Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK6558

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/27810
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toewijzing vovo / mvv-vereiste / vertrouwensbeginsel / belangenafweging

Tussen partijen is niet in geschil dat aan verzoekster bij het indienen van onderhavige aanvraag op 16 juni 2009 een terugkeervisum is verleend en een sticker is afgegeven, waarop stond dat arbeid vrij was toegestaan. Verzoekster is naar aanleiding hiervan tijdens de behandeling van haar aanvraag naar haar land van herkomst gereisd en heeft aldaar geen machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) gevraagd omdat zij door de verlening van het terugkeervisum in veronderstelling verkeerde dat zij zou worden vrijgesteld van dit vereiste. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder derhalve in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel dan wel met het rechtszekerheidsbeginsel door in het besluit alsnog het mvv-vereiste tegen te werpen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze beroepsgrond niet op voorhand van enige grond ontbloot.

De voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoekster om de behandeling van haar beroep in Nederland af te kunnen wachten, zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij het niet achterwege laten van de uitzetting van verzoekster hangende het beroep. Voorlopige voorziening toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09 / 27810

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 november 2009

in de zaak van:

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum], van Marokkaanse nationaliteit,

verzoekster,

gemachtigde: mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.N. Mons, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoekster heeft op 16 juni 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “verblijf bij partner [naam]”. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 31 juli 2009 afgewezen. Verzoekster heeft tegen het besluit op 7 augustus 2009 bezwaar gemaakt.

1.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar de werking van het besluit niet opschort. Verzoekster heeft op 2 augustus 2009 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten voordat verweerder op het bezwaar heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 18 november 2009 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen dit besluit op 18 november 2009 beroep ingesteld.

1.4 Gelet op het bepaalde in artikel 8:81, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het verzoek om een voorlopige voorziening van 2 augustus 2009 thans gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep.

1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 19 november 2009. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen, omdat verzoekster niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Volgens verweerder komt verzoekster niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste en leidt toepassing van het mvv-vereiste niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het besluit is niet in strijd met artikel 8 EVRM.

2.3 Ter zitting heeft verzoekster aangevoerd dat de gronden van bezwaar worden herhaalt en ingelast.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.4 Gezien de omstandigheid dat verweerder één dag voor de zitting een beslissing op het bezwaar heeft genomen, kan verzoekster niet worden verweten dat zij de gronden van het beroep en het thans daaraan connexe verzoek om een voorlopige voorziening eerst ter zitting heeft aangevoerd.

2.5 Tussen partijen is niet in geschil dat aan verzoekster bij het indienen van onderhavige aanvraag op 16 juni 2009 een terugkeervisum is verleend en een sticker is afgegeven, waarop stond dat arbeid vrij was toegestaan. Verzoekster is naar aanleiding hiervan tijdens de behandeling van haar aanvraag naar haar land van herkomst gereisd en heeft aldaar geen mvv gevraagd omdat zij door de verlening van het terugkeervisum in veronderstelling verkeerde dat zij zou worden vrijgesteld van dit vereiste. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder derhalve in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel dan wel met het rechtszekerheidsbeginsel door in het besluit alsnog het mvv-vereiste tegen te werpen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze beroepsgrond niet op voorhand van enige grond ontbloot.

2.6 Gezien het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoekster om de behandeling van haar beroep in Nederland af te kunnen wachten, zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij het niet achterwege laten van de uitzetting van verzoekster hangende het beroep.

2.7 De voorzieningenrechter zal een voorlopige voorziening treffen.

2.8 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.9 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb gelast de voorzieningenrechter dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

3.2 verbiedt verweerder verzoekster uit te zetten voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 644,- te betalen aan verzoekster;

3.4 draagt verweerder op € 150,- te betalen aan verzoekster als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.I. de Vreese-Rood, voorzieningenrechter, en op 25 november 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.