Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7596

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
24-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/4716
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak / artikel 15c Dri / UNHCR Eligibility Guidelines van april 2009

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de in het ambtsbericht van mei 2009 beschreven veiligheidssituatie niet de conclusie kan worden getrokken dat er in Centraal-Irak in het algemeen, noch in Bagdad in het bijzonder, sprake is van ?the most extreme cases of general violence? dan wel de uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger (asielzoeker) die terugkeert naar dit land of naar Bagdad, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige bedreiging.

Uit het ambtsbericht komt naar voren dat de veiligheidssituatie in Irak over het algemeen zeer ernstig was, maar dat deze in 2008 en begin 2009 aanzienlijk is verbeterd ten opzichte van 2007.

Het EHRM heeft in haar uitspraak van 20 januari 2009 (LJN: BH3275) overwogen dat een dergelijke situatie zich slechts bij zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoet. Het moet gaan om "the most extreme cases of general violence". In de hiervoor genoemde uitspraak van 20 januari 2009 heeft het EHRM geoordeeld dat hoewel de algehele veiligheidssituatie in Irak nog steeds onveilig en problematisch is, deze niet zodanig ernstig is dat de betrokken vreemdeling enkel vanwege terugkeer naar zijn land al een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Bij dat oordeel heeft het EHRM informatie van de UNHCR van 2007 betrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het ambtsbericht van mei 2009 en de Guidelines van april 2009 juist dat de situatie is verbeterd. Derhalve thans evenmin sprake van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in voornoemde uitspraak van het EHRM.

Eventuele opmerkingen:

$

Uitspraak:

Als tweede bijlage mailen en niet hier invoegen (bestandsnaam is: zaaknummer.doc)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Meervoudige kamer

Zaaksnummer: AWB 09/4716 BEPTDN S6

Uitspraak van de rechtbank van 24 december 2009

inzake:

[..],

geboren op 1975,

van [..] nationaliteit,

IND-dossiernummer: [..],

V-nummer: [..],

eiser,

gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt, advocaat te Emmen;

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.P. Gaal- de Groot, ambtenaar bij de IND.

Procesverloop

Op 15 augustus 2008 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Bij besluit van 20 januari 2009 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

Bij beroepschrift van 13 februari 2009 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen dit besluit. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 november 2009. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Motivering

In geschil is de vraag of verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000.

Verweerder heeft de aanvraag mede op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 afgewezen, omdat eiser ter staving van zijn aanvraag toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Naar de mening van verweerder heeft eiser onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van zijn verblijf- en reisroute, nu hij zijn reisverhaal niet heeft onderbouwd met het gebruikte grensoverschrijdingsdocument en/of andere reisbewijzen.

Verweerder meent voorts dat, hoewel de dood van de oud werkgever van eiser en de ontvoering van de zoon van een andere oud-werkgever van eiser geloofwaardig worden geacht, de door eiser geuite vrees en vermoedens dat hij als gevolg hiervan eveneens in de specifieke negatieve belangstelling staat, niet geloofwaardig worden geacht. De vrees van eiser is volgens verweerder slechts gebaseerd op vermoedens en verklaringen van niet objectieve derden. Voorts is verweerder van mening dat eiser vage en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en dat van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Samengevat heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat verweerder geen geloof hecht aan de verklaringen van eiser.

Eiser heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden.

Volgens vaste jurisprudentie behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst.

Volgens vaste jurisprudentie pleegt de staatssecretaris het relaas van de asielzoeker en de daarin gestelde feiten voor waar aan te nemen, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet-onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien geldt daarvoor als vereiste dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw 2000 opgesomde omstandigheden die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker voordoen. Wordt aan dat laatste vereiste niet voldaan, dan mogen ingevolge artikel 31 Vw 2000 in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Volgens paragraaf C4/3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag van belang de identiteit van de asielzoeker, de nationaliteit van de asielzoeker, de reisroute van de asielzoeker en het asielrelaas van de asielzoeker. In paragraaf C4/3.6.3 van de Vc 2000 is vermeld, indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van deze elementen documenten ontbreken en indien dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, dat dit reeds voldoende is voor de conclusie dat sprake is van toerekenbaar ontbreken van documenten.

Niet in geschil is dat eiser zijn Iraakse paspoort in Turkije heeft verscheurd en hij voorts geen indicatieve bewijsstukken aangaande zijn reisroute heeft overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen overwegen dat eiser, gelet op diens reisverhaal, in staat moet worden geacht (indicatieve) bewijsstukken te overleggen. Nu eiser, behoudens te stellen dat hij de reisdocumenten moest afgeven omdat hij anders niet verder geholpen zou worden, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het vernietigen van bewijsstukken van zijn reis heeft plaatsgevonden onder dwang van de reisagent, is de rechtbank van oordeel dat verweerder reeds hierom in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd. Dat eiser in beroep een uitdraai heeft gemaakt van zijn ingescande Iraakse paspoort, leidt, reeds vanwege het feit dat het hier geen origineel document betreft als gevolg waarvan er geen oordeel gegeven kan worden over de authenticiteit daarvan, niet tot een ander oordeel. Voorts heeft verweerder het bevreemdend kunnen vinden dat eiser eerst in beroep melding maakt van het gegeven dat hij zijn Iraakse paspoort (op enig tijdstip) voordat hij het heeft verscheurd nog heeft ingescand.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.

Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de bedreigingen aan het adres van zijn schoonvader. Voorts heeft verweerder het in redelijkheid bevreemdend kunnen vinden dat eiser geen exacte datum weet te noemen waarop de onbekenden aan de deur kwamen bij zijn schoonvader om hun bedreigingen te uiten. De rechtbank is eveneens van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat eiser tegenstrijdige en weinig overtuigende verklaringen heeft afgelegd omtrent zijn eigen ontvoering. Zo weet eiser niet te vertellen wie zijn ontvoerders zijn en wat de achterliggende gedachte is geweest van de ontvoering. Bovendien heeft verweerder het in redelijkheid niet aannemelijk kunnen achten dat eiser twee dagen na zijn ontvoering is vrijgelaten met de mededeling dat hij nog een aantal dagen respijt kreeg, terwijl het de intentie van de ontvoerders zou zijn geweest om hem te doden en dat zij dit op een later tijdstip alsnog zouden gaan doen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich, naar het oordeel van de rechtbank, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert en dat daarom geen geloof wordt gehecht aan de verklaringen van eiser. De in beroep door eiser overgelegde brieven leiden niet tot een ander oordeel, omdat deze brieven afkomstig zijn uit niet objectieve bron, zodat hieraan niet de waarde kan worden toegekend die eiser daaraan toegekend zou willen zien.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.

De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

In dat verband heeft eiser zich onder meer op het standpunt gesteld dat gelet op zijn gezondheid uitzetting in strijd zou komen met artikel 3 (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) (uitspraak van 2 mei 1997 in de zaak St. Kitts, nr. 146/1996/767/964, RV 1997, 70 en van 6 februari 2001 in de zaak Bensaid, nr. 44599/98, JV 2001/103) blijkt, samengevat, dat uitzetting in verband met de medische toestand kan leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM in het geval de vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Gelet op het oordeel inzake de geloofwaardigheid van eisers verklaringen met betrekking tot de door hem ondergane mishandelingen tijdens zijn ontvoering en het feit dat eiser zijn medische klachten niet met stukken heeft onderbouwd, kan niet worden geconcludeerd dat eiser zich in een situatie als hiervoor genoemd bevindt, zodat hij niet op die grond een geslaagd beroep kan doen op de bescherming van artikel 3 van het EVRM.

Ten aanzien van het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004, inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven van de Raad van de Europese Unie (hierna: de richtlijn) overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser stelt dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict waarbij de mate van willekeurig geweld dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Bagdad louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Hij verwijst in dit verband naar berichtgevingen in de opeenvolgende ambtsberichten en de brieven van Amnesty International van 6 oktober 2008 en Vluchtelingenwerk Nederland (VVN) van 1 oktober 2008. Eiser heeft bij brief van 30 oktober 2009 nog overgelegd een samenvatting van VVN van de UNHCR Eligibility Guidelines Irak van april 2009 (hierna: Guidelines van april 2009), en een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 25 september 2009. Op grond daarvan stelt eiser dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom er in Bagdad geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, nu daarvan volgens voetnoot 24 van de Guidelines van april 2009 wel sprake is. Daarnaast heeft eiser gewezen op een recente aanslag in Bagdad, waarbij meer dan 130 mensen zijn gedood en meer dan 500 gewonden zijn gevallen.

Ter zitting heeft eiser daar nog aan toegevoegd dat hem uit informatie van het landelijk bureau van VVN is gebleken dat de opsteller van het ambtsbericht van mei 2009 geen rekening heeft gehouden met de inhoud van voetnoot 24 van de Guidelines van april 2009.

Tot slot heeft eiser de rechtbank verzocht de behandeling aan te houden tot januari 2010, omdat de rechtbank dan de mogelijkheid heeft prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG).

Verweerder heeft in het besluit van 20 januari 2009 geoordeeld dat een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn niet kan slagen. Met de toetsing aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000, is volgens verweerder ook reeds aan artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn getoetst. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om vooruitlopend op de beantwoording van prejudiciële vragen van een andere uitleg uit te gaan dan tot op het moment van het besluit is gedaan.

In het verweerschrift is verweerder ingegaan op de Guidelines van april 2009. Verweerder volgt de UNHCR niet in het betoog dat iedere Irakees die afkomstig is uit de provincies Bagdad, Diyala, Kirkuk, Ninewa en Salah al-Din in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Verweerder meent dat de veiligheidssituatie in genoemde gebieden zoals omschreven in het ambtsbericht van mei 2009 niet zodanig is dat elke vreemdeling die daarnaar terugkeert een reëel en voorzienbaar risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Verweerder verwijst naar een uitspraak van het HvJEG van 17 februari 2009 (LJN: BH3646) en uitspraken van het EHRM van 17 juli 2008 (LJN: BF0248) en van 20 januari 2009 (LJN: BH3275). Een dergelijke situatie doet zich blijkens deze uitspraken slechts bij zeer uitzonderlijke omstandigheden voor. Het moet gaan om "the most extreme cases of general violence". In de hiervoor genoemde uitspraak van 20 januari 2009 heeft het EHRM geoordeeld dat hoewel de algehele veiligheidssituatie in Irak nog steeds onveilig en problematisch is, deze niet zodanig ernstig is dat de betrokken vreemdeling enkel vanwege terugkeer naar zijn land al een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Bij dat oordeel heeft het EHRM informatie van de UNHCR van 2007 betrokken. Uit de bij verweerder bekende bronnen (waaronder de Guidelines van april 2009 en het ambtsbericht van mei 2009) blijkt niet dat de situatie sindsdien is verslechterd.

De rechtbank verwijst in verband met eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn naar een tweetal uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 augustus 2009 (LJN: BJ6452) en 1 september 2009 (LJN: BJ6925).

Uit die uitspraken volgt dat de rechtbank de jurisprudentie van het HvJEG van 17 februari 2009 (LJN: BH 3646) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 mei 2009 (LJN: BI4791), aldus verstaat dat een vreemdeling, indien hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op individuele gronden redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM, hij dan ook geen aanspraak kan maken op bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, tenzij hij afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat die vreemdeling die terugkeert naar het betrokken land, of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

Nu, zoals hiervoor door de rechtbank is geoordeeld, verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op individuele gronden een reëel risico loopt op schendingen als bedoeld in artikel 3 EVRM, heeft eiser, gelet op voornoemde jurisprudentie, geen aanspraak op bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, tenzij hij afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals hiervoor genoemd.

De rechtbank stelt vast dat niet langer in geschil is dat eiser afkomstig is uit Bagdad.

De rechtbank stelt voorts vast dat de UNHCR zijn conclusie dat zich in bedoelde vijf provincies een uitzonderlijke situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, in grote lijnen baseert op dezelfde feiten als verweerder, zoals die zijn beschreven in het ambtsbericht van 29 mei 2009. Hoewel het vanuit de taakopvatting van de UNHCR wellicht begrijpelijk is dat hij een dergelijke conclusie trekt, is het niettemin aan het bestuur en de rechter om die feiten juridisch te kwalificeren, zoals ook het Hof van Justitie heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 17 februari 2009 (r.o. 43).

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de in het ambtsbericht van mei 2009 beschreven veiligheidssituatie niet de conclusie kan worden getrokken dat er in Centraal-Irak in het algemeen, noch in Bagdad in het bijzonder, sprake is van “the most extreme cases of general violence” dan wel de uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger (asielzoeker) die terugkeert naar dit land of naar Bagdad, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige bedreiging.

Uit het ambtsbericht komt naar voren dat de veiligheidssituatie in Irak over het algemeen zeer ernstig was, maar dat deze in 2008 en begin 2009 aanzienlijk is verbeterd ten opzichte van 2007. Ten aanzien van Bagdad in het bijzonder vermeldt het ambtsbericht dat de veiligheidssituatie daar gedurende de verslagperiode nog altijd zeer ernstig was, maar dat diverse bronnen een afname van het geweldsniveau signaleerden, met name voor wat betreft het sektarische geweld.

De enkele stelling van eiser dat de opsteller van het ambtsbericht geen rekening heeft gehouden met de opvattingen van de UNHCR zoals vermeld in voetnoot 24 van de Guidelines van april 2009, doet geen afbreuk aan de uit het ambtsbericht blijkende informatie, nu eiser zijn stelling naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd. Overigens zijn de Guidelines van april 2009 uitdrukkelijk opgenomen in het overzicht van geraadpleegde bronnen aan het slot van het ambtsbericht.

De rechtbank acht voorts van belang dat het EHRM in de hiervoor genoemde uitspraak van 20 januari 2009 bij haar beoordeling van de veiligheidssituatie in Irak onder meer rekening heeft gehouden met het UNHCR-rapport Strategy for the Iraq Situation van januari 2007 en het Addendum to UNHCR’s Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylum-seekers van december 2007. Het EHRM komt tot het oordeel dat de situatie in Irak in 2008 is verbeterd en dat, hoewel de algehele veiligheidssituatie in Irak nog steeds onveilig en problematisch is, deze niet zo ernstig is dat de desbetreffende vreemdeling enkel hierdoor bij terugkeer naar zijn land van herkomst het risico loopt van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarbij heeft het EHRM opgemerkt dat de aanbevelingen van de UNHCR (die inhouden dat moet worden afgezien van het uitzetten van Irakezen naar Irak) deels gebaseerd zijn op de veiligheidssituatie en deels zijn ingegeven door praktische problemen waarvoor terugkerende vluchtelingen worden gesteld, zoals met betrekking tot onderdak, medische zorg en de restitutie van land.

Nu uit het vorenoverwogene volgt dat de veiligheidssituatie in Irak sinds de uitspraak van het EHRM is verbeterd in plaats van verslechterd, is de rechtbank van oordeel dat ook thans geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, zodat eisers beroep daarop niet kan slagen.

De verwijzing door eiser naar een recente aanslag in Bagdad maakt dat oordeel niet anders, omdat daaraan immers niet de conclusie kan worden verbonden dat de algehele veiligheidssituatie in Bagdad is verslechterd sinds januari 2009, het moment waarop het EHRM daarover oordeelde.

Het verzoek tot aanhouding, teneinde prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEG, wijst de rechtbank af. In aanmerking genomen dat het HvJEG bij uitspraak van 17 februari 2009 uitleg heeft gegeven over de betekenis van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank het niet noodzakelijk ter beslechting van het geschil (nadere) uitleg te vragen van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

Met betrekking tot eisers stelling dat hem een verblijfsvergunning moet worden verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000, is de rechtbank van oordeel dat eiser - gelet op vorenstaand oordeel inzake de geloofwaardigheid van het asielrelaas - daaraan evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen.

De rechtbank ziet zich ten slotte gesteld voor de vraag of verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000.

De rechtbank verwijst in dit verband wederom naar voornoemde uitspraken van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 25 augustus 2009 (LJN: BJ6452) en 1 september 2009 (LJN: BJ6925), waar samengevat is geoordeeld dat er geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen het beleid van categoriale bescherming ten aanzien van Irak te beëindigen.

Eiser heeft gesteld dat verweerder als vaste gedragslijn hanteert dat aan het in Duitsland gevoerde beleid doorslaggevende betekenis wordt gehecht en dat het in strijd is met het verbod van willekeur en het vertrouwensbeginsel en onvoldoende gemotiveerd waarom verweerder nu geen, althans een ondergeschikt belang toekent aan de manier waarop Duitsland met Irakese asielzoekers omgaat.

Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling dat verweerder een dergelijke vaste gedragslijn hanteert onvoldoende onderbouwd, zodat deze geen doel treft. Bovendien heeft verweerder ter zitting deze stelling betwist.

Hetgeen eiser ten aanzien van het beleid van categoriale bescherming overigens heeft aangevoerd, is ten dele betrokken bij de beoordeling van de beroepen die hebben geleid tot voornoemde uitspraken, zodat er naar het oordeel van de rechtbank thans geen aanleiding bestaat anders te oordelen dan in voornoemde uitspraken. Voor zover het door eiser overigens aangevoerde niet is betrokken in voornoemde uitspraken, leidt dit niet tot een ander oordeel.

Eiser kan derhalve aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

Het beroep is, gelet op het voorgaande, ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. L.J. Hofstra en mr. T.M.L. Veen, leden, bijgestaan door A.P. Kuiters, griffier.

A.P. Kuiters

mr. N.A. Vlietstra

In het openbaar uitgesproken op 24 december 2009.