats.

4.3.3 Aan zijn aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij heeft te vrezen voor vervolging door soldaten wegens verdenking van samenwerking met de rebellen. Eiser heeft sinds 2001 een sportschool en zijn problemen zijn in mei 2005 begonnen, toen een aantal leerlingen van zijn school is opgepakt, omdat zij behoorden bij de rebellenbeweging FNL. Daarnaast had […], de persoon die voor eiser leerlingen rekruteerde, banden met de rebellen. Nadat […] door de soldaten was gearresteerd, is ook eiser opgepakt. Na drie dagen detentie is eiser vrijgelaten. Eiser heeft vanuit een kuil in zijn tuin gezien dat een medewerker werd doodgeschoten. Eiser heeft ook te vrezen voor de familie van […], die hem verantwoordelijk houdt voor diens dood.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van het asielrelaas van eiser geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Verweerder heeft ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op een aantal onderdelen van het asielrelaas van eiser dat naar het oordeel van verweerder bevreemdingwekkend en/of ongeloofwaardig moet worden geacht. Verweerder heeft het ongeloofwaardig geacht dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten heeft gestaan. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser na de gestelde problemen met regeringssoldaten een identiteitsdocument heeft kunnen verkrijgen en hij het land heeft kunnen verlaten via de luchthaven waar eiser is gecontroleerd. Daarnaast heeft verweerder het ongeloofwaardig geacht dat eiser drie dagen na zijn arrestatie wegens vermeende samenwerking met de rebellen zonder nadere voorwaarden is vrijgelaten, hetgeen er niet op duidt dat de autoriteiten bijzondere aandacht voor de persoon van eiser hadden. Bovendien heeft verweerder het bevreemdingwekkend geacht dat eiser eerst op 5 of 6 juni 2005 is gearresteerd, terwijl enkele van zijn leerlingen van de sportschool reeds in mei 2005 zijn opgepakt wegens betrokkenheid bij de rebellen. Om deze reden heeft verweerder niet aannemelijk geacht dat eiser naar aanleiding van de arrestatie van enkele van zijn leerlingen door de autoriteiten werd gezocht. Bovendien heeft eiser voor volgens verweerder vage en summiere verklaringen afgelegd over de leerlingen die zouden zijn opgepakt, nu eiser niet weet hoeveel leerlingen zijn gearresteerd en hoe zij heten. Daarnaast heeft verweerder het bevreemdingwekkend geacht dat eiser door soldaten in een bar is verteld dat hij ervan verdacht wordt met de rebellen samen te werken, en hij niet direct door hen is meegenomen voor verhoor. Ook het feit dat eiser zich heeft schuilgehouden in een kuil in de tuin bij zijn woonhuis heeft verweerder ongeloofwaardig geacht, nu niet valt in te zien waarom iemand die stelt te worden gezocht en voor vervolging heeft te vrezen zich in de nabijheid van zijn woning zou schuilhouden. Voorts wordt niet geloofwaardig geacht dat eiser van uit de kuil zou hebben kunnen zien dat er iemand werd doodgeschoten. Ten slotte heeft verweerder ongeloofwaardig geacht dat eiser bij terugkeer heeft te vrezen voor de familie van [...], nu eiser niet met objectieve bewijzen heeft aangetoond dat […] zou zijn gedood.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat gelet op de hiervoor genoemde onderdelen van eisers asielrelaas, het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert. Voorts heeft verweerder terecht geoordeeld dat het ongeloofwaardig is dat eiser bij terugkeer heeft te vrezen voor de familie van […], nu eiser niet met objectieve bewijzen heeft aangetoond dat […] zou zijn gedood. Aan dit oordeel doet niet af de stelling van eisers dat zij onafhankelijk van elkaar hetzelfde hebben verklaard over de problemen die zij in Burundi stellen te hebben ondervonden. Nog afgezien van het feit dat eisers niet zonder meer in die stelling kunnen worden gevolgd, laat dit onverlet dat verweerder ook gelijkluidende verklaringen ongeloofwaardig kan achten.

4.4.1 Nu aan het relaas van eiser geen geloof kan worden gehecht, heeft verweerder ook het relaas van eiseres ongeloofwaardig mogen achten voor zover eiseres een beroep heeft gedaan op de problemen die eiser stelt te hebben ondervonden.

