Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK8278

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-12-2009
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
08/13973; 08/13974; 08/13976; 08/13977 ; 08/13978
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

weigering verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd asiel en intrekking verblijfsvergunningen asiel verleend op de d-grond van de gezinsleden. Beoordeling asielgronden ten tijde van binnenkomst en bij terugkeer naar Burundi. Verweerder heeft asielrelaas ongeloofwaardig mogen achten. Geen geslaagd beroep op de b- grond, dan wel artikel 15 c Definitierichtlijn. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eisers de Burundische nationaliteit bezitten, dat sprake is van een gemengd huwelijk en dat eisers - evenals eiseres zelf - geboren zijn uit ouders die tot verschillende bevolkingsgroepen behoren. Daarmee behoren zij tot een groep die volgens het beleid van verweerder (zoals neergelegd in WBV 2008/1) is aangemerkt als een groep die bij de beoordeling van de aanvraag verhoogde aandacht vraagt. Er is evenwel geen aanleiding voor de conclusie dat eiseres vanwege haar gemengde afkomst en het feit dat zij (alleenstaande) vrouw is, eiser, dan wel eisers, behoren tot een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen waartegen geen bescherming wordt geboden. Om een geslaagd beroep op artikel 3 van het EVRM te doen, dienen zij dan ook met verdere specifieke individuele kenmerken aannemelijk te maken dat zij zodanig risico bij terugkeer naar hun land van herkomst lopen. Nu verweerder het asielrelaas in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers daarin niet zijn geslaagd. Ten aanzien van het beroep van eisers op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009 (LJN BI4791). In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009 in zaak C 465/07 (LJN BH3646), gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, kan worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet volgens de Afdeling in de vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het EHRM gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008, nr. 25904, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN BF0248) - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 reeds aanspraak bestaat op bescherming tegen het lopen van een reëel risico op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn omschreven ernstige schade.

Nu eisers niet hebben aangetoond dat de mate van willekeurig geweld in Burundi ten tijde van de totstandkoming van de bestreden besluiten dermate hoog was dat zij, louter hun aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liepen op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige schade, heeft verweerder terecht geen grondslag gezien voor vergunningverlening op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nrs.: AWB 08/13973, AWB 08/13974, AWB 08/13976, AWB 08/13977 en AWB 08/13978

V-nummers: [.....]

Inzake: xxx, eiseres, xxx, eiser,

xxx, tezamen eisers,

gemachtigde mr. J.M.M. Verstrepen, advocaat te Oosterhout,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Maas.

I Procesverloop

1 Eiseres, geboren op xx en van Burundische nationaliteit, verblijft sinds 29 februari 2004 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in Nederland. Op 15 januari 2007 heeft zij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000. Op 31 mei 2007 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt tot afwijzing van de aanvraag. Op 16 juli 2007 heeft eiseres haar zienswijze hierop naar voren gebracht.

2 Eiser is in Nederland geboren op xx en van Burundische nationaliteit. Ten behoeve van eiser is op 14 juni 2007 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000. Op 8 januari 2008 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt tot afwijzing van de aanvraag. Op 20 februari 2008 is namens eiser een zienswijze hierop naar voren gebracht.

3 Bij besluit van 20 maart 2008 heeft verweerder beide aanvragen afgewezen.

4 Eisers, geboren op respectievelijk xx en van Burundische nationaliteit, verblijven sinds 14 september 2005 als vreemdeling in de zin van de Vw 2000 in Nederland. Aan hen is op 10 oktober 2005 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, geldig van 3 oktober 2005 tot 3 oktober 2010. Op 4 juni 2007 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt tot intrekking van de verleende verblijfsvergunningen. Op 16 juli 2007 hebben eisers hun zienswijze hierop naar voren gebracht.

5 Bij besluiten van 20 maart 2008 heeft verweerder de aan eisers verleende verblijfsvergunningen ingetrokken.

6 Op 17 april 2008 hebben eiseres, eiser en eisers tegen de besluiten van 20 maart 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

7 De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 8 september 2009. Ter zitting zijn eiseres, eiser en eisers verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen E. Nsabimbona, tolk in het Kirundi.

