Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK6917

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
12-02-2010
Zaaknummer
HA ZA 326652 08-4210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze procedure vordert het Commissariaat voor de Media in conventie veroordeling van een commerciële omroepinstelling tot betaling van toezichtkosten die door hem bij besluiten zijn vastgesteld. Hiertegen wordt verweer gevoerd en in reconventie wordt onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat de vaststelling, hoogte en heffing van de toezichtkosten in strijd zijn met de wet. De besluiten waarin de toezichtkosten zijn vastgesteld, hebben formele rechtskracht. Voor zover aan de orde wordt gesteld of de Regeling toezichtkosten commerciële omroep op zichzelf bezien onrechtmatig is, moet een uitzondering worden gemaakt op de regel dat een besluit met formele rechtskracht zowel wat de wijze van totstandkoming als wat de inhoud betreft voor rechtmatig moeten worden gehouden. Er is in dit geval geen sprake van een zodanige schending van algemene rechtsbeginselen dat de burgerlijke rechter kan ingrijpen en de hiervoor genoemde Regeling (een algemeen verbindend voorschrift) buiten toepassing kan verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 326652 / HA ZA 08-4210

Vonnis van 28 oktober 2009

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

COMMISSARIAAT VOOR DE MEDIA,

zetelende te Hilversum,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E. Grabrandt, te 's-Gravenhage,

tegen

de stichting

STICHTING COMMERCIËLE OMROEP EXPLOITATIE ZUID-HOLLAND,

gevestigd te Zevenhuizen en kantoorhoudende te Zoetermeer,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. ing. J.A.M. van Oers, te Amsterdam.

Partijen zullen hierna het Commissariaat en SCOEZH genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 december 2008;

- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie;

- het tussenvonnis van 8 april 2009, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- de brief van 15 mei 2009 van de advocaat van het Commissariaat;

- de brief van 18 augustus 2009 van de advocaat van het Commissariaat, met als bijlage de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermeerdering eis;

- het proces-verbaal van comparitie van 1 september 2009, waarin onder meer melding is gemaakt van de zojuist genoemde conclusie van antwoord in reconventie en akte vermeerdering eis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Enkele relevante regels

2.1. Artikel 71u van de tot 1 januari 2009 geldende Mediawet (hierna: MW oud) luidt:

1. Een commerciële omroepinstelling is aan het Commissariaat voor de Media jaarlijks een bedrag verschuldigd ter vergoeding van de kosten die verbonden zijn aan het toezicht.

2. De hoogte van de verschuldigde bedragen wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister [de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, toevoeging rechtbank], die hierbij een onderscheid maakt tussen radio- en televisieprogramma's en voorts in ieder geval rekening houdt met de gemiddelde duur van de uitzendingen en met het aantal huishoudens in Nederland, dat het programma kan ontvangen.

(...)

2.2. De in lid 2 van artikel 71u MW oud genoemde regeling is de Regeling toezichtkosten commerciële omroep (hierna: de Regeling). De Regeling gold eveneens tot 1 januari 2009. Artikel 1 van de Regeling luidt als volgt:

1. Voor de vergoeding die een commerciële omroepinstelling, die toestemming heeft verkregen voor het uitzenden of doen uitzenden van een door haar verzorgd televisieprogramma voor algemene omroep, jaarlijks aan het Commissariaat voor de Media is verschuldigd voor de kosten die verbonden zijn aan het toezicht, gelden de in onderstaande tabel genoemde bedragen in euro:

Tabel 1

tabel 1

Aantal huishoudens in Nederland dat het programma kan ontvangen

Gemiddelde duur van de uitzendingen per dag in het desbetreffende kalenderjaar

<25.00025.000-50.00050.000-100.000100.000-500.000500.000-1.000.0001.000.000-3.000.0003.000.000>< 3 uren13627254416322448326440803 - < 6 uren272544108832644896652881606 - < 9 uren408816163248967344979212.2409 - < 12 uren544108821766528979213.05616.32012 > uren68013602720816012.24016.32020.400

2. De vergoeding die een commerciële omroepinstelling, die toestemming heeft verkregen voor het uitzenden of doen uitzenden van een door haar verzorgd radioprogramma voor algemene omroep, jaarlijks aan het Commissariaat voor de Media is verschuldigd voor de kosten die verbonden zijn aan het toezicht, bedraagt 50% (vijftig procent) van de bedragen, vermeld in de tabel van het eerste lid, met dien verstande dat de vergoeding niet lager wordt vastgesteld dan op een bedrag van € 113,-.

(...)

3. De feiten

3.1. Bij besluit van 2 oktober 2001 heeft het Commissariaat aan SCOEZH toestemming verleend om met ingang van 30 juli 2001 voor een periode van vijf jaar als commerciële omroepinstelling een radioprogramma genaamd "Fresh 102 FM" te verzorgen.

3.2. Bij besluit van 1 augustus 2006 heeft het Commissariaat aan SCOEZH met ingang van 30 juli 2006 voor een periode van vijf jaar toestemming verleend om als commerciële omroepinstelling een door haar verzorgd radioprogramma voor algemene omroep met de naam "Fresh 102 FM" uit te zenden of te doen uitzenden.

3.3. Bij besluit van 23 juni 2006 heeft het Commissariaat het volgens hem door SCOEZH verschuldigde bedrag ter vergoeding van de toezichtkosten voor het jaar 2005 vastgesteld op € 6.120,-. SCOEZH heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De beslissing van 10 oktober 2006 van het Commissariaat op het bezwaar luidt, voor zover hier van belang:

'(...) 3. Inhoudelijke beoordeling van het bezwaar

Het bezwaar van de Stichting [SCOEZH, toevoeging rechtbank] richt zich tegen:

A. het vaststellen door het Commissariaat van de vergoeding toezichtskosten omdat:

1. naar haar mening door het Commissariaat niet of nauwelijks toezicht wordt uitgevoerd op commerciële radiozenders (redelijkheid kosten);

2. nergens uit blijkt dat de door het Commissariaat gemaakte kosten voor het toezicht ook daadwerkelijk toenemen indien het verzorgingsgebied van een commerciële radiozender groter wordt (redelijkheid tariefstructuur);

3. naar haar mening de Regeling toezichtskosten commerciële omroep in strijd is met artikel 24:1 van de Mededingingswet;

4. naar haar mening de Richtlijn 2002/20/EG d.d. 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn) van toepassing is op een door het Commissariaat verleende toestemming op grond van artikel 71a van de Mediawet. Het bestreden besluit zou daarmee in strijd zijn met bepalingen in deze Richtlijn;

5. naar haar mening sprake is van een selectieve lastenverlichting voor de publieke omroep, aangezien de vergoeding toezichtkosten uitsluitend wordt geheven voor commerciële omroep. Het bestreden besluit zou daarmee in strijd zijn met artikel 87, eerste lid, EG-verdrag (verboden staatssteun);

B. de hoogte van de vastgestelde vergoeding toezichtkosten omdat:

1. naar haar mening door het Commissariaat de verzorgingsgegevens (het demografische bereik van de etherfrequenties) van het Ministerie van Economische Zaken zijn gebruikt en deze verzorging naar de mening van de Stichting aantoonbaar achterblijft bij deze gegevens (verzorgingsproblematiek).

(...)

Ad A. Bezwaar tegen het vaststellen van de vergoeding

(...) Het Commissariaat heeft met zijn besluiten de Regeling toezichtkosten toegepast. De onder A. 1, A. 2 en A. 3 bedoelde gronden van bezwaar hebben echter betrekking op de inhoud van de Regeling toezichtkosten. De Regeling is echter geen besluit van het Commissariaat maar een ministeriële regeling van algemene strekking waartegen overigens geen bezwaar bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen open staat.

Het Commissariaat is derhalve van oordeel dat de Stichting voor dit gedeelte van haar bezwaar niet ontvankelijk is.

(...)

Besluit

I. Het Commissariaat besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het hierboven onder A. 1, A. 2 en A. 3 bedoelde gedeelte van het bezwaar van de Stichting Commerciële Omroep Exploitatie Zuid-Holland.

II. Het Commissariaat besluit voor het overige tot ongegrondverklaring van het bezwaar van de Stichting Commerciële Omroep Exploitatie Zuid-Holland.

(...)'

3.4. Bij besluiten van 12 april 2007, 11 januari 2008 en 16 januari 2009 heeft het Commissariaat de volgens hem door SCOEZH verschuldigde bedragen ter vergoeding van de toezichtkosten voor de jaren 2006, 2007 respectievelijk 2008 telkens vastgesteld op € 6.120,-. Tegen deze besluiten heeft SCOEZH geen rechtsmiddelen aangewend.

3.5. Het Commissariaat heeft op 12 april 2007, 11 januari 2008 en 16 januari 2009 aan SCOEZH facturen gezonden voor de toezichtkosten radio 2006, 2007 respectievelijk 2008. Deze facturen zijn door SCOEZH - ook na aanmaning daartoe - niet betaald.

4. Het geschil

in conventie

4.1. Het Commissariaat vordert na eiswijzing de veroordeling van SCOEZH tot betaling van € 20.752,83, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 18.360,- vanaf 29 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van SCOEZH in de kosten van deze procedure.

4.2. Het Commissariaat voert daartoe - verkort weergegeven - het volgende aan. Nu SCOEZH geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten waarin de toezichtkosten zijn vastgesteld, hebben deze besluiten formele rechtskracht. De daarop gebaseerde facturen zijn opeisbaar en rechtens afdwingbaar. In deze procedure kan niet worden getoetst of de Regeling verbindend is.

4.3. SCOEZH voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

4.4. SCOEZH vordert, samengevat:

a. te verklaren voor recht dat de vaststelling, hoogte en heffing van de toezichtkosten 2006 en 2007 in strijd is met de wet (artikel 71 u lid 1 MW oud en artikel 24 lid 1 Mededingingswet); en

b. te gelasten dat het Commissariaat maatregelen treft om verder misbruik van zijn economische machtspositie, al dan niet in afwachting van aanwijzingen van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: NMa) dan wel de minister [van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, naar de rechtbank begrijpt], te voorkomen en gelijke dan wel evenredige tarieven voor toezichtkosten ontwikkelt voor commerciële omroep (radio) en deze aanbiedt aan SCOEZH;

met veroordeling van het Commissariaat in de kosten van deze procedure.

4.5. SCOEZH voert daartoe - verkort weergegeven - het volgende aan. SCOEZH stelt niet (geheel) gehouden te zijn de facturen die zien op de toezichtkosten te betalen, omdat de vaststelling, de hoogte en de heffing van toezichtkosten in strijd zijn met artikel 71 u lid 1 MW oud. Het is niet redelijk om toezichtkosten te heffen, nu het Commissariaat nauwelijks toezicht uitoefent. Daarnaast is de tariefstructuur onredelijk, aangezien het Commissariaat niet aannemelijk kan maken dat de toezichtkosten toenemen indien het verzorgingsgebied groter wordt. Voorts zijn de opgelegde toezichtkosten in strijd met artikel 24 lid 1 Mededingingswet, omdat landelijke commerciële omroepen relatief minder betalen en publieke omroepen helemaal geen toezichtkosten behoeven te betalen. Om deze redenen is de Regeling in zoverre onverbindend. Tot slot stelt SCOEZH dat de rechtbank ambtshalve dient te toetsen of de Regeling in strijd is met Europees recht.

4.6. Het Commissariaat voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in conventie en in reconventie

5.1. Alhoewel SCOEZH na de eiswijziging in conventie haar eigen eis in reconventie niet heeft gewijzigd, zal de rechtbank bij de beoordeling van de reconventionele vordering ervan uitgaan dat deze ook ziet op het jaar 2008.

Formele rechtskracht

5.2. Het Commissariaat stelt dat de besluiten waarin de door SCOEZH te betalen toezichtkosten over 2006, 2007 en 2008 zijn vastgesteld formele rechtskracht hebben en dat de op die besluiten gebaseerde facturen door SCOEZH dienen te worden betaald.

5.3. De rechtbank stelt voorop dat moet worden uitgegaan van de geldigheid van een besluit van een bestuursorgaan indien daartegen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan en deze rechtsgang hetzij niet is gebruikt, hetzij niet tot vernietiging van het besluit heeft geleid (het beginsel van formele rechtskracht); aldus onder meer HR 2 juni 1995, NJ 1997, 164. Als regel geldt dat een besluit met formele rechtskracht zowel wat zijn wijze van totstandkoming als wat zijn inhoud betreft, voor rechtmatig moet worden gehouden. Deze regel kan slechts in zeer klemmende gevallen uitzondering lijden. Bij het aanvaarden van zulke uitzonderingen moet terughoudendheid worden betracht, gezien de zwaarwegende belangen die door het genoemde beginsel worden gediend.