Daarnaast is ook een aantal andere onderdelen van het asielrelaas van eiseres door verweerder ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiseres niet met enig indicatief bewijs heeft aangetoond dat haar schoonmoeder en zwager zijn gedood in verband met de problemen van eiser. Niet valt in te zien waarom eiseres geen documenten kan verkrijgen, temeer nu zij wel een geboorteakte en adoptiepapieren heeft kunnen overleggen. Verweerder heeft geen betekenis gehecht aan de verklaring van eiseres dat het niet ongewoon is dat zij via handelaren van het overlijden van haar schoonfamilie heeft vernomen, nu niet valt in te zien hoe deze handelaren eiseres daarvan op de hoogte hebben kunnen stellen, aangezien eiseres vanwege de gestelde problemen meerdere malen is verhuisd. Voorts heeft verweerder van belang geacht dat eiseres een andere verklaring heeft afgelegd dan eiser over de bewoning en het aantal personen op het erf. Gelet hierop kan eiseres, volgens verweerder, niet worden gevolgd in haar stelling dat zij hierover geen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat gelet op de hiervoor genoemde aspecten ook het asielrelaas van eiseres positieve overtuigingskracht ontbeert.

4.4.2 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het asielrelaas van eisers geen positieve overtuigingskracht heeft, zodat geen grond voor het oordeel bestaat dat eisers gegronde vrees hebben voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eisers vrees voor discriminatie is door verweerder terecht onaannemelijk geacht, nu eiser op geen enkele wijze heeft aangetoond dat zijn leven vanwege discriminatie onhoudbaar was geworden. Zowel ten tijde van vergunningverlening als ten tijde van de bestreden besluiten heeft verweerder hen terecht niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

4.5.1 Aan hun beroep op artikel 3 van het EVRM hebben eisers ten grondslag gelegd dat zij vrezen voor wraakacties van de familie van […]. Daarnaast hebben zij gesteld te vrezen voor discriminatie in verband met hun gemengde afkomst. Voor wat betreft de vrees voor de familie van […] volgt reeds uit rechtoverweging 4.3.3 dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer te vrezen hebben voor de familie van […]. Ten aanzien van de vrees vanwege hun gemengde afkomst, hebben eisers gewezen op WBV 2006/24 waarin kinderen van gemengde afkomst zijn aangewezen als groep van personen die verhoogde aandacht vraagt. Dienaangaande heeft verweerder zich, naar het oordeel van de rechtbank, terecht op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat eisers een gemengd huwelijk hebben waaruit kinderen zijn geboren, onvoldoende is voor het oordeel dat zij bij gedwongen terugkeer naar hun land van herkomst een reëel risico lopen te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een on¬men¬se¬lijke of vernederende behandeling of bestraffing. Naast het behoren tot een groep die verhoogde aandacht vraagt, zullen eisers met geringe indicaties aannemelijk moeten maken bij terugkeer een risico als hiervoor bedoeld te lopen. Nu het asielrelaas van eisers ongeloofwaardig wordt geacht, is van dergelijke indicaties geen sprake.

4.5.2 Ten aanzien van het beroep van eisers op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009 (LJN BI4791). In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009 in zaak C 465/07 (LJN BH3646), gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, kan worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet volgens de Afdeling in de vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008, nr. 25904, NA tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN BF0248) - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Uit de uitspraak van de Afdeling kan tevens worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 geen rol speelt.

Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 reeds aanspraak bestaat op bescherming tegen het lopen van een reëel risico op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn omschreven ernstige schade.

Nu eisers niet hebben aangetoond dat de mate van willekeurig geweld in Burundi ten tijde van de totstandkoming van het bestreden besluit dermate hoog was dat zij, louter door hun aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liepen op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige schade, heeft verweerder terecht geen grondslag gezien voor vergunningverlening op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

4.6 Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard, die verband houden met de redenen van het vertrek van eisers uit het land van herkomst. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De enkele stelling van eiser dat de gebeurtenissen en mishandelingen gedurende zijn detentie voor hem traumatiserend zijn geweest, is onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden.

5 De beroepen zijn derhalve ongegrond.

6 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. C. Laukens, voorzitter, mr. E.A. Poppe-Gielesen en mr. J. Schukking, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 18 december 2009.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: