Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7257

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
21-12-2009
Zaaknummer
09/754130-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan mensenhandel. Verdachte heeft daartoe, samen met zijn broer, een jonge vrouw, met wie hij enige tijd een relatie had, door onder meer het gebruik van geweld in de (raam)prostitutie gehouden.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in de verhouding met de medeverdachte, de broer van verdachte, een dirigerende rol heeft vervuld.

Art. 47 en 273f WvSr. Gevangenisstraf van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/754130-08

Datum uitspraak: 18 december 2009

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [datum] 1986,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 maart 2009, 29 mei 2009, 9 juli 2009, 2 oktober 2009 en 3 en 4 december 2009.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting van 3 en 4 december 2009 niet verschenen. De raadsman heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

De officier van justitie mr. M. Mos heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 4 eerste cumulatief/alternatief en 5 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 eerste, tweede en derde cumulatief/alternatief; 2 eerste, tweede en derde cumulatief/alternatief; 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief; 4 tweede en derde cumulatief/alternatief en 5 tweede en derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden en 3 dagen, met aftrek van de tijd in overleveringsdetentie en voorarrest doorgebracht, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd - na aanpassing van de tenlastelegging ter terechtzitting van 9 juli 2009 - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de vordering aanpassing omschrijving tenlastelegging, gemerkt A.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie: rechtsmacht.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie partieel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, voor zover volgens de tenlastelegging gedragingen in het buitenland -Hongarije- zouden hebben plaatsgevonden. Nu de verdachte niet de Nederlandse nationaliteit bezit, ontbeert de rechtbank rechtsmacht ten aanzien van die gedragingen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Ingevolge artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Verdachte wordt onder alle tenlastegelegde feiten mensenhandel verweten. Voor zover het verwijt betrekking heeft op een en hetzelfde slachtoffer dient het beschouwd te worden als één voortdurend delict, dat bestaat uit een samenstel van handelingen op verschillende plaatsen. Verdachte wordt in het kader van mensenhandel verschillende uitvoeringshandelingen verweten die zowel in Nederland als in Hongarije zouden hebben plaatsgevonden. Indien ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar het strafbare feit is gepleegd, is op grond van dit artikel vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van het strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. Dit is niet anders wanneer de gedragingen van de verdachte in het buitenland zich chronologisch vóór de tenlastegelegde gedragingen in Nederland zouden hebben voorgedaan.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 alle cumulatief/alternatieven, 3 alle cumulatief/alternatieven, 4 alle cumulatief/alternatieven en 5 alle cumulatief/alternatieven is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de bij verdachte tenlastegelegde mensenhandel ten aanzien van [vrouw A.], [vrouw B.], [vrouw C.] en [vrouw ] (feiten 2, 3, 4 en 5) is onvoldoende komen vast te staan dat verdachte dwang- of drukmiddelen heeft gebruikt, de vrouwen heeft aangeworven of vervoerd, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hun uitbuiting of hierbij nauw en bewust samenwerkte met zijn broer [broer van verdachte]. Geen van deze vrouwen heeft verklaard dat zij in Hongarije met verdachte heeft gesproken over prostitutie. Uit de verklaringen blijkt evenmin van een actieve rol van verdachte bij het vervoer van [vrouw A.], [vrouw B.], [vrouw C.] of [vrouw ] naar Nederland. Verdachte heeft ten aanzien van deze vrouwen geen geweld gebruikt en zij hebben de opbrengsten van het prostitutiewerk niet aan hem behoeven af te geven. De rechtbank acht het samenwonen met een aantal van deze vrouwen en het zo nu en dan brengen van een aantal van deze vrouwen naar het werk onvoldoende om te kunnen spreken van medeplegen. De rechtbank zal verdachte van deze feiten, alle cumulatief/alternatieven, dan ook vrijspreken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bij feit 1 onder eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde, dat zij verdachte partieel zal vrijspreken van het vervoeren van [vrouw E.] naar Nederland en het vertellen/voorspiegelen aan [vrouw E.] dat in Nederland veel geld te verdienen is als prostituee (het eerste en tweede gedachtenstreepje), nu deze handelingen niet in Nederland, maar in Hongarije zijn begaan.

De rechtbank acht ten aanzien van feit 1 onder tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde niet bewezen dat verdachte reeds in Hongarije het oogmerk had om [vrouw E.], zijn toenmalige vriendin, er in Nederland toe te brengen zich te prostitueren, zodat verdachte ook van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 eerste cumulatief/alternatief en 1 derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Nadere bewijsoverwegingen.

De rechtbank stelt voorop dat het handelen van verdachte niet los kan worden gezien van het handelen van zijn [broer van verdachte] (zie het vonnis van heden in de zaak met parketnummer 09/754126-08).

Verdachte is samen met [broer van verdachte] en [vrouw E.], met wie hij op dat moment een relatie had, naar Nederland gereden. Verdachte heeft [vrouw E.] hier met grote regelmaat naar haar werk gebracht en haar opgehaald. Hij heeft tijdens hun relatie - die op een bepaald moment is geëindigd, waarna zij een relatie kreeg met [broer van verdachte] - het door [vrouw E.] in de prostitutie verdiende geld van haar ontvangen en hij heeft [vrouw E.] meermalen mishandeld. Bovendien woonde verdachte in een woning waarvan [vrouw E.] de huur betaalde en heeft hij haar voor het eten laten betalen. Ook na het eindigen van de relatie, ontving hij, evenals [broer van verdachte], verdiensten van [vrouw E.]. Als verdachte in Hongarije was, werd er regelmatig door [vrouw E.] geld naar hem overgemaakt.

Voorts is er een tapverslag van 15 augustus 2008, waarin [broer van verdachte] tegen [vrouw A.] zegt, nadat hij had ontdekt dat [vrouw E.] en een andere prostituee niet hard genoeg werkten: "[verdachte] heeft hun wel op de kop gegeven." De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte ten overstaan van [vrouw E.] een zelfde rol als [broer van verdachte] vervulde.

Mede gelet op de verklaringen van [vrouw E.], [vrouw B.], [vrouw F.] en [vrouw G.] op dit punt -waaruit blijkt van een gezamenlijk handelen door verdachte en [broer van verdachte], waarbij aan beiden verdiensten werden overgedragen, beiden controle en geweld uitoefenden en waaruit naar voren komt dat [broer van verdachte] daarbij dominant was, [verdachte] deed wat [broer van verdachte] zei- is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [broer van verdachte] dat medeplegen ten aanzien van het onder 1 eerste en derde cumulatief/alternatief tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan mensenhandel. Verdachte heeft daartoe, samen met zijn broer, een jonge vrouw, met wie hij enige tijd een relatie had, door onder meer het gebruik van geweld in de (raam)prostitutie gehouden.

Dusdoende heeft verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbare, geïsoleerde en afhankelijke positie waarin deze vrouw in Nederland verkeerde. Mede hierdoor werd het voor het slachtoffer onmogelijk gemaakt ten aanzien van het uitoefenen van de prostitutie vrije keuzes te maken en zelfstandig beslissingen te nemen zoals vrije Nederlandse prostituees dat kunnen. Het gedrag van verdachte kan worden beschouwd als stelselmatige onderdrukking, waaraan het slachtoffer in Nederland ten prooi viel en met welke onderdrukking klaarblijkelijk werd beoogd mogelijke weerstand van haar te breken en te voorkomen dat zij met de prostitutie zou stoppen of voor zich zelf zou gaan werken.

De rechtbank tilt zwaar aan een dergelijk feit. Verdachte heeft bij het begaan van het feit op geen enkele manier respect getoond voor het slachtoffer en haar louter en alleen als handelswaar beschouwd. Verdachte heeft het slachtoffer bovendien meermalen mishandeld. Dusdoende heeft verdachte geen enkel ontzag getoond voor de lichamelijke integriteit of het zelfbeschikkingsrecht van het slachtoffer. Voorts kunnen feiten als de onderhavige een aanzienlijke psychische schade bij de veelal jonge vrouwen teweegbrengen.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in de verhouding met de medeverdachte, broer [broer van verdachte], [broer van verdachte] een dirigerende rol heeft vervuld.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een hem betreffend Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, waaruit blijkt dat verdachte nog niet eerder in Nederland voor dergelijke feiten is veroordeeld.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van nader te melden duur, passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

47 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 alle cumulatief/alternatieven, 3 alle cumulatief/alternatieven, 4 alle cumulatief/alternatieven en 5 alle cumulatief/alternatieven ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 eerste en derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 eerste en derde cumulatief/alternatief:

mensenhandel, door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie, verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mrs H.P.M. Meskers, voorzitter,

B. Bastein en M. Knijff, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.M. van Heemst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2009.