II Overwegingen

Wettelijk kader

1.1 Ingevolge het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingen¬ver¬drag) is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

1.2 Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

1.3 Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Definitierichtlijn) wordt in de richtlijn verstaan onder "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

1.4 Ingevolge artikel 15 van de Definitierichtlijn bestaat ernstige schade uit:

a) doodstraf of executie; of

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

1.5 Ingevolge artikel 18 van de Definitierichtlijn verlenen lidstaten de subsidiaire-beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

1.6 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmense¬lijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

1.7 Ingevolge artikel 33, onder a, van de Vw 2000 is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

1.8 Ingevolge artikel 34 van de Vw 2000 kan de aanvraag als bedoeld in artikel 33 van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder c, slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt een grond als bedoeld in artikel 32 voordoet.

1.9 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging worden afgewezen indien de grond voor verlening als bedoeld in artikel 29 is komen te vervallen.

1.10 Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag als voren¬be¬doeld afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gebaseerd op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

1.11 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Standpunten van partijen

2 Verweerder heeft de afwijzing van de aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van eiseres en eiser en de intrekking van de aan eisers verleende verblijfsvergunningen gebaseerd op de omstandigheid dat de verleningsgrond van de aan eisers verleende verblijfsvergunningen is komen te vervallen. Het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Burundi is op 2 augustus 2006 beëindigd. Eisers komen niet in aanmerking voor vergunningverlening op een andere grond van artikel 29 van de Vw 2000.

3 Eisers kunnen zich niet verenigen met het standpunt van verweerder. Zij voeren daartoe onder meer aan dat verweerder ten onrechte artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft tegengeworpen. Eisers stellen dat het asielrelaas geloofwaardig is en dat zij, vanwege de omstandigheid dat sprake is van een gemengd huwelijk (Hutu en Tutsi) en kinderen die uit dat huwelijk zijn geboren, in aanmerking dienen te komen voor een verblijfsvergunning op de a-, danwel de b-grond van artikel 29 van de Vw 2000. Bovendien beroepen eisers zich op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

Beoordeling

4.1 Bij besluiten van 10 oktober 2005 zijn eisers in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Burundi, dat verweerder voerde op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Vaststaat dat verweerder per 19 juni 2006 het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Burundi heeft beëindigd. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, dan ook terecht vastgesteld dat de rechtsgrond waarop de verblijfsvergunningen aan eisers zijn verleend is komen te vervallen, zodat verweerder de aan eisers verleende verblijfsvergunningen terecht op deze grond heeft ingetrokken.

4.2 Ter beoordeling staat derhalve of eisers in aanmerking komen, thans of reeds bij binnenkomst in Nederland, voor vergunningverlening op de a- of de b-grond van artikel 29 van de Vw 2000.

De rechtbank stelt vast dat eisers, met uitzondering van hier te lande geboren eiser, naar Nederland zijn gekomen in het kader van een aanvraag om gezinshereniging. Bij het indienen van de asielaanvragen bij binnenkomst in Nederland is door eisers uitsluitend naar voren gebracht dat de reden voor vertrek was gelegen in het feit dat eiseres hier verbleef. Eisers hebben geen ‘zelfstandige’ problemen aangevoerd.

Verweerder heeft derhalve voor de beoordeling van de asielaanvragen kunnen verwijzen naar hetgeen inzake eiseres is overwogen. Voor het betoog van eisers dat verweerder aldus een onvoldoende beoordeling heeft gemaakt van de problemen van eisers is geen grond, nu niet gebleken is van asielgerelateerde problemen die op eisers betrekking hebben en die anders zijn dan die van eiseres.

4.3.1 Aan de weigering eiseres in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verweerder ten grondslag mogen leggen dat eiseres toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd. Verweerder heeft daarbij geen betekenis hoeven hechten aan de verklaring van eiseres in haar eerste gehoor dat haar reisagent de documenten in zijn bezit had, nu dit niet afdoet aan de eigen verantwoordelijkheid van eiseres om haar reisroute met documenten te staven. Gesteld nog gebleken is dat eiseres haar documenten onder dwang aan de reisagent heeft moeten afgeven. In dat kader heeft verweerder tevens in aanmerking mogen nemen dat eiseres geen gedetailleerde verklaringen over haar reisroute heeft afgelegd en dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over het tijdstip van aankomst vanuit Dar es Salaam in Nederland.

