Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK8246

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-12-2009
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
08/24227
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ranov / telefonische mededeling / geen ambtshalve aanbod

Eiser is telefonisch meegedeeld dat hem geen ambtshalve aanbod in het kader van de Pardonregeling wordt gedaan. De Afdeling heeft in BG5956 en BI0739 overwogen dat het niet doen van een ambtshalve aanbod in het kader van de Pardonregeling, aangemerkt dient te worden als een handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 en dat met het oog op het aanvangen van de termijn van vier weken voor het aanwenden van rechtsmiddelen, op ondubbelzinnige wijze uit een specifiek ten aanzien van de vreemdeling als zodanig kenbare handeling van verweerder dient te kunnen worden afgeleid dat aan die vreemdeling niet ambtshalve een aanbod wordt gedaan. De Afdeling heeft daarbij voorts overwogen dat voor zover verweerder telefonisch heeft aangegeven dat en waarom de vreemdeling geen aanbod wordt gedaan op grond van de Pardonregeling, geldt dat vanwege de wijze van verstrekking van deze informatie dit niet kan worden aangemerkt als een kenbare handeling, als hiervoor bedoeld.

De recht¬bank is van oordeel dat beide uitspraken van de Afdeling in onderling verband moeten worden bezien. In beide zaken is de Afdeling haar oordeel omtrent de kenbaarheid begonnen met de overweging dat de kenbaarheid noodzakelijk is voor het vaststellen van de termijn waarbinnen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. De recht¬bank leidt hieruit af dat de Afdeling de situatie heeft willen voorkomen dat een door de vreemdeling gemaakt bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wanneer de vreemdeling pas bezwaar maakt tegen de verzonden minuut en niet reeds tegen de telefonische mededeling. De Afdeling kon, door aan te knopen bij de schriftelijke handeling en te oordelen dat binnen vier weken daarna bezwaar is gemaakt, het tijdstip van de mondelinge mededeling in het midden laten. Echter, de recht¬bank vermag niet in te zien waarom een vreemdeling uit een brief die over zijn familie gaat wél a-contrario moet afleiden dat hem geen aanbod wordt gedaan, terwijl de expliciete telefonische mededeling géén kenbare handeling zou zijn. Dat er geen schriftelijke vastlegging van het telefoongesprek is, doet daaraan niet af. Artikel 72, derde lid, van de Vw2000, vereist niet dat de handeling schriftelijk is vast gelegd.

Voor zover een telefonische mededeling niet is aan te merken als een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, geldt dat met analoge toepassing van artikel 6:10 van de Awb op handelingen als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, niet-ontvankelijkverklaring achterwege diende te blijven. Immers, na de telefonische mededeling mocht eiser ervan uitgaan dat de handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, hoewel nog niet kenbaar in de zin van de hiervoor besproken jurisprudentie van de Afdeling, wel reeds had plaatsgevonden.

Verweerder heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 73, derde lid, van de Vw 2000 en artikel 6:10 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 08/24227

V-nummer:

Inzake: [eiser], eiser,

gemachtigde mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.A.M. Janssen.

I Procesverloop

1 Eiser, geboren op [1982], bezit de Guinese nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) in Nederland. Op 21 mei 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de op 23 april 2008 de door verweerder telefonisch gedane mededeling dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: Pardonregeling). Op 17 juni 2008 heeft verweerder eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

2 Op 7 juli 2008 heeft eiser tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2009. Ter zitting is verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen M.G.G.P. du Pont - van de Goor, tolk in de Franse taal.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

1.2 Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, van de Awb blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:

a. wel reeds tot stand was gekomen, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

1.3 Ingevolge artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 wordt met de toepassing van afdeling 2 van hoofdstuk 7 met een beschikking tevens gelijk gesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig.

1.4 De Pardonregeling is neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) nr. 2007/11 en in werking getreden op 15 juni 2007. Volgens deze regeling wordt onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning verleend aan vreemdelingen die onder de Vreemdelingenwet (oud) een asielaanvraag hebben ingediend en nog immer in Nederland zijn. Als voorwaarden gelden onder meer dat de vreemdeling zijn eerste asielaanvraag vóór 1 april 2001 heeft ingediend, sinds die datum ononderbroken in Nederland heeft verbleven en eventuele lopende toelatingsprocedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsaanvaarding op grond van de Pardonregeling.

Volgens de Pardonregeling wordt de verblijfsvergunning ambtshalve verleend op grond van artikel 3.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 3.17a, aanhef en onder b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 met ingang van de datum waarop de regeling van kracht is geworden.

2.1 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf op grond van de Pardonregeling een ambtshalve beoordeling is en geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Eisers bezwaar is derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus verweerder.

2.2 In zijn verweerschrift heeft verweerder zich - onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 3 december 2008 (LJN: BG5956) - op het standpunt gesteld dat eisers bezwaarschrift niet is gericht tegen een schriftelijk kenbare handeling waaruit op ondubbelzinnige wijze kan worden afgeleid dat eiser niet ambtshalve een aanbod op grond van de Pardonregeling wordt gedaan.

3.1 Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder. Hij voert daartoe aan dat hij op 23 april 2008 telefonisch van een medewerker van de IND heeft vernomen dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de Pardonregeling. Deze mededeling is een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser in bezwaar.

3.2 Subsidiair heeft eiser gesteld dat uit het bestreden besluit op ondubbelzinnige wijze kan worden afgeleid dat geen aanbod op grond van de Pardonregeling wordt gedaan. Het beroepschrift dient alsdan te worden aangemerkt als een bezwaarschrift en de rechtbank dient dit op grond van artikel 6:15 van de Awb door te zenden naar verweerder.

4 De rechtbank oordeelt het volgende.

4.1 Verweerder heeft ter zitting eisers stelling dat eiser op 23 april 2008 telefonisch is meegedeeld dat hem geen ambtshalve aanbod in het kader van de Pardonregeling wordt gedaan, bevestigd, zodat die stelling als vaststaand wordt aangenomen.

4.2.1 De Afdeling heeft de uitspraken van 3 december 2008 (LJN: BG5956) en van 20 maart 2009 (LJN: BI0739) overwogen dat het niet doen van een ambtshalve aanbod in het kader van de Pardonregeling, aangemerkt dient te worden als een handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000.

Voorts heeft de Afdeling in deze uitspraken overwogen dat met het oog op het aanvangen van de in artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 neergelegde termijn van vier weken voor het aanwenden van rechtsmiddelen, op ondubbelzinnige wijze uit een specifiek ten aanzien van de vreemdeling als zodanig kenbare handeling van verweerder dient te kunnen worden afgeleid dat aan die vreemdeling niet ambtshalve een aanbod wordt gedaan. De Afdeling heeft daarbij voorts overwogen dat voor zover verweerder telefonisch heeft aangegeven dat en waarom de vreemdeling geen aanbod wordt gedaan op grond van de Pardonregeling, geldt dat vanwege de wijze van verstrekking van deze informatie dit niet kan worden aangemerkt als een kenbare handeling, als hiervoor bedoeld.

4.2.2 De recht¬bank is van oordeel dat beide uitspraken van de Afdeling in onderling verband moeten worden bezien.

In de zaak die leidde tot de uitspraak van 3 december 2008 is de telefonische mededeling gedaan op of omstreeks 16 juli 2007 en is het bezwaar van de vreemdeling gemaakt op 18 december 2007. Wanneer de mededeling van 16 juli 2007 als voor bezwaar vatbare handeling zou moeten worden aangemerkt, zou het bezwaar te laat zijn gemaakt. In de zaak die leidde tot de uitspraak van 20 maart 2009 (de tweede zaak) is niet duidelijk wanneer de telefonische mededeling precies is gedaan; noch de uitspraak van de recht¬bank, noch de uitspraak van de Afdeling, noch het hoger-beroepschrift vermeldt een concrete datum. Op 10 oktober 2007 heeft verweerder meegedeeld dat voor de ouders van de vreemdeling een verblijfs¬document zou worden aangemaakt. Op 22 oktober 2007 is bezwaar gemaakt.

In beide zaken is de Afdeling haar oordeel omtrent de kenbaarheid begonnen met de overweging dat de kenbaarheid noodzakelijk is voor het vaststellen van de termijn waarbinnen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. De recht¬bank leidt hieruit af dat de Afdeling de situatie heeft willen voorkomen dat een door de vreemdeling gemaakt bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wanneer de vreemdeling pas bezwaar maakt tegen de verzonden minuut en niet reeds tegen de telefonische mededeling.

In de tweede zaak is onduidelijk wanneer mondeling is meegedeeld dat de vreemdeling geen aanbod zou worden gedaan. De Afdeling kon, door aan te knopen bij de schriftelijke handeling en te oordelen dat binnen vier weken daarna bezwaar is gemaakt, het tijdstip van de mondelinge mededeling in het midden laten. Echter, de recht¬bank vermag niet in te zien waarom een vreemdeling uit een brief die over zijn familie gaat wél a-contrario moet afleiden dat hem geen aanbod wordt gedaan, terwijl de expliciete telefonische mededeling géén kenbare handeling zou zijn. Dat er geen schriftelijke vastlegging van het telefoongesprek is, doet daaraan niet af. Artikel 72, derde lid, van de Vw2000, vereist niet dat de handeling schriftelijk is vast gelegd.

De rechtbank realiseert zich dat het vaak lastig is aannemelijk te maken wat in een telefoon¬gesprek is meegedeeld. Dit mag naar haar oordeel echter geen invloed hebben op de mogelijkheid om een rechtsmiddel in te stellen, omdat het bewijs van de handeling waartegen het rechtsmiddel wordt aangewend kan worden geleverd gedurende de procedure en door de rechter kan worden beoordeeld.

4.2.3 Voor zover de telefonische mededeling van 23 april 2008 niet is aan te merken als een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, geldt dat met analoge toepassing van artikel 6:10 van de Awb op handelingen als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, niet-ontvankelijkverklaring achterwege diende te blijven. Immers, na de telefonische mededeling mocht eiser ervan uitgaan dat de handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, hoewel nog niet kenbaar in de zin van de hiervoor besproken jurisprudentie van de Afdeling, wel reeds had plaatsgevonden.

4.3 Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder het bezwaar van verzoeker ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 73, derde lid, van de Vw 2000 en artikel 6:10 van de Awb.

4.4 Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

4.5 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van het instellen van het beroep, vastgesteld op € 644,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,00 en wegingsfactor 1).

III Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,00;

5 bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 145,00 vergoedt.

Aldus gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 31 december 2009.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: