Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7095

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/45367
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf / sterke sociale en economische binding / vestigingsgevaar / A2/4.3.3.1 Vc 2000 / Schengengrenscode

In geschil is de vraag of eisers een sterke sociale en economische binding hebben met hun land van herkomst, Sri Lanka of dat er sprake is van vestigingsgevaar. De rechtbank overweegt dat verweerder bij de beoordeling van visumaanvragen het uitgangspunt hanteert dat een sociale binding met het land van herkomst samenhangt met een economische binding met het land van herkomst. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat per individuele zaak wordt beoordeeld of al dan niet sprake is van een sterke sociale en economische binding. Terwijl in sommige zaken niet of nauwelijks sprake is van een economische binding, kan de sociale binding zo sterk worden geacht dat geen vestigingsgevaar wordt aangenomen. In zaken waar wel sprake is van een sterke economische binding wordt meestal ook een sociale binding verondersteld. Met betrekking tot vestigingsgevaar worden per land verschillende risicogroepen onderscheiden.

Ten aanzien van eisers is de rechtbank van oordeel dat zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat tijdige terugkeer naar hun land van herkomst is gewaarborgd. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet zonder nadere motivering in te zien waarom eisers onvoldoende sociale binding met Sri Lanka zouden hebben. Ten aanzien van de economische binding is de rechtbank evenzo van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom daar in het geval van eisers geen sprake van zou zijn.

Daarbij acht de rechtbank het onder meer van belang dat aan hun moeder wel een visum is verstrekt, ondanks dat zij volgens verweerder geen economische binding met Sri Lanka heeft. Immers, het stuk grond dat zij in bezit heeft, wordt door verweerder niet beschouwd als bewijs van economische binding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummers: AWB 08/45367 en AWB 08/45368

Datum uitspraak: 8 oktober 2009

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiser 1] (eiser 1),

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

[naam eiser 2] (eiser 2),

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer]

beide van Sri Lankaanse nationaliteit,

eisers,

gemachtigde mr. M.L. van Riel,

tegen

de Minister van Buitenlandse Zaken,

Visadienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 27 mei 2008 hebben eisers een aanvraag tot het verlenen van een visum kort verblijf ingediend.

Bij besluiten van 21 juli 2008 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Tegen deze besluiten hebben eisers op 12 augustus 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 24 september 2008 is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. De tegen deze besluiten ingestelde beroepen zijn bij uitspraak van 30 oktober 2008 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem (AWB 08/36005 en AWB 08/36006) gegrond verklaard. Voornoemde besluiten zijn daarbij vernietigd. Op 27 november 2008 zijn eisers gehoord door een ambtelijke hoorcommissie.

Bij besluiten van 24 december 2008 heeft verweerder de bezwaarschriften ongegrond verklaard.

Hiertegen hebben eisers op 29 december 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 23 april 2009 een verweerschrift met bijlage ingezonden.

Ter zitting van 19 mei 2009 heeft de behandeling van de beroepen van eisers plaatsgevonden.

Na de behandeling heeft de rechtbank aanleiding gezien om het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb te heropenen teneinde de beroepen van eisers te verwijzen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenzittingsplaats.

In het kader van het te hervatten onderzoek heeft de rechtbank bij schrijven van 29 mei 2009 een aantal vragen aan verweerder voorgelegd. Deze vragen zijn beantwoord bij brief van 3 juli 2009.

Eisers hebben op 23 juli 2009 een schriftelijke reactie gegeven op voornoemde brief.

De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 augustus 2009. Eisers zijn verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L. Verheijen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd.

Volgens verweerder is er sprake van onvoldoende sociale en economische binding tussen eisers en hun land van herkomst, Sri Lanka, waardoor sprake is van vestigingsgevaar.

Ten aanzien van het gebrek aan sociale binding stelt verweerder dat eisers jong en ongehuwd zijn en geen kinderen hebben. Ook hebben zij geen gezin waarvoor zij de verantwoordelijkheid dragen. Evenmin is gebleken dat eisers andere familieleden tot hun last hebben of in staat zijn om hen te onderhouden. Verweerder acht het in dit bestek ook van belang dat drie zussen van eisers niet in Vavuniya wonen, de plaats waar eisers vandaan komen, maar in Jaffna. Daarnaast is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eisers ertoe zouden nopen tijdig naar Sri Lanka terug te keren.