De stelling dat haar dit niet kan worden aangerekend, aangezien verweerder zelf had kunnen nagaan of eiseres met de door haar aangegeven vlucht Nederland is binnengekomen, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt daartoe dat de bewijslast terzake bij eiseres ligt, en er geen verschoonbare omstandigheden zijn waarom eiseres niet zelf (reis)documenten heeft overgelegd. Dit geldt temeer nu eiseres heeft verklaard haar laissez passer in Tanzania te hebben achtergelaten. Dat eiseres eerder een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is verleend, maakt niet verschoonbaar dat zij geen reisdocumenten heeft overgelegd, nu de identiteit en nationaliteit van eiseres niet in geschil zijn en het ontbreken van documenten ter staving van identiteit en nationaliteit eiseres niet wordt tegengeworpen.

4.3.2 Op grond van het voorgaande heeft verweerder door het toerekenbaar ontbreken van reisdocumenten de geloofwaardigheid van het asielrelaas aangetast mogen achten. Nu eiseres desondanks meent dat zij bescherming behoeft, heeft verweerder van haar een grotere inspanning mogen verlangen om de noodzaak daartoe aannemelijk te maken. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 mogen - mede gelet op de geschiedenis en totstandkoming van die bepaling en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels - in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2008, zaaknr. 200706294/1) behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan die beoordeling door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf van die te verrichten te toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op de motivering neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2009 (LJN BJ3621) geldt de hiervoor beschreven terughoudende rechterlijke toets ook voor het oordeel van verweerder over het realiteitsgehalte van de vermoedens van de vreemdeling die deel uitmaken van de gebeurtenissen die volgens zijn asielrelaas hebben plaatsgevonden. Bij de toetsing door de rechter van het standpunt van verweerder omtrent het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, is voor evenbedoelde terughoudendheid evenwel geen plaats.

4.4.1 Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij vanwege haar huwelijk problemen ondervindt. Eiseres behoort tot de Tutsi-bevolkingsgroep en haar echtgenoot behoort tot de Hutu’s. Eiseres stelt dat haar echtgenoot op 24 december 2003 is aangevallen vanwege dit gemengde huwelijk. Eiseres vreest dat haar door haar schoonfamilie iets zal worden aangedaan vanwege haar huwelijk.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van het asielrelaas van eiseres geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Verweerder heeft ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op een aantal onderdelen van het asielrelaas dat naar het oordeel van verweerder bevreemdingwekkend en/of ongeloofwaardig moet worden geacht. Verweerder heeft het ongeloofwaardig geacht dat eiseres te vrezen heeft voor haar schoonfamilie, nu eiseres heeft verklaard dat zij in reeds 1995 is gehuwd en in de loop van haar huwelijk nimmer problemen heeft ondervonden van haar schoonfamilie. De verklaringen en vermoedens van de huishoudelijke hulp van eiseres met betrekking tot het vernielen en in brand steken van haar woning en inboedel door haar schoonfamilie acht verweerder geen reële onderbouwing van de gestelde vrees. Verder acht verweerder het bevreemdend dat eiseres volgens haar verklaringen drie dagen lang in de stad op zoek is geweest naar haar echtgenoot, maar dat zij niet naar huis is gegaan toen zij van haar hulp vernam dat haar woning in brand was gestoken.

De erfeniskwestie over grond is eerst in de zienswijze van 16 juli 2007 naar voren gebracht. Indien dit een wezenlijk onderdeel van het asielrelaas betrof, had van eiseres verwacht mogen worden dat zij daar eerder over zou hebben verklaard. Voor zover dit zou moeten worden gezien als een nadere specificatie van de gestelde problemen met de schoonfamilie, overtuigt die volgens verweerder niet. Verweerder heeft erop gewezen dat uit de algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken ten aanzien van Burundi blijkt dat er geen erfrecht bestaat voor vrouwen in Burundi. De informatie die eiseres heeft overgelegd, een artikel van de internetsite www.oneworld.nl van 10 augustus 2007, bevestigt dit ook.

Volgens verweerder is voorts niet gebleken dat eiseres in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat nu eiseres heeft verklaard naar vier verschillende gevangenissen te zijn gegaan om navraag te doen naar haar echtgenoot en eiseres geen problemen heeft ondervonden bij het verkrijgen van een laissez passer.

Aan de verklaringen van de echtgenoot van eiseres heeft verweerder weinig waarde toegekend, nu de echtgenoot van eiseres niet als objectieve bron kan worden beschouwd. Daar komt bij dat zijn verklaring over de erfkwestie niet overeenstemt met de algemeen bekende informatie over Burundi en dat het ongeloofwaardig wordt geacht dat hij door de autoriteiten wordt gezocht nu hij een paspoort heeft kunnen krijgen.

De rechtbank is gelet op de hiervoor genoemde aspecten van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat het asielrelaas van eiseres positieve overtuigingskracht mist. De rechtbank ziet ook geen grond voor het oordeel dat verweerder meer gewicht had moeten toekennen aan de beide verklaringen die door de echtgenoot van eiseres vanuit Tanzania zijn opgestuurd. De echtgenoot van eiseres is niet aan te merken als objectieve bron. Bovendien bevatten de verklaringen geen concrete gegevens, maar louter niet nader onderbouwde stellingen. De stelling van eiseres dat verweerder haar echtgenoot had moeten (laten) horen, bijvoorbeeld bij de Nederlandse ambassade in Tanzania, volgt de rechtbank evenmin, nu het horen van de echtgenoot niet afdoet aan het feit dat de verklaringen niet afkomstig zijn uit objectieve bron.

4.4.2 Eiseres heeft niet aangetoond dat sprake is van discriminatie vanwege haar gemengde afkomst, dan wel gemengd huwelijk, die een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert, dat het voor eiseres, zoals zij gesteld heeft, onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Eiseres heeft verklaard dat zij tot vier dagen voor haar vertrek als kapster heeft gewerkt en haar drie kinderen heeft opgevoed. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat vrees voor discriminatie bij terugkeer naar Burundi niet aannemelijk is gemaakt.

4.5 Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag heeft, zodat verweerder eiseres terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Dit geldt, gelet op rechtsoverweging 4.2 van deze uitspraak, eveneens voor eiser en eisers.

4.6 Ten aanzien van het standpunt van eisers dat zij bij gedwongen terugkeer naar Burundi een reëel risico lopen te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmen¬se¬lijke of vernederende behandeling of bestraffing, overweegt de rechtbank als volgt.

4.6.1 Volgens het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 30 oktober 1991, in zaak nr. 13163/87, Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN AD1522) dient, wil aannemelijk zijn dat de desbetreffende vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, sprake te zijn van specifieke individuele kenmerken (“special distinguishing features”), waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid (“mere possibility”) van schending is onvoldoende.

Volgens rechtsoverweging 116 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 in zaak nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN BF0248) zijn evenbedoelde specifieke individuele kenmerken evenwel niet vereist, indien de desbetreffende vreemdeling aannemelijk maakt dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, zoals aan de orde was in het arrest van het EHRM van 11 januari 2007 in zaak nr. 1948/04, Salah Sheekh tegen Nederland (LJN AZ5971).

4.6.2 Eisers hebben aangevoerd dat zij van gemengde afkomst zijn. Eiseres is geboren uit een huwelijk tussen een Hutu en Tutsi en eisers zijn geboren uit het huwelijk van eiseres met een Hutu-man. Voorts is gesteld dat er aan de zijde van eiseres geen familieleden aanwezig zijn in Burundi, terwijl de schoonfamilie volgens eiseres juist de oorzaak van haar problemen is, zodat van die zijde geen bescherming kan worden verwacht. Bovendien heeft eiseres de zorg voor haar halfzus, Z. Ndayishimiye, die zwakbegaafd is. De echtgenoot van eiseres verblijft in Tanzania en kan, naar gesteld, niet terugkeren naar Burundi. Tegen de achtergrond van het wijdverbreid seksueel geweld tegen vrouwen in Burundi, zorgen deze omstandigheden als geheel ervoor dat zij in Burundi een gevaar lopen op een behandeling als verboden in artikel 3 van het EVRM, aldus eisers.

