Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7098

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/7607
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

China / Oeigoerse vrouwen / realiteitsgehalte vermoedens / zwaarwegendheid / landgebonden asielbeleid

In geschil is onder meer de vraag of verweerder terecht het realiteitsgehalte van de door eiseres aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende vermoedens over wat haar bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat ontoereikend heeft geacht om tot inwilliging van de aanvraag over te gaan. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

In algemene landeninformatie wordt bevestigd dat de Chinese autoriteiten ten opzichte van Oeigoerse vrouwen een beleid van verplichte verhuizingen voert. Uit het landgebonden beleid dat verweerder inzake asielzoekers afkomstig uit China voert blijkt dat Oeigoeren die langer dan zes maanden in het buitenland hebben verbleven en Oeigoeren van wie de autoriteiten vermoeden dat zij politiek asiel hebben aangevraagd in het buitenland in de bijzondere belangstelling van de autoriteiten staan.

Vast staat dat eiseres als Oeigoerse vrouw in het kader van gedwongen tewerkstelling elders in China door de autoriteiten is benaderd. Tevens staat vast dat zij hieraan geen gehoor heeft gegeven en het land heeft verlaten. Vast staat voorts dat eiseres thans meer dan zes maanden buiten China heeft verbleven. Gelet op dit samenstel van feiten acht de rechtbank het dan ook alleszins aannemelijk dat eiseres bij terugkeer zal worden aangehouden, dat zij ervan verdacht zal worden China te hebben verlaten teneinde aan de gedwongen verhuizing en tewerkstelling te ontkomen en dat vermoed zal worden dat zij in Nederland asiel heeft aangevraagd. Aldus komt eiseres overeenkomstig het landgebonden beleid in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.

In elk geval acht de rechtbank, op grond van de door verweerder niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden, dat eiseres, zodra zij terugkeert in China, zich niet aan de aandacht van de autoriteiten zal kunnen onttrekken en alsdan alsnog gedwongen zal worden tot verhuizing naar een plaats elders in China en tewerkstelling aldaar. Een dergelijke behandeling is aan te merken als vervolging wegens het behoren tot een bepaald ras of bevolkingsgroep en valt als zodanig onder de reikwijdte van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bestreden onjuist heeft gemotiveerd. Derhalve is het beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vreemdelingenwet 2000 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/46

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 09/7607

Datum uitspraak: 29 oktober 2009

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum]

v-nummer [nummer],

van Chinese nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. M.J.A. Rinkes,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 20 maart 2008 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 5 maart 2009 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 september 2009. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.A.M. de Groot.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Ter staving van haar asielaanvraag heeft eiseres, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

Eiseres stelt haar land van herkomst, China, te zijn ontvlucht nadat zij begin december 2007 vanwege haar Oeigoerse afkomst door de Chinese autoriteiten is geronseld om in een andere provincie in een fabriek te gaan werken. Zij werd hiervoor de eerste maal op 2 december 2007 in haar ouderlijke woning benaderd en kreeg precies een maand bedenktijd. Daarna hebben de autoriteiten in dit verband op 9 en 20 december 2007 huisbezoeken afgelegd. Omdat eiseres geen gehoor wilde geven aan de gedwongen verhuizing en tewerkstelling in een fabriek heeft zij haar ouderlijke woning op 28 december 2007 verlaten. Tot 13 februari 2008 heeft eiseres bij haar oma in de provincie Gulja verbleven. Vervolgens heeft zij tot aan haar vertrek uit China bij een vriendin, een ver familielid, verbleven. Op 16 februari 2008 heeft zij China per vliegtuig verlaten.

Eiseres heeft aangegeven dat haar familie al eerder problemen heeft ondervonden van de zijde van de Chinese autoriteiten. Zo werd haar broer, na betrokken te zijn geweest bij een demonstratie voor een onafhankelijk Oost-Turkestan in 1997, opgepakt en in 2006 geëxecuteerd.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd.

Volgens verweerder heeft eiseres toerekenbaar geen paspoort en andere reisdocumenten overgelegd, nu zij heeft verklaard deze documenten na haar aankomst in Nederland te hebben vernietigd. De stelling van eiseres dat zij vreesde door de Nederlandse autoriteiten teruggestuurd te worden naar China acht verweerder geen verschoonbare reden hiervoor.

Ten aanzien van het asielrelaas van eiseres acht verweerder haar verklaringen betreffende de gebeurtenissen ten aanzien van haar broer, het feit dat zij door de autoriteiten in december 2007 is geronseld, het feit dat de autoriteiten vervolgens enkele huisbezoeken hebben afgelegd en het feit dat zij een maand bedenktijd kreeg aannemelijk.

Niet aannemelijk vindt verweerder echter de stelling van eiseres dat zij voor vervolging te vrezen zou hebben in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Immers, van de zijde van de autoriteiten is niet gebleken van enige vorm van dwang en dreigende sancties. Verweerder vindt het niet geloofwaardig dat eiseres na het verstrijken van de bedenktijd gezocht zou worden door de autoriteiten, nu zij na het laatste huisbezoek op 20 december 2007 nog tot 28 december in de ouderlijke woning is blijven wonen.

Daarnaast constateert verweerder een tegenstrijdigheid in de verklaringen van eiseres over de datum waarop zij bij haar vriendin zou zijn aangekomen. Terwijl in de zienswijze de datum van 13 februari 2008 wordt genoemd, heeft eiseres zelf tijdens het nader gehoor verklaard dat zij op de avond van 13 februari 2008 bij haar ouders was. In het eerste gehoor heeft zij verklaard dat zij op 15 februari 2008 bij haar vriendin is aangekomen, alwaar zij een nacht is gebleven alvorens op 16 februari 2008 uit China te vertrekken.

Voorts stelt verweerder dat het feit dat eiseres reeds in 2005 een paspoort heeft aangevraagd om China te verlaten afbreuk doet aan haar gestelde vrees voor vervolging. Dit met name vanwege de taalcursussen Engels en Arabisch die zij in 2006 heeft gevolgd en het feit dat eiseres tijdens het aanvullend nader gehoor heeft verklaard dat zij onder meer een paspoort had aangevraagd vanwege de achtergestelde positie van Oeigoeren in China. Om die reden acht verweerder het niet aannemelijk dat eiseres enkel een paspoort heeft aangevraagd met het doel haar broer te zoeken.

Tot slot is het volgens verweerder niet aannemelijk dat eiseres voor vervolging te vrezen heeft, nu zij het land legaal met haar eigen paspoort heeft verlaten.

4. Hiermee kan eiseres zich niet verenigen en daartoe voert zij, kort samengevat, het volgende aan. Eiseres meent dat verweerder ten onrechte op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft afgewezen. Immers, zij heeft wel een identiteitskaart en een kopie van haar hukou overgelegd. Ten aanzien van haar reis heeft zij bovendien verifieerbare verklaringen afgelegd. Eiseres stelt wel degelijk voor vervolging te vrezen te hebben, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat haar jongere broer na haar vertrek is ontslagen uit overheidsdienst omdat hij haar geholpen zou hebben met het vluchten en het feit dat zowel haar broer als ouders regelmatig worden verhoord door de autoriteiten. Van haar tante heeft eiseres gehoord dat haar broer eenmaal zelfs zo ernstig mishandeld is door de autoriteiten dat hij in het ziekenhuis opgenomen moest worden. Ook hebben de autoriteiten te kennen gegeven te weten dat eiseres in Nederland verblijft en dat er represailles zullen volgen indien zij terugkeert. Bovendien meent eiseres dat het enkele feit dat zij geronseld is om elders te gaan wonen en verplicht te gaan werken een behandeling is in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 3 van het EVRM).

Betreffende de tegenstrijdige verklaringen over de datum waarop zij bij haar vriendin is aangekomen stelt eiseres de precieze datum niet meer te weten, maar dat dit ook van ondergeschikt belang is en haar niet kan worden tegengeworpen.

Ten aanzien van verweerders stelling dat het feit dat zij reeds in 2005 een paspoort heeft aangevraagd en in 2006 taalcursussen heeft gevolgd afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van haar gestelde vrees voor vervolging, meent eiseres dat verweerder hier onterechte conclusies trekt door verklaringen uit hun verband te trekken. Zo kan uit het enkele feit dat zij taalcursussen heeft gevolgd niet de conclusie getrokken worden dat zij haar land al veel eerder wilde verlaten. Bovendien is zij in 2005 in Kirgizië geweest om haar broer te zoeken. Toen zij hem niet heeft gevonden, is zij naar China teruggekeerd en is niet verder gereisd.

Met betrekking tot haar legale uitreis stelt eiseres dat zij China vanuit Peking heeft verlaten, welke stad op verre afstand ligt van de plaats waar zij met haar ouders woonde. Bovendien is er geen sprake van een centrale registratie waardoor de grensautoriteiten niet op de hoogte waren van het feit dat zij in de negatieve belangstelling stond.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Bij de beoordeling worden de in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde omstandigheden betrokken.

7. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres toerekenbaar geen paspoort en andere reisbescheiden heeft overgelegd. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiseres wel in het bezit is geweest van een paspoort en reisdocumenten, maar dat zij deze in Nederland heeft vernietigd. Dit terwijl zij toen al de bescherming van de Nederlandse autoriteiten kon inroepen.

9. Als zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 voordoet, mogen volgens vaste rechtspraak en blijkens het gestelde in paragraaf C14/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

10. De rechtbank stelt vast dat het geschil zich onder meer richt op de vraag of uit hetgeen eiseres heeft verklaard over wat haar in China is overkomen blijkt dat de Chinese autoriteiten haar hebben gedwongen om aan hun verzoek tegemoet te komen en dat eiseres door dit te weigeren in de negatieve belangstelling van de Chinese autoriteiten is komen te staan en te vrezen had voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel een reëel risico liep te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met haar asielrelaas niet aannemelijk gemaakt dat zij zich voor of ten tijde van haar vertrek uit China in een dergelijke situatie bevond. De Chinese autoriteiten hadden weliswaar reeds hun aandacht op haar gevestigd door haar te verzoeken naar een andere provincie te gaan, maar het feit dat eiseres daar niet direct op in was gegaan, had er niet toe geleid dat zij in haar bewegingsvrijheid werd belemmerd. Hiertoe acht de rechtbank het redengevend dat eiseres na afloop van de bedenktermijn, die haar door de autoriteiten was gegeven, in staat is geweest het land legaal te verlaten en dat zij voorts de gestelde problemen van haar familieleden, als gevolg van haar vertrek, niet nader heeft onderbouwd of geconcretiseerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder redelijkerwijs niet gehouden was de asielaanvraag van eiseres op deze gronden in te willigen.

11. Ter beoordeling staat thans nog de vraag of verweerder terecht het realiteitsgehalte van de door eiseres aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende vermoedens over wat haar bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat ontoereikend heeft geacht om tot inwilliging van de aanvraag over te gaan. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

12. In algemene landeninformatie wordt bevestigd dat de Chinese autoriteiten ten opzichte van Oeigoerse vrouwen een beleid van verplichte verhuizingen voert. Uit het landgebonden beleid dat verweerder inzake asielzoekers afkomstig uit China voert blijkt dat Oeigoeren die langer dan zes maanden in het buitenland hebben verbleven en Oeigoeren van wie de autoriteiten vermoeden dat zij politiek asiel hebben aangevraagd in het buitenland in de bijzondere belangstelling van de autoriteiten staan.

13. Vast staat dat eiseres als Oeigoerse vrouw in het kader van gedwongen tewerkstelling elders in China door de autoriteiten is benaderd. Tevens staat vast dat zij hieraan geen gehoor heeft gegeven en het land heeft verlaten. Vast staat voorts dat eiseres thans meer dan zes maanden buiten China heeft verbleven. Gelet op dit samenstel van feiten acht de rechtbank het dan ook alleszins aannemelijk dat eiseres bij terugkeer zal worden aangehouden, dat zij ervan verdacht zal worden China te hebben verlaten teneinde aan de gedwongen verhuizing en tewerkstelling te ontkomen en dat vermoed zal worden dat zij in Nederland asiel heeft aangevraagd. Aldus komt eiseres overeenkomstig het landgebonden beleid in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.

In elk geval acht de rechtbank, op grond van de door verweerder niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden, dat eiseres, zodra zij terugkeert in China, zich niet aan de aandacht van de autoriteiten zal kunnen onttrekken en alsdan alsnog gedwongen zal worden tot verhuizing naar een plaats elders in China en tewerkstelling aldaar. Een dergelijke behandeling is aan te merken als vervolging wegens het behoren tot een bepaald ras of bevolkingsgroep en valt als zodanig onder de reikwijdte van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

14. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bestreden onjuist heeft gemotiveerd. Derhalve is het beroep gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

15. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 5 februari 2009;

draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die dit bedrag dient te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Linschoten, rechter, in tegenwoordigheid van drs. S.S. Mazaheri, griffier.

de griffier

de rechter

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009.

?