Betreffende het gebrek aan economische binding bij eiser 1 meent verweerder dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd inzake zijn werkzaamheden. Terwijl de referent van eisers in de vragenlijst heeft aangegeven dat eiser 1 als zelfstandig metselaar werkzaam is, staat in het bezwaarschrift vermeld dat hij al geruime tijd bij dezelfde werkgever werkt. Tijdens de hoorzitting heeft eiser 1 aangegeven dat hij als metselaar samen met iemand werkte. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser 1 niet aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk over inkomsten uit arbeid te beschikken op grond waarvan een substantiële mate van economische binding met het land van herkomst kan worden aangenomen. Een eenmalige storting op de bankrekening die kort voor de visumaanvraag is geopend, kan volgens verweerder niet worden aangemerkt als voldoende bewijs dat inkomsten uit arbeid worden behaald. Voorts acht verweerder de verantwoordelijkheid die eiser 1 heeft voor een stuk grond onvoldoende voor de conclusie dat sprake zou zijn van een dusdanige economische binding met het land van herkomst waardoor tijdige terugkeer gewaarborgd zou zijn.

Ten aanzien van de economische binding in het geval van eiser 2 acht verweerder het in de eerste plaats van belang dat zijn bedrijf niet officieel geregistreerd staat in Sri Lanka. Volgens verweerder heeft eiser 2 op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij over een bestendig substantieel inkomen verworven uit arbeid beschikt. Uit de door eiser 2 overgelegde stukken kan, zo stelt verweerder, niet geconcludeerd worden dat hij daadwerkelijk inkomsten uit arbeid behaalt. Het overgelegde huurcontract kan volgens verweerder niet worden beschouwd als voldoende bewijs dat eiser om die reden gehouden zal zijn om eventuele financiële verplichtingen ter plaatse in persoon te voldoen. Daarbij acht verweerder het van belang dat noch facturen, noch enige boekhouding of iets dergelijks is overgelegd nu uit deze documenten betalingsverkeer in verband met arbeid aannemelijk kan worden gemaakt.

Tot slot volgt verweerder niet de stelling van eiser 1 en eiser 2 dat ingevolge het beleid niet de voorwaarde mag worden gesteld dat sprake is van een belangrijke economische band. Ingevolge A2/4.3.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) is het aan de visumaanvrager om aannemelijk te maken dat een tijdige terugkeer is gewaarborgd. Het ontbreken van een (sterke) sociale en economische band van de visumaanvrager kan op zichzelf leiden tot de conclusie dat een tijdige terugkeer naar het land van herkomst onvoldoende is gewaarborgd.

3. Hiermee kunnen eisers zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd.

Eisers zijn van mening dat zij wel een sterke sociale en economische binding met Sri Lanka hebben. Ten aanzien van de sociale binding, wijzen eisers erop dat zij hun hele leven in Sri Lanka hebben gewoond en een stabiele gezinsband met de andere gezinsleden hebben. Dat dit geen gezinsband is waarbij eisers zijn gehuwd, mag geen verschil maken nu het gevoel dat eisers bij het gezin waarvan zij deel uitmaken hebben hetzelfde is. Eisers wijzen in dit bestek op de sterke band met hun moeder met wie zij hun hele leven hebben samengeleefd en voor wie zij ook verantwoordelijkheid dragen. Nu verweerder wel een visum aan hun moeder heeft verstrekt en er daarmee kennelijk vanuit gaat dat zij wel terug zal keren naar Sri Lanka, is de sterke sociale binding van eisers met hun moeder een feit en daarmee ook de sterke sociale binding van eisers met Sri Lanka. Daarnaast menen eisers dat verweerder ten onrechte een onderscheid maakt tussen directe familieleden die in de nabijheid wonen en directe familieleden die op verdere afstand wonen, nu de afstand niets zegt over de sociale binding met familieleden. Mocht verweerder dit desondanks toch van belang achten, dan had verweerder ook bij de beoordeling dienen te betrekken dat een broer van eisers met zijn gezin wel op korte afstand van hen woonachtig is.

Ten aanzien van de economische binding heeft eiser 1 een brief overgelegd van zijn werkgever, de heer [naam], waaruit blijkt dat eiser 40.000 rupies per maand verdient. Nu de inhoud en de echtheid van deze brief niet is betwist door verweerder staat vast dat eiser elke maand dit salaris van de heer [naam] ontvangt en staat daarmee ook vast dat eiser 1 inkomsten uit arbeid behaalt. Gelet hierop is het besluit onvoldoende gemotiveerd. Volgens eiser 1 is de brief van zijn werkgever, welke ook door hem ondertekend is, een bevestiging van het arbeidscontract dat eiser 1 met hem heeft. Betreffende de verantwoordelijkheid die eiser 1 draag voor een stuk grond in Sri Lanka dat thans van zijn moeder is, maar dat van hem zal worden, acht eiser het onbegrijpelijk dat verweerder meent dat daaruit niet geconcludeerd kan worden dat eiser 1 in substantiële mate een economische binding met Sri Lanka heeft.

Eiser 2 heeft ter onderbouwing van zijn economische binding een aantal documenten overgelegd: twee brieven van zakenpartners waarin wordt bevestigd dat hij eigenaar is van een bedrijf in maatkleding, een huurcontract, een verlenging van het huurcontract, een kopie van zijn bankpas, een bewijs van storting van 200.000 rupies op zijn rekening en een banksaldo. Uit deze stukken kan volgens eiser 2 worden afgeleid dat hij inkomsten behaalt door opdrachten van zakenpartners. Dat de betalingen contant worden uitgevoerd, waardoor hij geen overschrijfbewijzen bezit, kan hem niet worden aangerekend. In Sri Lanka zijn contante betalingen in deze branche nog zeer gebruikelijk. Dat hij geen gebruik maakt van papieren facturen en geen boekhouding heeft, kan hem niet worden tegengeworpen, aangezien ook dit niet gebruikelijk is.

Tot slot hebben eisers een beroep gedaan op een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam van 15 november 2007 (AWB 07/8470).

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Alvorens te beoordelen of verweerder in redelijkheid de visumaanvragen van eisers kon afwijzen, stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is – en ook de rechtbank gaat hiervan uit – dat eisers belang hebben bij de beoordeling van hun aanvragen, ondanks dat de termijn waarvoor de visa zijn aangevraagd inmiddels is verstreken. Immers, mocht het beroep gegrond worden verklaard en verweerder besluiten dat aan eisers alsnog visa verstrekt moeten worden, dan houdt verweerder rekening met het feit dat de visa verstrekt zullen worden voor een nieuw te bepalen periode.

6. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat het geschil zich toespitst op de beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het geval van eisers sprake is van vestigingsgevaar vanwege het ontbreken van een (sterke) sociale en economische band van eisers met Sri Lanka.

7. Op grond van het Soeverein Besluit van 12 december 1813 is de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd tot het verlenen van visa.

Met ingang van 13 oktober 2006 gelden voor onderdanen van derde landen de toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden, die zijn geformuleerd in artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode (Verordening (EG) Nr. 562/2006 van het Europese Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen).

Deze voorwaarden worden door verweerder gehanteerd als voorwaarden voor de afgifte van een zogenoemd visum kort verblijf. Deze voorwaarden luiden als volgt:

a) in het bezit zijn van één of meer geldige reisdocumenten of documenten die recht geven op grensoverschrijding;

b) indien vereist op grond van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (1), in het bezit zijn van een geldig visum, behalve indien zij houder zijn van een geldige verblijfsvergunning;

c) het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;

d) niet met het oog op weigering van toegang in het SIS gesignaleerd zijn;

e) niet worden beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name niet om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staan in de nationale databanken van de lidstaten.

8. Uit het toepasselijke Europese recht vloeit voort dat het aan de aanvrager is om een tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken. De manier waarop dit aannemelijk kan worden gemaakt, is echter niet in Europese regelgeving geregeld. Bij de beoordeling of aan de voorwaarden, genoemd onder a tot en met e in rechtsoverweging 7, is voldaan, hanteert verweerder het beleid dat is geformuleerd in hoofdstuk A2/4.2 en A2/4.3 van de Vc 2000, in het bijzonder de paragrafen 4.2.3.2 (middelen van bestaan) en 4.3.3.1 (Schengenvisa). Blijkens paragraaf A2/4.3.3.1 van de Vc 2000, onder “Criteria voor visumverlening (kort verblijf)” is een van de basiscriteria bij visumverlening het voorkomen van illegale immigratie (vestigingsgevaar). Hierbij is het aan de visumaanvrager om aannemelijk te maken - zo nodig door middel van het overleggen van documenten - dat de tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd. Bij de beoordeling daarvan kunnen meerdere wegingsfactoren een rol spelen, onder meer “het ontbreken van een (sterke) sociale en economische band van de visumaanvrager met het land van herkomst”.

Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, heeft bij uitspraak van 15 november 2007 (AWB 07/8470, LJN: BB9898) overwogen dat in dit beleid slechts contra-indicaties zijn opgenomen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat niet aannemelijk is dat een tijdige terugkeer is gewaarborgd. Indicaties op grond waarvan de waarborg van een tijdige terugkeer wel aannemelijk kan zijn, ontbreken. De in het beleid opgenomen wegingsfactoren kunnen naar het oordeel van de rechtbank gelden als tegenbewijs om de stelling van de aanvrager dat deze tijdig zal terugkeren naar het land van herkomst te ontkrachten. Zij wegen echter niet allen even zwaar. Zo kan aan de omstandigheid dat de visumaanvrager zich bij een eerder bezoek niet heeft gehouden aan de regels omtrent de duur van het verblijf veel waarde toekomen als tegenbewijs tegen de stelling dat zijn tijdige terugkeer gewaarborgd is. Een geringe sociale of economische band met het land van herkomst vormt op zichzelf geen sterk tegenbewijs.

9. De rechtbank overweegt dat verweerder bij de beoordeling van visumaanvragen het uitgangspunt hanteert dat een sociale binding met het land van herkomst samenhangt met een economische binding met het land van herkomst. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat per individuele zaak wordt beoordeeld of al dan niet sprake is van een sterke sociale en economische binding. Terwijl in sommige zaken niet of nauwelijks sprake is van een economische binding, kan de sociale binding zo sterk worden geacht dat geen vestigingsgevaar wordt aangenomen. In zaken waar wel sprake is van een sterke economische binding wordt meestal ook een sociale binding verondersteld. Met betrekking tot vestigingsgevaar worden per land verschillende risicogroepen onderscheiden.

10. Ten aanzien van eisers is de rechtbank van oordeel dat zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat tijdige terugkeer naar hun land van herkomst is gewaarborgd.

11. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet zonder nadere motivering in te zien waarom eisers onvoldoende sociale binding met Sri Lanka zouden hebben. Immers, eisers zijn respectievelijk 38 en 29 jaar en hebben hun hele leven bij hun moeder in Sri Lanka geleefd. Zij zijn weliswaar ongehuwd en hebben geen kinderen, maar zij hebben wel hun hele leven in gezinsverband samen met hun moeder geleefd. Dat er sprake is van een hechte gezinsband leidt de rechtbank onder meer af uit het feit dat de moeder van eisers geen gebruik heeft gemaakt van het aan haar toegewezen visum omdat zij niet zonder haar zonen wil reizen. Daarnaast heeft verweerder bij de beoordeling weliswaar belang toegekend aan het feit dat de zussen van eisers in Jaffna en niet in Vavuniya wonen, maar verweerder heeft geen waarde gehecht aan het feit dat een broer van eisers met zijn gezin op relatief korte afstand van eisers woont. Bovendien is de relatief verre afstand tussen Jaffna en Vavuniya geen reden geweest om aan de moeder van eisers een visum te weigeren, terwijl het aannemelijk is dat het voor haar, gelet op haar leeftijd, moeilijker zal zijn naar haar dochters te reizen dan voor eisers. In dit bestek acht de rechtbank het ook van belang dat behalve de zus die eisers hier in Nederland willen bezoeken alle directe familieleden, hun moeder, drie zussen en twee broers, in Sri Lanka woonachtig zijn.

12. Ten aanzien van de economische binding is de rechtbank evenzo van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom daar in het geval van eisers geen sprake van zou zijn.

Betreffende eiser 1 heeft verweerder niet gemotiveerd waarom uit het feit dat hij verantwoordelijk is voor een stuk landbouwgrond, dat gebruikt wordt als bananenplantage, niet geconcludeerd kan worden dat hij economische binding heeft met zijn land van herkomst. Voorts heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser 1 zijn werkzaamheden als metselaar niet aannemelijk heeft gemaakt. Weliswaar heeft hij geen kopie van een arbeidscontract of salarisstroken overgelegd, maar eiser 1 heeft wel een brief van zijn werkgever overgelegd waaruit blijkt dat hij een salaris van 40.000 rupies per maand verdient. De echtheid van deze brief heeft verweerder niet betwist.

Met betrekking tot eiser 2 overweegt de rechtbank dat hij een aantal documenten heeft overgelegd, waarvan de echtheid niet wordt betwist: twee brieven van zakenpartners waarin wordt bevestigd dat hij eigenaar is van een bedrijf in maatkleding, een huurcontract, een verlenging van het huurcontract, een kopie van zijn bankpas, een bewijs van storting van 200.000 rupies op zijn rekening en een banksaldo. Gelet hierop is het enkele feit dat eiser 2 geen gebruik maakt van papieren facturen en geen boekhouding heeft, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende om daaruit te concluderen dat eiser 2 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij inkomsten uit arbeid verdient.

Daarbij acht de rechtbank het in het geval van eisers verder nog van belang dat aan hun moeder wel een visum is verstrekt, ondanks dat zij volgens verweerder geen economische binding met Sri Lanka heeft. Immers, het stuk grond dat zij in bezit heeft, wordt door verweerder niet beschouwd als bewijs van economische binding.

13. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond. Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

14. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 966,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, 0.5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de besluiten van 24 december 2008;

draagt verweerder op binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 966,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die dit bedrag dient te betalen aan eisers;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eisers € 145,- te betalen ter vergoeding van het door hen betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.S.M. Bak, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en mr. A.M. Overbeeke, rechters, in tegenwoordigheid van drs. S.S. Mazaheri als griffier.

de griffier

de voorzitter

?

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2009