Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7081

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-12-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
09/920223-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereiding van moord. Door het lezen van het boek ‘Doorgeschoten’ en door het bekijken van filmbeelden van en informatie over een schietpartij op een school in de Verenigde Staten (Columbine Highschool) is verdachte gaan fantaseren over een dergelijke schietpartij op zijn eigen school. Verdachte had een grondige hekel aan een aantal docenten en leerlingen op zijn school. Verdachte is de schietpartij vervolgens gaan plannen. Hij heeft informatie opgevraagd over het verkrijgen van een granaat, maar is vervolgens een vuurwapen gaan regelen. Verdachte had - naar eigen zeggen - een deel van zijn spaargeld gereserveerd om een vuurwapen met bijbehorende munitie aan te schaffen. Dat de schietpartij uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden is niet aan het handelen van verdachte te danken, maar aan het optreden van een vriendin van verdachte, die op de hoogte was van zijn plannen maar deze niet serieus had genomen, totdat verdachte op een gegeven moment sms-berichten stuurde waarin hij aankondigde zelfmoord te gaan plegen en anderen mee te nemen. Zij heeft de politie gewaarschuwd en verdachte is vervolgens aangehouden. Verdachte vormde op dat moment een reële bedreiging voor de samenleving en meer in het bijzonder voor de docenten en leerlingen op zijn school, onder wie twee

vrienden en voornoemde vriendin van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/920223-09

Datum uitspraak: 17 december 2009

(Verkort vonnis)

De rechtbank ’s-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans verblijvende in de Jeugdforensische kliniek Catamaran, [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 27 augustus 2009 en 3 december 2009.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A. Wladimiroff, advocaat te 's-Gravenhage, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. A.M.A. Keulen heeft gevorderd dat aan de verdachte ter zake van het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering en

het voortzetten van de behandeling in de Catamaran gevolgd door een op aanwijzing van de jeugdreclassering te volgen ambulante behandeling.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 22 mei 2009 te

[P1] en/of [P2], en/of

[P3], in elk geval in het arrondissement 's-Gravenhage ter voorbereiding

van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten doodslag met

voorbedachten rade, althans doodslag (artikel 289 en/of 287 Wetboek van

Strafrecht), en/of zware mishandeling, al dan niet met voorbedachten rade (artikel 302 of 303 Wetboek van Strafrecht), althans een te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld,opzettelijk een of meer voorwerpen en/of informatiedragers, te weten onder meer een boek (Doorgeschoten) en/of een of meer computers waarop via Wikipedia en/of Google en/of Youtube, althans een internetsite werden bekeken websites en/of films en/of beelden en/of gegevens, inhoudende (film)beelden van schietpartijen op een school/scholen en/of aanslagen op een school/scholen en/of informatie over schietpartijen op een school/scholen en/of aanslagen op een school/scholen en/of computerbestanden (inhoudende via Wikipedia en/of Google en/of Youtube, althans een internetsite bekeken websites en/of films en/of beelden en/of gegevens, inhoudende (film)beelden van schietpartijen op een school/scholen en/of aanslagen op een school/scholen en/of informatie over schietpartijen op een school/scholen en/of aanslagen op een school/scholen) en/of een (gespaard) geldbedrag, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 22 mei 2009 te

[P1] en/of [P2] en/of

[P3], althans in het arrondissement 's-Gravenhage een of meer personen

(personeel van verdachtes school en/of schoolgenoten, waaronder [X]

en/of [Y] en/of [Z]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, althans met zware mishandeling, althans met enig misdrijf

waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat,

althans met brandstichting,

immers heeft verdachte opzettelijk aangegeven een of meer personeelsleden van

verdachtes school en/of schoolgenoten van het leven te willen beroven en/of

neer te schieten en/of op te blazen en/of dat hij, wanneer hij, verdachte

zichzelf van het leven zou beroven, andere personen zou meenemen, althans er

niet voor te kunnen instaan dat hij, verdachte, andere personen niet zou

meenemen, en/of dat hij in het wilde weg met een vuurwapen zou gaan schieten

en/of dat hij tijdens de leswisseling een granaat zou laten ontploffen althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij – gewijzigde - dagvaarding onder 1 en 2 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 22 mei 2009 te [P1] en [P2], ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten doodslag met voorbedachten rade, opzettelijk voorwerpen en informatiedragers, te weten onder meer een boek (Doorgeschoten) en computers waarop via Wikipedia en Google en Youtube werden bekeken websites en films en beelden en gegevens, inhoudende (film)beelden van schietpartijen op een school en informatie over schietpartijen op een school en een (gespaard) geldbedrag, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

2.

hij in de periode van 1 april 2009 tot en met 22 mei 2009 te [P1] en [P2], personen (personeel van verdachtes school en schoolgenoten, onder wie [X] en [Y] en [Z]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk aangegeven personeelsleden van verdachtes school en schoolgenoten van het leven te willen beroven en/of neer te schieten en/of op te blazen en/of dat hij, wanneer hij, verdachte zichzelf van het leven zou beroven, andere personen zou meenemen, en/of dat hij in het wilde weg met een vuurwapen zou gaan schieten en/of dat hij tijdens de leswisseling een granaat zou laten ontploffen.

Bewijsoverweging.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit het volgende.

De raadsvrouw van verdachte heeft - kort gezegd - betoogd dat verdachte het boek “Doorgeschoten”, de computerbestanden en het geldbedrag niet verworven of voorhanden heeft gehad met het opzet om deze als voorbereidingsmiddel in de zin van artikel 46 Wetboek van Strafrecht te gebruiken tot het begaan van een misdrijf.

De raadsvrouw heeft dan ook vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit bepleit.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte zich door het lezen van het boek “Doorgeschoten”, het bekijken van websites en filmbeelden van schietpartijen op een school via Wikipedia, Google en Youtube en het gebruiken van een gespaard geldbedrag schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen tot het plegen van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, in de zin van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht.

Op grond van de literatuur en de jurisprudentie moet worden bezien of deze voorwerpen c.q. informatiedragers, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat verdachte met het gebruik van de voorwerpen en informatiedragers voor ogen had. De intentie, de bedoeling van verdachte, speelt hierbij een uitdrukkelijke rol en dat geldt ook ten aanzien van de indruk die het handelen van verdachte maakt.

Ten aanzien van het boek overweegt de rechtbank, anders dan de raadsvrouw en in navolging van de officier van justitie, dat verdachte dit boek niet slechts uit nieuwsgierigheid heeft ge- en herlezen, maar dat dit boek de inspiratiebron is geweest voor het beramen van het plan om zichzelf en docenten en medeleerlingen van zijn school van het leven te beroven, terwijl het boek ook dienst deed als naslagwerk. Het boek heeft op deze wijze een zodanig wezenlijke bijdrage geleverd aan de intentie van verdachte dat bewezen kan worden verklaard dat het boek “Doorgeschoten” een voorwerp is waarmee verdachte zijn plan om zichzelf en docenten en medeleerlingen van zijn school van het leven te beroven, heeft voorbereid.

Ten aanzien van het bestanddeel ‘computers’ is de rechtbank, met de officier van justitie van oordeel, dat, gezien het huidige internettijdperk, het bekijken van websites en films en beelden en gegevens, inhoudende (film)beelden van schietpartijen op een school en informatie over schietpartijen op een school via Wikipedia, Google en Youtube, moet worden opgevat als het voorhanden hebben van deze informatie. Het downloaden van deze internetbestanden heeft geen toegevoegde waarde, aangezien in het huidige internettijdperk elk willekeurig bestand steeds snel en simpel op het beeldscherm te verkrijgen is. Verdachte heeft diverse malen op internet voornoemde beelden en informatie opgezocht en bekeken. Naar het oordeel van de rechtbank moet de computer dan ook als informatiedrager, oftewel gegevensdrager, worden aangemerkt en kan bewezen worden verklaard dat verdachte met deze informatiedrager zijn plan om zichzelf en docenten en medeleerlingen van zijn school van het leven te beroven, heeft voorbereid.

Ten aanzien van het bestanddeel ‘computerbestanden’ dient vrijspraak te volgen, nu verdachte de filmbeelden en de informatie over schietpartijen op een school niet heeft gedownload en niet als zodanig op zijn computer heeft opgeslagen.

Ten aanzien van het bestanddeel ‘een (gespaard) geldbedrag’ overweegt de rechtbank allereerst dat dit bedrag op zichzelf niet bestemd is tot het begaan van een misdrijf, maar dat uit de verklaring van verdachte, bij de politie en ter terechtzitting, blijkt dat verdachte een deel van zijn spaargeld specifiek heeft gereserveerd om een vuurwapen mee te kopen om zijn plan te kunnen realiseren. De intentie van verdachte was derhalve duidelijk. Verdachte heeft overigens ook daadwerkelijk een bedrag van € 125,- uitgegeven om een vuurwapen met bijbehorende munitie te kopen. Het aanschaffen van een vuurwapen gaat, naar het oordeel van de rechtbank, een stap verder dan het lezen van voornoemd boek en het bekijken van beelden en informatie via internet. Er was sprake van een vaste wilsgerichtheid van verdachte om zijn plan ten uitvoer te brengen. Het (gespaarde) geldbedrag kan, naar het oordeel van de rechtbank, indirect dan ook worden gezien als een voorwerp bestemd tot het begaan van het misdrijf, zoals verdachte dit had gepland. Het feit dat verdachte uiteindelijk het wapen niet geleverd heeft gekregen en feitelijk door de verkoper is opgelicht, doet aan het vorenstaande geenszins af.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er sprake is geweest van voorbedachte raad.

Voorbedachte raad wijst op een moment van kalm beraad en rustig overleg. Verdachte heeft gedurende een aantal maanden herhaaldelijk voornoemd boek gelezen en beelden en informatie via internet geraadpleegd en voorts aan zijn vrienden verteld wat hij van plan was. Hij heeft hierbij diverse malen de namen van docenten en leerlingen die hij wilde doden genoemd. Verdachte heeft derhalve voldoende momenten van kalm beraad en rustig overleg gehad. Moord is doodslag met voorbedachte raad begaan.

Het onder 1 bewezenverklaarde feit moet, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook worden gekwalificeerd als voorbereiding van moord.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde het volgende.

Voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

Verdachte heeft diverse malen met zijn vrienden besproken, via MSN dan wel in persoonlijk contact, dat hij van plan was zichzelf en enkele docenten en leerlingen van zijn school van het leven te beroven. Hoewel de vrienden van verdachte in eerste instantie dachten dat verdachte het niet serieus bedoelde, veranderde dit toen verdachte daadwerkelijk een pistool en munitie aan het regelen was en zei dat hij op maandag of dinsdag zichzelf en anderen in de aula van de school zou gaan neerschieten. De bedreiging werd hierdoor, ook naar hen toe, reëel.

De ontvangst van sms-berichten waarin verdachte aankondigde zelfmoord te gaan plegen en anderen mee te nemen, maakte voorts dat [X], een vriendin van verdachte, ervan uitging dat verdachte een bedreiging vormde voor zichzelf, voor haar en voor anderen.

Zij is hierdoor zo bang geworden dat zij uiteindelijk via de vader van een vriendin de politie heeft ingelicht.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat er bij de vrienden van verdachte, [Y] en [Z], alsook bij [X] en de docenten en schoolgenoten van verdachte, direct dan wel indirect, redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen.

Het onder 2 ten laste gelegde feit kan dan ook bewezen worden verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereiding van moord.

Door het lezen van het boek ‘Doorgeschoten’ en door het bekijken van filmbeelden van en informatie over een schietpartij op een school in de Verenigde Staten (Columbine Highschool) is verdachte gaan fantaseren over een dergelijke schietpartij op zijn eigen school. Verdachte had een grondige hekel aan een aantal docenten en leerlingen op zijn school. Verdachte is de schietpartij vervolgens gaan plannen. Hij heeft informatie opgevraagd over het verkrijgen van een granaat, maar is vervolgens een vuurwapen gaan regelen. Verdachte had - naar eigen zeggen - een deel van zijn spaargeld gereserveerd om een vuurwapen met bijbehorende munitie aan te schaffen.

Dat de schietpartij uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden is niet aan het handelen van verdachte te danken, maar aan het optreden van een vriendin van verdachte, die op de hoogte was van zijn plannen maar deze niet serieus had genomen, totdat verdachte op een gegeven moment sms-berichten stuurde waarin hij aankondigde zelfmoord te gaan plegen en anderen mee te nemen. Zij heeft de politie gewaarschuwd en verdachte is vervolgens aangehouden. Verdachte vormde op dat moment een reële bedreiging voor de samenleving en meer in het bijzonder voor de docenten en leerlingen op zijn school, onder wie twee vrienden en voornoemde vriendin van verdachte.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij nog niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het pro justitia rapport d.d. 31 juli 2009, betreffende het psychologisch onderzoek van verdachte, opgesteld en ondertekend door drs. M.H. Keppel, GZ- en Kinder- en Jeugdpsycholoog, alsook op het pro justitia rapport d.d. 3 augustus 2009, betreffende het psychiatrisch onderzoek van verdachte, opgesteld en ondertekend door

A.J. Stierum, Kinder- en jeugdpsychiater.

Blijkens voornoemde rapporten is er bij verdachte sprake van een autisme spectrum stoornis (pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven). Deze stoornis kenmerkt zich door onder andere tekortkomingen in contact, beperkingen in sociale interactie, obsessies en rigide denkpatronen en moeite met veranderingen en affect- en agressieregulatieproblemen. Deze ziekelijke stoornis heeft een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens tot gevolg, welke ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig was.

Op grond hiervan is betrokkene minder in staat zijn wil te bepalen en de consequenties van zijn handelen te beseffen dan wel te overzien. Betrokkene kan sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht.

Door het niet begrijpen van sociale situaties, het letterlijk nemen van taal en het verkeerd opvatten van humor raakt betrokkene snel geïrriteerd door anderen en voelt hij zich gepest. Hij ontwikkelt daardoor depressieve en agressieve gevoelens en heeft de neiging om zich terug te trekken en af te sluiten. De daarbij komende preoccupaties, rigiditeit, angst voor veranderingen, verminderd inzicht in eigen en andermans emoties, egocentrische geweten, het slecht kunnen reguleren van obsessieve gedachtes en fascinatie voor wapens, kunnen van invloed zijn op de kans op recidive. De kans op recidive wordt - aldus aangeven - zonder adequate behandeling, als groot ingeschat.

Gezien de ernst van het delict (indien bewezen), de ernst van de psychopathologie, de grote kans op recidive, de onmacht van betrokkene om zijn emoties en agressie te hanteren, het gevaar van zijn obsessieve gedachten en fantasieën en het moeilijk kunnen aflezen wat er in betrokkene omgaat, is een (gedwongen) klinische forensische kinder- en jeugdpsychiatrische behandeling in het kader van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen geadviseerd. Daarbij is aangegeven dat De Fjord in Capelle aan den IJssel en de Catamaran in Eindhoven de aangewezen instellingen zijn.

De rechtbank neemt de conclusies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid en de kans op recidive uit voornoemde rapporten over.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op diverse (voorlichtings)rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming, op het briefrapport d.d. 25 november 2009 van de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering alsook op het rapport d.d. 25 november 2009, opgesteld door mevrouw H.A. Pronk-Verweij, werkzaam als psychiater bij de Catamaran.

Tijdens de terechtzitting van 3 december 2009 zijn drs. M.H. Keppel, voornoemd, en de heer A.J. Stierum, voornoemd, als getuige-deskundige gehoord.

Zij hebben, ieder voor zich, een toelichting gegeven over de wijze waarop het advies tot stand is gekomen en hoe het conceptadvies, na toetsing binnen het NFI, uiteindelijk is aangepast en er een (gedwongen) klinische forensische kinder- en jeugdpsychiatrische behandeling in het kader van een onvoorwaardelijke maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is geadviseerd.

Tevens is ter terechtzitting van 3 december 2009 mevrouw H.A. Pronk-Verweij, voornoemd, gehoord als getuige-deskundige.

Zij heeft, als behandelaar van verdachte, aangegeven dat de behandeling van verdachte op de Catamaran op zich goed verloopt, maar dat verdachte ongelukkig is, depressieve gevoelens heeft en het liefst thuis wil wonen. Zij heeft dan ook nadrukkelijke een intensieve behandeling van verdachte bepleit, vanuit een plek waar hij zich ‘happy’ voelt. Dit zou de meest gunstige ontwikkeling zijn voor verdachte.

Hierbij is aangegeven dat het belangrijk is dat verdachte behandeld wordt voor zijn depressie en dat hij in wekelijkse gesprekken met een persoon in wie hij vertrouwen heeft, gedwongen wordt om openheid te geven over zijn gedachten.

De rechtbank heeft de behandeling ter terechtzitting van 3 december 2009 onderbroken en tijdens deze onderbreking heeft er overleg plaatsgevonden tussen de officier van justitie, mevrouw Pronk, de Raad voor de Kinderbescherming, de jeugdreclassering en de raadsvrouw van verdachte.

Naar aanleiding van dit overleg is er, nu het niet in het belang van verdachte is dat hij van de ene op de andere dag naar huis zal gaan zonder dat de benodigde vervolgbehandeling door de jeugdreclassering is geregeld, als aangepast advies aangedragen dat verdachte nog gedurende enkele maanden in de Catamaran zal verblijven om daar zijn behandeling te continueren, maar dat hij in deze periode onbegeleide vrijheden zal hebben, waarbij hij in de weekenden naar huis zal kunnen gaan, en dat de jeugdreclassering voorts in deze periode de intensieve ambulante vervolgbehandeling van verdachte, die hij na terugkeer thuis nodig zal hebben, kan regelen. Dit alles in het kader van het voorwaardelijk opleggen van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, zodat er sprake is van enig dwingend kader.

De rechtbank kan zich vinden in dit voorstel, dat terug te vinden is in de eis van de officier van justitie.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, gelet op de ernst van de gepleegde delicten en het grote gevaar voor recidive, de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte, maar zal deze maatregel voorwaardelijk opleggen, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering, ook als dit inhoud het voortzetten van de behandeling in de Catamaran gevolgd door een op aanwijzing van de jeugdreclassering te volgen ambulante behandeling.

Nu, naar het oordeel van de rechtbank, de ernst van het bewezenverklaarde en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking komen in de door de officier van justitie gevorderde straf, zal de rechtbank verdachte tevens een onvoorwaardelijke jeugddetentiestraf, gelijk aan het voorarrest van verdachte, opleggen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

46, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1:

VOORBEREIDING VAN MOORD

2:

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT, MEERMALEN GEPLEEGD

verklaart het bewezene en de verdachte te dier zake strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 83 dagen

bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;

legt de verdachte op de maatregel van:

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

bepaalt dat deze maatregel, niet ten uitvoer zal worden gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dit inhoudt het voortzetten van de behandeling in de Catamaran, gevolgd door een op aanwijzing van de jeugdreclassering te volgen ambulante behandeling;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.J. de Haan, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.C. U-A-Sai, kinderrechter,

en mr. M.M. Meijers, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 december 2009.