5.4. Tegen de besluiten waarin de door SCOEZH te betalen toezichtkosten over 2006, 2007 en 2008 zijn vastgesteld stond een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open. SCOEZH heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om tegen deze besluiten bezwaar te maken; de termijn waarbinnen dit kon worden ingediend is overigens inmiddels verlopen. De genoemde besluiten hebben dus formele rechtskracht. Aan de orde is de vraag of er sprake is van een uitzondering op de regel dat een besluit met formele rechtskracht zowel wat zijn wijze van totstandkoming als wat zijn inhoud betreft, voor rechtmatig moet worden gehouden.

5.5. Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat SCOEZH bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit waarin de toezichtkosten over 2005 zijn vastgesteld. Het Commissariaat heeft het bezwaar deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

5.6. De bezwaren die het Commissariaat ongegrond heeft verklaard, zijn in de beslissing op bezwaar aangeduid als A. 4, A. 5 en B. 1 (zie randnummer 3.3 van dit vonnis). Deze bezwaren richtten zich tegen het vaststellen door het Commissariaat van de vergoeding van de toezichtkosten over 2005 wegens strijd met de Richtlijn 2002/20/EG van 7 maart 2002 en artikel 87 lid 1 EG-verdrag en tegen de hoogte van de vastgestelde vergoeding toezichtkosten over 2005, omdat het bereik achterblijft bij de door het Commissariaat gebruikte gegevens. Indien SCOEZH zich niet kon verenigen met deze beslissing van het Commissariaat, had zij hiertegen beroep kunnen instellen. Ook had SCOEZH in dat geval tegen de besluiten tot vaststelling van de toezichtkosten over 2006, 2007 en 2008 bezwaar kunnen maken, eventueel gevolgd door het instellen van (hoger) beroep, en deze aspecten opnieuw aan de orde kunnen stellen. SCOEZH heeft dit nagelaten. Tegen de achtergrond van dit een en ander is er geen sprake van een bijzondere omstandigheid die ruimte biedt voor het maken van een uitzondering op de regel dat deze besluiten in zoverre naar inhoud en wijze van totstandkoming voor rechtmatig moeten worden gehouden.

5.7. Het Commissariaat heeft de bezwaren A. 1, A. 2 en A. 3 tegen de beslissing tot vaststelling van de door SCOEZH te betalen toezichtkosten voor 2005 (zie randnummer 3.3 van dit vonnis) niet-ontvankelijk verklaard. Deze bezwaren richtten zich tegen het vaststellen door het Commissariaat van de vergoeding toezichtkosten, omdat de kosten niet redelijk zouden zijn, de tariefstructuur niet redelijk zou zijn en de Regeling in strijd zou zijn met artikel 24 lid 1 van de Mededingingswet.

Voor zover het Commissariaat SCOEZH terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, kan het Commissariaat in deze civiele procedure niet met succes aan SCOEZH tegenwerpen dat zij niet de bestuursrechtelijke rechtsgang (bezwaar en eventueel beroep) heeft gevolgd ten aanzien van de besluiten tot vaststelling van de door SCOEZH te betalen toezichtkosten over 2006, 2007 en 2008. In de eigen visie van het Commissariaat zou dit immers een onbegaanbare weg zijn.

5.8. Dit geldt voor de bezwaren door het Commissariaat aangeduid als A. 1 en A. 2 (onredelijkheid van de kosten en de tariefstructuur). Met deze bezwaren heeft SCOEZH immers aan de orde gesteld of de Regeling op zichzelf bezien onrechtmatig is. Gelet op artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang beoordeeld met artikel 8:2 Awb, kon SCOEZH geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aanwenden tegen (artikel 1 van) de Regeling. De Regeling is immers een algemeen verbindend voorschrift, waartegen geen beroep en daarmee ook geen bezwaar kan worden ingesteld.

Weliswaar kan de bestuursrechter een algemeen verbindend voorschrift onverbindend verklaren in het kader van een procedure tegen een besluit ter uitvoering van dat algemeen verbindende voorschrift, maar dit betekent niet dat het Commissariaat in deze civiele procedure met succes aan SCOEZH kan tegenwerpen dat zij niet deze bestuursrechtelijke rechtsgang heeft gevolgd. Een algemeen verbindend voorschrift kan immers eveneens met een actie uit onrechtmatige daad aan de burgerlijke rechter ter toetsing worden voorgelegd, ook al kan de rechtmatigheid indirect worden betwist bij de bestuursrechter. Voor de burgerlijke rechter is echter geen taak weggelegd als de hoogste bestuursrechter in het kader van exceptieve toetsing al heeft geoordeeld over de verbindendheid van het algemeen verbindende voorschrift; aldus HR 17 december 2004, NJ 2005, 152. Nu SCOEZH de bestuursrechtelijke rechtsgang niet (volledig) heeft benut, is daarvan in deze procedure geen sprake.

Gelet op het voorgaande zou er in zoverre dus ruimte kunnen zijn voor het maken van een uitzondering op de regel dat de besluiten met formele rechtskracht die zien op de door SCOEZH te betalen toezichtkosten over 2006, 2007 en 2008 zowel wat de wijze van totstandkoming als wat de inhoud betreft voor rechtmatig moeten worden gehouden.

5.9. Dit is anders ten aanzien van de niet-ontvankelijkverklaring van SCOEZH in haar bezwaar dat de Regeling in strijd is met artikel 24 lid 1 van de Mededingingswet. De vraag of regelgeving in strijd is met een hogere regeling kan in de bestuursrechtelijke procedure aan de orde komen. Dat SCOEZH geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de niet-ontvankelijkverklaring van dit bezwaar, betekent dus niet dat SCOEZH nu met succes kan stellen dat zij in zoverre geen bezwaar en eventueel (hoger) beroep heeft kunnen instellen tegen de besluiten tot vaststelling van de toezichtkosten voor 2006, 2007 en 2008. Ten aanzien van dit bezwaar geldt de formele rechtskracht dus onverkort. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan dit anders zou zijn.

5.10. Kortom, de besluiten tot vaststelling van de toezichtkosten voor 2006, 2007 en 2008 hebben formele rechtskracht. De regel dat deze besluiten zowel wat de wijze van totstandkoming als wat de inhoud betreft voor rechtmatig moet worden gehouden lijdt uitzondering voor zover SCOEZH stelt dat de Regeling onverbindend moet worden verklaard, omdat:

- de toezichtkosten onredelijk zijn, gelet op het door het Commissariaat gehouden toezicht; en

- de tariefstructuur onredelijk is, nu niet aannemelijk is dat de toezichtkosten toenemen indien het verzorgingsgebied groter wordt.

Regeling onverbindend?

5.11. SCOEZH stelt niet dat de besluiten van het Commissariaat in strijd zijn met artikel 71u MW oud of met artikel 1 van de Regeling. SCOEZH erkent dat deze artikelen juist zijn toegepast, maar stelt dat artikel 1 van de Regeling als zodanig onverbindend is.

5.12. Met haar vordering wil SCOEZH een algemeen verbindend voorschrift buiten werking doen stellen. Het ligt op de weg van SCOEZH om de argumenten en omstandigheden aan te voeren die een dergelijk oordeel kunnen dragen. De burgerlijke rechter kan een algemeen verbindend voorschrift slechts buiten toepassing verklaren indien en voor zover het onverbindend is. Hiervan kan sprake zijn bijvoorbeeld bij strijd met hogere regelgeving of algemene rechtsbeginselen. Hierbij dient de rechter terughoudend te werk te gaan, gelet op de scheiding der machten. Algemeen verbindende voorschriften worden vastgesteld door de wetgever (in dit geval: de minister als lagere regelgever, ter uitvoering van een bevoegdheid die hem is verleend bij een wet in formele zin). Het is bij uitstek de taak van de wetgever om alle in het geding zijnde argumenten en belangen tegen elkaar af te wegen. Er is geen plaats voor een eigen, "volle" afweging door de burgerlijke rechter.

5.13. Het Commissariaat heeft in de processtukken en ter comparitie van 1 september 2009 gesteld dat zijn toezichthoudende taken onder meer omvatten het toezien op de naleving van programmavoorschriften en van reclame- en sponsorregels van zowel publieke als commerciële omroepen, het controleren of omroepen bij de aanvraag en na verlening van de vergunning aan de vergunningvoorwaarden voldoen, toezien op de naleving van de Wet op de vaste boekenprijs, advisering van de Nederlandse Mededingingsautoriteit bij de beoordeling van voorgenomen fusies en overnamen op de Nederlandse mediamarkt, het jaarlijks maken van risicoanalyses, het reageren op klachten die alle vergunninghouders kunnen betreffen en het uitvoeren van steekproefsgewijze controles. SCOEZH heeft niet gesteld dat het genoemde toezicht niet door het Commissariaat wordt uitgeoefend, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat het Commissariaat toezichthoudende taken verricht waarvoor dit college toezichtkosten in rekening kan brengen. De enkele stelling dat SCOEZH niet zelf ondervindt dat toezicht wordt uitgeoefend - wat hier ook van zij - betekent uiteraard niet dat het Commissariaat geen toezicht uitoefent. Het Commissariaat is niet gehouden om jaarlijks alle vergunninghouders te benaderen voor het houden van toezicht.

5.14. De in artikel 1 van de Regeling opgenomen bedragen die verschuldigd zijn voor de kosten verbonden aan het toezicht, zijn naar hun aard forfaitaire bedragen. De regelgever heeft een hoge mate van vrijheid bij het vaststellen van de verdeelsleutel voor de kosten van het toezicht, waarbij hij op grond van artikel 71u MW oud onderscheid moet maken tussen radio- en televisieprogramma's en voorts in ieder geval rekening moet houden met de gemiddelde duur van de uitzendingen en met het aantal huishoudens in Nederland, dat het programma kan volgen. Met genoemde aspecten heeft de regelgever in artikel 1 van de Regeling rekening gehouden. De rechtbank acht de keuze die de regelgever daarbij heeft gemaakt niet klaarblijkelijk onredelijk. Meer in het bijzonder geldt dit ook voor de toegepaste staffel, waarbij een zekere relatie bestaat tussen het aantal huishoudens in Nederland dat het programma kan ontvangen en de omvang van de toezichtkosten.

5.15. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een zodanige schending van algemene rechtsbeginselen dat de burgerlijke rechter kan ingrijpen. Ook de stelling van SCOEZH dat de rechtbank artikel 1 van de Regeling ambtshalve dient te toetsen aan Europeesrechtelijke regels - wat hier ook van zij - leidt niet tot een ander oordeel. Indien aan Europeesrechtelijke regels ambtshalve getoetst zou moeten worden, zou ook de bestuursrechter hiertoe gehouden zijn. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stuit deze stelling van SCOEZH dus af op het beginsel van formele rechtskracht. Er is geen aanleiding voor het maken van een uitzondering op de regel dat een besluit met formele rechtskracht zowel wat zijn wijze van totstandkoming als wat zijn inhoud betreft voor rechtmatig moet worden gehouden.

5.16. Gelet op het voorgaande is artikel 1 van de Regeling dus verbindend.

in conventie

5.17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de vordering van het Commissariaat tot betaling van de hoofdsom van € 18.360,- worden toegewezen. Nu SCOEZH geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering van het Commissariaat om SCOEZH te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente tot en met 28 juli 2009 van € 1.488,83 alsmede de wettelijke rente over € 18.360,- vanaf 29 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, en het op dit punt gevorderde de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze vordering eveneens worden toegewezen.

5.18. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dat een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Het Commissariaat heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van de werkzaamheden dient het tegendeel te worden afgeleid. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal dus worden afgewezen.

5.19. SCOEZH zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van het Commissariaat tot dusverre begroot op € 1.456,34, waarvan € 97,34 aan explootkosten, € 455,-- aan griffierecht en € 904,-- aan salaris advocaat (twee punten à € 452,--, volgens tarief II).

in reconventie

5.20. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zullen de vorderingen van SCOEZH worden afgewezen.

5.21. SCOEZH zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het Commissariaat worden veroordeeld. Het salaris van de advocaat van het Commissariaat wordt begroot op € 452,-- (twee punten x factor 0,5 à € 452,--, volgens tarief II)

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1. veroordeelt SCOEZH om aan het Commissariaat te betalen een bedrag van € 19.848,83, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 18.360,-- met ingang van 29 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.2. veroordeelt SCOEZH in de kosten van deze procedure, aan de zijde van het Commissariaat tot op heden begroot op € 1.456,34;

6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4. wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

6.5. wijst af het gevorderde;

6.6. veroordeelt SCOEZH in de kosten van deze procedure, aan de zijde van het Commissariaat tot op heden begroot op € 452,--;

6.7. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2009.