Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK6556

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
337591 / HA RK 09-220 Wrakingsnummer 2009/11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking kantonrechter toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE – MEERVOUDIGE WRAKINGSKAMER

Wrakingnummer 2009/11

rekestnummer: 337591/ HA RK 09-220

kenmerknummer: 753092.RL.EXPL 08-10688

datum beschikking: 3 juni 2009

BESCHIKKING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te ‘s-Gravenhage,

verzoeker,

gemachtigden: [A], gerechtsdeurwaarder bij GGN Maas-Delta te Rotterdam, en

mr. [B], werkzaam bij DSW Zorgverzekeraar U.A. te Schiedam,

tegen

Mr. [X],

kantonrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1 Bij verstekvonnis van 28 februari 2008 is verzoeker veroordeeld tot betaling aan [C] (hierna: [C]) van een bedrag van € 2.162,22, vermeerderd met rente en kosten. In de daaropvolgende verzetprocedure heeft mr. [X] [C] toegelaten tot het leveren van bewijs over de in opdracht en voor rekening van verzoeker verrichte behandelingen, die aan de vordering ten grondslag waren gelegd. Op 23 februari 2009 en 18 maart 2009 hebben getuigenverhoren plaatsgehad. Partijen, eerst [C], hebben vervolgens een conclusie na enquête genomen.

1.2 Bij brief van 4 mei 2009 heeft mr. [A] namens verzoeker een verzoek tot wraking van mr. [X] ingediend.

1.3 Mr. [X] heeft schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. Deze reactie is op 18 mei 2009 door de wrakingskamer ontvangen.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 25 mei 2009 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker is verschenen bij zijn gemachtigde mr. [B]. Namens [C] is verschenen, [D]. Mr. [X] is, na voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

3. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn wrakingsverzoek:

3.1 Mr. [X] heeft gezegd dat hij het vreemd vindt dat verzoeker door een gemachtigde van Zorgverzekeraar DSW wordt vertegenwoordigd en dat hij zich het bezwaar daartegen van [C] goed kan voorstellen - deze opmerking strookt niet met de wet en jurisprudentie;

3.2 Toen bleek dat de vordering niet op 2007 maar op 2006 zag - omdat de praktijk van [C] na een inval van de Fiod/ECD in 2006 was gesloten - heeft mr. [X] gesuggereerd dat [C] de grondslag van zijn vordering zou wijzigen en heeft hij vervolgens, in weerwil van de bezwaren daartegen van verzoeker - die er onder meer op heeft gewezen dat de overgelegde facturen waren gedateerd op 2007 - en in strijd met de wet waarin is bepaald dat een eiswijziging schriftelijk moet geschieden, de niet op schrift gestelde eiswijziging toegelaten;

3.3 Mr. [X] had commentaar op het niet verschijnen van verzoeker op een zitting. Hij heeft het bij herhaling niet verschijnen van [C], die als partij-getuige was opgeroepen, onbesproken gelaten.

3.4 Mr. [X] heeft de gemachtigde van verzoeker tijdens de getuigenverhoren bij herhaling belet vragen te stellen over het medisch behandeldossier - waaruit volgens verzoeker kon blijken op welke data welke behandelingen hebben plaatsgevonden. Mr. [X] heeft geweigerd akte verlenen van het beletten van deze vragen en heeft ook overigens geweigerd daar iets over op te nemen in het proces-verbaal van het getuigenverhoor, met de mededeling dat verzoeker zijn bezwaren tegen deze gang van zaken in een conclusie na enquête moest opnemen. Mr. [X] heeft vragen over het medisch behandeldossier van de gemachtigde van [C] (ter ontlasting) wel toegestaan,

3.5 Mr. [X] heeft bij het vaststellen van de taxe opgemerkt dat deze getuige toch niet hoefde te wachten op op vonnis totdat de taxe door verzoeker werd vergoed;

3.6 Tijdens de zittingen was in het algemeen sprake van een negatieve benadering en negatieve toonzetting van mr. [X] jegens verzoeker.

4. Het standpunt van mr. [X]

In zijn schriftelijke reactie heeft mr. [X] te kennen gegeven dat hij niet in de wraking berust. Hij heeft aangegeven dat er bij de getuigenverhoren wrijvingen zijn ontstaan met de gemachtigde van verzoeker, maar dat het contact met verzoeker prettig is verlopen. Hij heeft voorts opgemerkt dat partijen de gelegenheid krijgen na de getuigenverhoren te concluderen en dat verzoeker dan zou kunnen aanvoeren dat de eiswijziging in strijd is met een goede procesorde. Mr. [X] heeft voorts aangegeven dat hij zich niet kan herinneren dat voor het/de tussenvonnissen één van de partijen het behandeldossier ter sprake heeft gebracht en heeft met betrekking tot de taxe gewezen op het gestelde in artikel 182 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5. Het standpunt van [C]

Namens [C] is aangevoerd dat mr. [X] beide partijen gelijk heeft behandeld; ook de gemachtigde van [C] heeft tijdens de zittingen een paar keer een ‘veeg uit de pan’ gekregen van mr. [X].

6. Beoordeling

6.1 Bij de beoordeling dient als uitgangspunt te gelden dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.2 Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

6.3 De onder 3.2 en 3.4 weergegeven, feiten en omstandigheden zijn niet weersproken. Vaststaat derhalve dat toen bleek dat de vordering niet op 2007 maar op 2006 zag - omdat de praktijk van [C] na een inval van de Fiod/ECD in 2006 was gesloten - mr. [X] heeft gesuggereerd dat [C] de grondslag van zijn vordering zou wijzigen en hij vervolgens, in weerwil van de bezwaren daartegen van verzoeker - die er onder meer op heeft gewezen dat de overgelegde facturen waren gedateerd op 2007 - en in strijd met de wet waarin is bepaald dat een eiswijziging schriftelijk moet geschieden, de niet op schrift gestelde eiswijziging heeft toegelaten. Voorts staat vast dat mr. [X] tijdens de getuigenverhoren heeft geweigerd akte verlenen van het beletten van vragen van de gemachtigde van verzoeker over het medisch behandeldossier - waaruit volgens verzoeker kon blijken op welke data welke behandelingen hebben plaatsgevonden en ook overigens heeft geweigerd daar iets over op te nemen in het proces-verbaal van het getuigenverhoor, met de mededeling dat verzoeker zijn bezwaren tegen deze gang van zaken in een conclusie na enquête moest opnemen. Mr. [X] heeft vragen over het medisch behandeldossier van de gemachtigde van [C] (ter ontlasting) wel toegestaan.

In deze feiten en omstandigheden ziet de rechtbank een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin die toewijzing van het wrakingsverzoek rechtvaardigt. Deze feiten en omstandigheden geven blijk van een verschillende behandeling van (de gemachtigde) van verzoeker dan (de gemachtigde van) [C], die onvoldoende rechtvaardiging vindt in de merites van het voorliggende geschil en in de gang van zaken tijdens de zittingen. Daarmee heeft mr. [X] bij verzoeker de schijn gewekt dat hij niet onbevooroordeeld was jegens hem.

6.4 Hetgeen verzoeker overigens heeft gesteld kan onbesproken blijven.

7. Beslissing

De rechtbank:

wijst toe het verzoek tot wraking van mr. [X];

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn gemachtigde mr. [A];

• [C] p/a zijn gemachtigde drs. [E];

• de kantonrechterrechter mr. [X].

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2009 door mrs L. de Loor-Alwin,

E. Rabbie en J.A. van Steen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier als griffier.