Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK6584

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/5582 en AWB 09/5583
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het primaire besluit op de juiste wijze aan eiser bekend gemaakt. Het bezwaarschrift is daarom buiten de termijn van vier weken, en derhalve niet tijdig, ingediend. In afwijking van artikel 6:7 Awb is in artikel 69, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vier weken bedraagt.

De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat het besluit in primo niet aangetekend is verzonden. Verder blijkt uit het dossier dat het besluit is verzonden aan eiser, op het adres (…) te (…). Niet is in geschil dat dit het adres is van eiser.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat het primaire besluit naar eiser is verzonden. Hiervoor is het volgende redengevend. In het departementale dossier bevindt zich de aanbiedingsbrief bij het besluit van 22 augustus 2007. Op deze brief is de afdruk van een stempel te zien met de tekst ‘verzonden 23 augustus 2007’. Daarnaast heeft verweerder een interne minuut overgelegd horende bij dit primaire besluit waarop eveneens een stempel is geplaatst met ‘verzonden 23 augustus 2007’. Met de afdruk van de stempel op de aanbiedingsbrief en de interne minuut is de verzending van het besluit genoegzaam komen vast te staan. Dat verweerder de verzending niet kan aantonen met bewijs van aangetekende verzending, leidt niet tot een ander oordeel. Hiertegenover is de enkele ontkenning van eiser het primaire besluit te hebben ontvangen, onvoldoende. De stelling dat poststukken in 0,2% van de verzendingen zoek raken bij TNT, is eveneens onvoldoende om aan te nemen dat dat in het onderhavige geval ook aan de orde is. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser het primaire besluit heeft ontvangen.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling het besluit echter niet aan hem, maar aan zijn toenmalig gemachtigde, mr. [a], moeten worden verzonden, omdat deze zich op 30 januari 2006 voor hem had gesteld. De brief van mr. [a] van 30 januari 2006 heeft immers betrekking op een andere procedure, betreffende een vordering tot vergoeding van schade. De aanvraag van 5 oktober 2006 is door eiser zelf gedaan en uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt niet dat mr. [a] zich ter zake uitdrukkelijk als gemachtigde heeft gesteld. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder er zonder meer van uit had moeten gaan dat mr. [a] ook in het kader van deze aanvraag als gemachtigde voor eiser optrad. Dat eiser niet reageerde op brieven van verweerder, betekent in de gegeven omstandigheden, anders dan eiser aanvoert, ook niet dat verweerder had moeten begrijpen dat mr. [a] als gemachtigde optrad. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat voor dit oordeel steun is te vinden in de brief van mr. [a] van 24 oktober 2007, die kennelijk betrekking heeft op de onderhavige procedure. Weliswaar noemt de brief een besluit van 20 augustus 2007, in plaats van 22 augustus 2007, maar hier is kennelijk sprake van een verschrijving, aangezien er blijkens het procesdossier geen aan eiser gericht besluit van 20 augustus 2007 bestaat. Uit de brief van 24 oktober 2007 blijkt duidelijk dat eiser eerst dan aan mr. [a] heeft verzocht hem bij te staan in de verblijfsrechtelijke procedure.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het primaire besluit op de juiste wijze op 23 augustus 2007 aan eiser heeft bekend gemaakt, zodat de bezwaartermijn ingevolge artikel 6:8 Awb juncto 69 Vw is aangevangen op 24 augustus 2007 en is geëindigd op 21 september 2007. Het bezwaarschrift van 28 oktober 2008 is daarom buiten de termijn van vier weken, en derhalve niet tijdig, ingediend. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, indien moet worden aangenomen dat de brief van mr. [a] van 24 oktober 2007 als bezwaarschrift moet worden aangemerkt, ook voor dit bezwaarschrift geldt dat het buiten de termijn van vier weken is verzonden, zodat dit niet tot een andere uitkomst kan leiden. Nu eiser voor het overige geen gronden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, zal de rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 09 / 5582 (beroep) AWB 09 / 5583 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 24 november 2009

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Filipijnse nationaliteit,

eiser / verzoeker,

verder te noemen eiser,

gemachtigde: mr. T.P.A. Weterings, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 5 oktober 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 22 augustus 2007 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 28 oktober 2008 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 23 januari 2009 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 19 februari 2009 beroep ingesteld.

1.2 Eiser heeft op 19 februari 2009 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 8 september 2009. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb) vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt ingevolge artikel 3:41, eerste lid, Awb door toezending of uitreiking aan hen, onder wie de aanvrager.

2.3 Een bezwaarschrift is ingevolge artikel 6:9 Awb tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

2.4 Ingevolge artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.5 In afwijking van artikel 6:7 Awb is in artikel 69, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vier weken bedraagt.

2.6 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Het bezwaarschrift is niet binnen de daartoe gestelde termijn van vier weken ingediend. Eisers gemachtigde is bij brief van 30 oktober 2008 in de gelegenheid gesteld de redenen van termijnoverschrijding bekend te maken. Hetgeen door de gemachtigde van eiser is aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Het bezwaarschrift is, gelet op het bepaalde in artikel 6:9 juncto 6:11 Awb kennelijk niet-ontvankelijk. Er is met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb afgezien van het horen van eiser. Er bestaat geen aanleiding de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in bezwaar te vergoeden.

2.7 Eiser heeft hiertegen in beroep het volgende aangevoerd. Het primaire besluit is niet op de juiste wijze kenbaar gemaakt, waardoor de termijn voor het maken van bezwaar niet is gaan lopen. Het primaire besluit had aan eisers toenmalige gemachtigde moeten worden gezonden, hetgeen verweerder heeft nagelaten. Om die reden is het besluit niet kenbaar gemaakt. Verweerder heeft niet aangetoond dat het besluit daadwerkelijk is verzonden. Volgens vaste jurisprudentie is het plaatsen van een datumstempel onvoldoende om van verzending uit te gaan. Er is geen verschil tussen het plaatsen van een datumstempel en een verzendstempel. Ten onrechte heeft verweerder afgezien van het horen van eiser naar aanleiding van zijn bezwaarschrift.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat het besluit in primo niet aangetekend is verzonden. Verder blijkt uit het dossier dat het besluit is verzonden aan eiser, op het adres [adres]. Niet is in geschil dat dit het adres is van eiser.

2.9 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt het besluit daadwerkelijk te hebben verzonden aan eiser. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie onder meer de uitspraken van 19 september 2007 in zaak nr. 200701760/1 en 20 september 2007 in zaak nrs. 200706062/1 en 200706062/2) dient, ingeval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden.

2.10 Uit jurisprudentie van de Afdeling (uitspraken van 1 juli 2008 en 13 oktober 2003, bijgevoegd) blijkt tevens dat op de begeleidende brief bij het besluit in ieder geval een stempel met de tekst ‘verzonden op ...’ moet staan, wil verweerder aannemelijk kunnen maken dat het besluit is verzonden.

2.11 Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat het primaire besluit naar eiser is verzonden. Hiervoor is het volgende redengevend.

2.12 In het departementale dossier bevindt zich de aanbiedingsbrief bij het besluit van 22 augustus 2007. Op deze brief is de afdruk van een stempel te zien met de tekst ‘verzonden 23 augustus 2007’. Daarnaast heeft verweerder een interne minuut overgelegd horende bij dit primaire besluit waarop eveneens een stempel is geplaatst met ‘verzonden 23 augustus 2007’. Met de afdruk van de stempel op de aanbiedingsbrief en de interne minuut is de verzending van het besluit genoegzaam komen vast te staan. Dat verweerder de verzending niet kan aantonen met bewijs van aangetekende verzending, leidt niet tot een ander oordeel.

2.13 Hiertegenover is de enkele ontkenning van eiser het primaire besluit te hebben ontvangen, onvoldoende. De stelling dat poststukken in 0,2% van de verzendingen zoek raken bij TNT, is eveneens onvoldoende om aan te nemen dat dat in het onderhavige geval ook aan de orde is. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser het primaire besluit heeft ontvangen.

2.14 Volgens eiser had het besluit echter niet aan hem, maar aan zijn toenmalig gemachtigde, mr. Jalandoni, moeten worden verzonden, omdat deze zich op 30 januari 2006 voor hem had gesteld. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De brief van mr. Jalandoni van 30 januari 2006 heeft immers betrekking op een andere procedure, betreffende een vordering tot vergoeding van schade. De aanvraag van 5 oktober 2006 is door eiser zelf gedaan en uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt niet dat mr. Jalandoni zich ter zake uitdrukkelijk als gemachtigde heeft gesteld. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder er zonder meer van uit had moeten gaan dat mr. Jalandoni ook in het kader van deze aanvraag als gemachtigde voor eiser optrad. Dat eiser niet reageerde op brieven van verweerder, betekent in de gegeven omstandigheden, anders dan eiser aanvoert, ook niet dat verweerder had moeten begrijpen dat mr. Jalandoni als gemachtigde optrad.

2.15 Ten overvloede merkt de rechtbank op dat voor dit oordeel steun is te vinden in de brief van mr. Jalandoni van 24 oktober 2007, die kennelijk betrekking heeft op de onderhavige procedure. Weliswaar noemt de brief een besluit van 20 augustus 2007, in plaats van 22 augustus 2007, maar hier is kennelijk sprake van een verschrijving, aangezien er blijkens het procesdossier geen aan eiser gericht besluit van 20 augustus 2007 bestaat. Uit de brief van 24 oktober 2007 blijkt duidelijk dat eiser eerst dan aan mr. Jalandoni heeft verzocht hem bij te staan in de verblijfsrechtelijke procedure.

2.16 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het primaire besluit op de juiste wijze op 23 augustus 2007 aan eiser heeft bekend gemaakt, zodat de bezwaartermijn ingevolge artikel 6:8 Awb juncto 69 Vw is aangevangen op 24 augustus 2007 en is geëindigd op 21 september 2007. Het bezwaarschrift van 28 oktober 2008 is daarom buiten de termijn van vier weken, en derhalve niet tijdig, ingediend. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, indien moet worden aangenomen dat de brief van mr. Jalandoni van 24 oktober 2007 als bezwaarschrift moet worden aangemerkt, ook voor dit bezwaarschrift geldt dat het buiten de termijn van vier weken is verzonden, zodat dit niet tot een andere uitkomst kan leiden.

2.17 Nu eiser voor het overige geen gronden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, zal de rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.18 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.19 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter:

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.I. de Vreese - Rood, rechter, tevens voorzieningenrechter, en op 24 november 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.