4.6.3 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eisers de Burundische nationaliteit bezitten, dat sprake is van een gemengd huwelijk en dat eisers - evenals eiseres zelf - geboren zijn uit ouders die tot verschillende bevolkingsgroepen behoren. Daarmee behoren zij tot een groep die volgens het beleid van verweerder (zoals neergelegd in WBV 2008/1) is aangemerkt als een groep die bij de beoordeling van de aanvraag verhoogde aandacht vraagt. Er is evenwel geen aanleiding voor de conclusie dat eiseres vanwege haar gemengde afkomst en het feit dat zij (alleenstaande) vrouw is, eiser, dan wel eisers, behoren tot een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen waartegen geen bescherming wordt geboden. Om een geslaagd beroep op artikel 3 van het EVRM te doen, dienen zij dan ook met verdere specifieke individuele kenmerken aannemelijk te maken dat zij zodanig risico bij terugkeer naar hun land van herkomst lopen. Nu verweerder het asielrelaas in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers daarin niet zijn geslaagd.

Verweerder heeft in de onder 4.6.2 genoemde omstandigheden dan ook terecht geen grond aanwezig geacht voor verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

4.7 Ten aanzien van het beroep van eisers op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009 (LJN BI4791). In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009 in zaak C 465/07 (LJN BH3646), gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, kan worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet volgens de Afdeling in de vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het EHRM gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008, nr. 25904, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN BF0248) - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 reeds aanspraak bestaat op bescherming tegen het lopen van een reëel risico op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn omschreven ernstige schade.

Nu eisers niet hebben aangetoond dat de mate van willekeurig geweld in Burundi ten tijde van de totstandkoming van de bestreden besluiten dermate hoog was dat zij, louter hun aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liepen op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige schade, heeft verweerder terecht geen grondslag gezien voor vergunningverlening op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

4.8 Eisers hebben aangevoerd dat de omstandigheid dat eiseres Z. Ndayishimiye zwakbegaafd is en speciale begeleiding behoeft onvoldoende is meegewogen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder andere neergelegd in haar uitspraak van 19 juni 2009 (LJN BJ1551), kan uitzetting volgens de jurisprudentie van het EHRM, te weten de arresten van 2 mei 1997 (LJN AB8007, St.Kitts), 6 februari 2001 (LJN AD4236, Bensaid) en 27 mei 2008 (LJN BD6647, N. tegen het Verenigd Koninkrijk) in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan blijkens die jurisprudentie slechts sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.

Toepassing van dit criterium in dit geval leidt tot de conclusie dat dergelijke uitzonderlijke omstandigheden niet aanwezig zijn. Dat geldt eveneens voor de medische informatie die bij brief van 25 juli 2008 is overgelegd ten aanzien van eiseres. Ook daaruit blijkt niet van een levensbedreigende situatie die bij terugkeer naar Burundi strijd oplevert met artikel 3 EVRM.

4.9 Ten aanzien van het beroep van eisers op artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (ondermeer LJN BJ2141), dat de strikte scheiding tussen asiel en regulier die volgt uit de systematiek van de Vw 2000 ertoe leidt dat de toepassing van artikel 8 van het EVRM, behoudens in het kader van een vergunning, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000, dient plaats te vinden in de procedure omtrent een reguliere vergunning.

5 De beroepen dienen, gezien het voorgaande, ongegrond te worden verklaard.

6 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.A. Poppe-Gielesen, voorzitter, en mr. C. Laukens en mr. J. Schukking, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M.L.J. Spierings, griffier.

De griffier,

De rechter,

De griffier is buiten staat te tekenen

Uitgesproken in het openbaar op: 31 december 2009.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: