Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7489

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/30229
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verblijf bij echtgenote / middelenvereiste / motivering

In geschil is de vraag of verweerder de verblijfsvergunning van eiser heeft kunnen intrekken vanwege de omstandigheid dat referente ten tijde van verlening van de verblijfsvergunning niet zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikte. Verweerder heeft de intrekking van eisers verblijfsvergunning gebaseerd op de brief van het UWV van 3 april 2007 aan de voormalige gemachtigde van eiser en de telefonische navraag door verweerder bij het UWV op 19 juni 2007 en 22 januari 2008.De rechtbank stelt vast dat uit bovengenoemd schrijven van het UWV blijkt dat de voormalig werkgever van referente tussen 2001 en 2005 niet volledig de premies inzake de sociale verzekeringen heeft voldaan. Uit dit schrijven blijkt evenwel niet dat dit de premies voor de sociale verzekeringen betreffen die Archiva Accountancy gehouden was af te dragen ten behoeve van referente. Uit de brief van het UWV komt naar voren dat naar aanleiding van een looncontrole een navordering is opgelegd. Onduidelijk is welke bij de looncontrole geconstateerde feiten en omstandigheden tot een navordering hebben geleid. Op geen enkele wijze is komen vast te staan dat deze navordering betrekking heeft op het door referente ontvangen loon. Zonder inzage in het betreffende looncontrolerapport is niet vast te stellen waarop de navordering ziet. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het schrijven van het UWV van 3 april 2007 derhalve niet de conclusie, zoals weergegeven in het besluit in primo en het thans bestreden besluit op bezwaar, dat referente ten tijde van verlening van de verblijfsvergunning met ingang van 2 maart 2004 niet zelfstandig beschikte over voldoende middelen van bestaan. De rechtbank stelt voorts vast dat de telefonische navraag die verweerder stelt te hebben gedaan bij het UWV, niet is neergelegd in een schriftelijk stuk. Reeds hierom heeft verweerder deze informatie van het UWV waaruit zou zijn gebleken dat nog immer niet (volledig) de verschuldigde premies zijn voldaan, niet ten grondslag mogen leggen aan zijn standpunt dat referente niet zelfstandig beschikte over voldoende middelen van bestaan. Uit deze informatie kan immers wederom niet worden afgeleid dat het premies betreft die ten behoeve van referente hadden moeten worden afgedragen.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerders standpunt dat referente niet zelfstandig beschikte over voldoende middelen van bestaan als bepaald in artikel 3.73 Vb niet berust op een deugdelijke motivering. Verweerder heeft niet aangetoond dat de intrekkingsgrond zich voordoet. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09 / 30229

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 december 2009

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. I.T. Martens, gemachtigde te Zoetermeer,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verweerder heeft bij besluit van 10 juli 2007, verzonden op 17 juli 2007, eisers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “verblijf bij echtgenote [partner van] (referente) ingetrokken met terugwerkende kracht tot 2 maart 2004. Eiser heeft tegen het besluit op 6 augustus 2007 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 22 januari 2008 ongegrond verklaard. Eiser heeft op 15 februari 2008 tegen dit besluit beroep ingesteld en gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.2 Verweerder heeft op 27 mei 2008 een verweerschrift ingediend.

1.3 Bij uitspraak van 25 augustus 2008 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep gegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen (AWB 08/5639 en AWB 08/5635). Hiertegen heeft verweerder op 23 september 2008 hoger beroep ingesteld.

1.4 Bij uitspraak van 24 april 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 25 augustus 2008 vernietigd voor wat betreft nummer AWB 08/5635 en de zaak teruggewezen (200807141/1/V2).

1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 10 november 2009. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 19 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, Vw met uitzondering van onderdeel b.

2.3 Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, Vw kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel de persoon bij wie de vreemdeling verblijft niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2.4 Ingevolge artikel 3.73, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zijn de in artikel 16, eerste lid onder c, Vw bedoelde middelen in ieder geval zelfstandig indien zij verworven zijn uit wettelijk toegestane arbeid in loondienst, wettelijk toegestane arbeid als zelfstandige of inkomenvervangende uitkeringen krachtens een sociale verzekeringswet, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen.

2.5 In B1/4.3.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat dat uit de ratio en strekking van het middelenvereiste volgt dat het gaat om legale arbeid. Arbeid is legaal als er naast belastingen ook premies sociale verzekeringen worden afgedragen. Het gaat hierbij om de zogenaamde werknemersverzekeringen (WAO, WIA, WW en ZW). Om te kunnen vaststellen of sprake is van legale arbeid wordt alleen in geval van twijfel geverifieerd bij de desbetreffende uitvoeringsinstelling of de werknemer daar geregistreerd staat. Er kan daar nagegaan worden wat de aard van het dienstverband is en of er premies voor de betreffende werknemer worden afgedragen. In bepaalde gevallen kan dit direct worden geverifieerd. Indien directe verificatie niet mogelijk is, is het volgende van toepassing. Indien blijkt dat de aard van het dienstverband, zoals die is aangemeld, anders is dan in de arbeidsovereenkomst staat vermeld, wordt aan die arbeidsovereenkomst niet de gebruikelijke waarde toegekend. De te verwachten duur van de inkomsten komt dan niet overeen met de duur van de arbeidsovereenkomst. In dat geval is niet voldaan aan het duurzaamheidvereiste. (…).

Evenzo wordt het inkomen uit arbeid in loondienst niet aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan, indien de arbeidsovereenkomst niet is aangemeld bij de desbetreffende uitvoeringsinstantie of wanneer ter zake geen premies sociale verzekeringen worden afgedragen of wanneer ter zake geen belastingen worden afgedragen. De aanvraag wordt afgewezen wegens het niet zelfstandig beschikken over inkomsten uit arbeid in loondienst, indien de inkomsten zijn verkregen uit arbeid die niet wettelijk is toegestaan of geen premies sociale verzekeringen of geen belastingen worden afgedragen.

2.6 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

- Eiser heeft op 14 januari 2004 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “verblijf bij echtgenote”. Deze verblijfsvergunning is eiser verleend met ingang van 2 maart 2004 en is laatstelijk verlengd tot 12 juli 2009.

- Referente is op 1 mei 2003 in dienst getreden bij Archiva Accountancy. Dit dienstverband is beëindigd vanwege opheffing van dit bedrijf.

- Referente heeft tussen 5 april 2004 en 30 juni 2004 een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet.

- Referente heeft tussen 7 januari 2005 en 29 augustus 2005 een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet.

- In de brief van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) van 3 juli 2007 staat dat het UWV wegens betalingsonmacht van Archive Accountancy de loonbetalingsverplichting heeft overgenomen van 31 december 2005 tot 31 januari 2006 .

- Op 10 maart 2006 is referente in dienst getreden bij Smartpanel Accountancy BV. Dit dienstverband is beëindigd op 1 januari 2007 vanwege faillissement van dit bedrijf.

- In de brief van het UWV van 18 januari 2008 staat dat het UWV wegens faillissement van Smartpanel Accountancy BV de loonbetalingsverplichting heeft overgenomen van 16 mei 2007 tot 14 augustus 2007.

- Op 15 augustus 2007 is referente in dienst getreden bij B&F Accountancy.

2.7 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op de volgende standpunten gesteld. Gebleken is dat referente ten tijde van verlening van de verblijfsvergunning met ingang van 2 maart 2004 niet zelfstandig beschikte over voldoende middelen van bestaan nu niet in geschil is dat haar toenmalige werkgever, Archiva Accountancy, niet (volledig) de premies voor de werknemersverzekeringen heeft voldaan. Verweerder heeft bij zijn beoordeling betrokken de brief van het UWV van 3 april 2007 en de telefonische navraag die verweerder heeft gedaan bij het UWV op 19 juni 2007 en 22 januari 2008. Er bestaat geen aanleiding voor toepassing van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) noch is er een grond voor de conclusie dat in strijd met artikel 3:4, tweede lid, Awb is gehandeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat niet is betwist dat sprake is van feitelijke tegenstrijdigheden en dat niet is aangetoond dat referente bij het dienstverband bij Smartpanel Accountancy BV duurzaam en zelfstandig heeft beschikt over voldoende middelen van bestaan. Inzake het dienstverband van referente bij B&F Accountancy zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat referente daadwerkelijk werkzaamheden voor dit bedrijf uitvoert en dat zij op grond hiervan aan het middelenvereiste voldoet. Het besluit is niet in strijd met artikel 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is geen sprake van inmenging en op verweerder rust geen positieve verplichting.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat uit de overgelegde stukken blijkt dat voor referente de verschuldigde premies voor de sociale verzekeringen en belastingen zijn afgedragen en dat zij derhalve ten tijde van verlening van verblijfsvergunning op 2 maart 2004 zelfstandig beschikte over voldoende middelen van bestaan. Anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld, is dus in geschil of voor referente niet (volledig) de premies voor de werknemersverzekeringen zijn afgedragen. Verweerders standpunt ter zitting dat eiser dit niet in bezwaar heeft aangevoerd zodat deze grond thans niet bij de beoordeling kan worden betrokken, volgt de rechtbank niet. Artikel 6:13 Awb staat er niet aan in de weg dat het eiser is toegestaan om in beroep nieuwe argumenten aan te voeren ter onderbouwing van een reeds in bezwaar ingenomen standpunt, te weten dat verweerder zijn verblijfsvergunning ten onrechte heeft ingetrokken tot 2 maart 2004.

2.9 Gelet op de hiervoor geformuleerde beroepsgrond ligt ter beoordeling voor of verweerder de verblijfsvergunning van eiser heeft kunnen intrekken vanwege de omstandigheid dat referente ten tijde van verlening van de verblijfsvergunning niet zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikte. De rechtbank merkt in dit kader op dat bij het nemen van een belastende beschikking als onderhavige, de bewijslast bij verweerder ligt om aan te tonen dat de intrekkingsgrond zich voordoet.

2.10 Verweerder heeft de intrekking van eisers verblijfsvergunning gebaseerd op de brief van het UWV van 3 april 2007 aan de voormalige gemachtigde van eiser en de telefonische navraag door verweerder bij het UWV op 19 juni 2007 en 22 januari 2008. In de brief van het UWV van 3 april 2007 staat, voor zover van belang, het volgende.

“In uw brief van 26 maart 2007 vraagt u ons mede te delen of bovengenoemde werkgever de premies inzake de sociale verzekeringen heeft voldaan.

Wij hebben dit voor u nagekeken en komen tot de volgende conclusie. De betrokken onderneming (Archiva Accountancy) hebben wij, naar aanleiding van een looncontrole die heeft plaats gevonden navorderingen gezonden vanaf 2001 tot en met 2005 waarbij een totaal bedrag van € 21.392,69 in rekening is gebracht. Op deze totale premie is een bedrag ontvangen van € 2.287,24 zodat wij momenteel nog een bedrag hebben openstaan van € 19.105,45. Afgaande op deze informatie kunnen wij stellen dat de geheven premies niet volledig zijn voldaan.”

2.11 De rechtbank stelt vast dat uit bovengenoemd schrijven van het UWV blijkt dat de voormalig werkgever van referente, Archiva Accouyntancy, tussen 2001 en 2005 niet volledig de premies inzake de sociale verzekeringen heeft voldaan. Uit dit schrijven blijkt evenwel niet dat dit de premies voor de sociale verzekeringen betreffen die Archiva Accountancy gehouden was af te dragen ten behoeve van referente. Uit de brief van het UWV van 26 maart 2007 komt naar voren dat naar aanleiding van een looncontrole een navordering is opgelegd. Onduidelijk is welke bij de looncontrole geconstateerde feiten en omstandigheden tot een navordering hebben geleid. Op geen enkele wijze is komen vast te staan dat deze navordering betrekking heeft op het door referente ontvangen loon. Zonder inzage in het betreffende looncontrolerapport is niet vast te stellen waarop de navordering ziet. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het schrijven van het UWV van 3 april 2007 derhalve niet de conclusie, zoals weergegeven in het besluit in primo en het thans bestreden besluit op bezwaar, dat referente ten tijde van verlening van de verblijfsvergunning met ingang van 2 maart 2004 niet zelfstandig beschikte over voldoende middelen van bestaan als bepaald in artikel 3.73 Vb.

2.12 De rechtbank stelt voorts vast dat de telefonische navraag die verweerder op 19 juni 2007 en 22 januari 2008 stelt te hebben gedaan bij het UWV, niet is neergelegd in een schriftelijk stuk. Reeds hierom heeft verweerder deze informatie van het UWV waaruit zou zijn gebleken dat nog immer niet (volledig) de verschuldigde premies zijn voldaan, niet ten grondslag mogen leggen aan zijn standpunt dat referente niet zelfstandig beschikte over voldoende middelen van bestaan als bepaald in artikel 3.73 Vb. Uit deze informatie kan immers wederom niet worden afgeleid dat het premies betreft die ten behoeve van referente hadden moeten worden afgedragen.

2.13 Uit het vorenstaande volgt dat verweerders standpunt dat referente niet zelfstandig beschikte over voldoende middelen van bestaan als bepaald in artikel 3.73 Vb niet berust op een deugdelijke motivering. Verweerder heeft niet aangetoond dat de intrekkingsgrond zich voordoet.

2.14 Reeds hierom zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met artikelen 3:2 en 7:12 Awb. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft derhalve geen bespreking meer.

2.15 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

2.16 Het besluit in primo kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen evenmin in stand blijven en zal daarom worden herroepen. Daarvoor zal de rechtbank gebruik maken van de in artikel 8:72, vierde lid, Awb gegeven bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien.

2.17 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 966,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 22 januari 2008;

3.3 herroept het besluit in primo van 10 juli 2007;

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 966,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.I. de Vreese-Rood, voorzitter en mrs. J.M. Janse van Mantgem en W.J.A.M. Brussel, leden van de meervoudige kamer en op 9 december 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.