Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK6553

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/9827 en AWB 09/9828
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM6107, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Geen sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar

Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Awb vormt de hoorplicht een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Daarvan kan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.

Gelet op hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld en het begin van bewijs dat daar is geleverd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan voornoemde maatstaf. In de overgelegde verklaringen staat immers dat eiser in 2006 in Nederland heeft verbleven, zodat niet op voorhand duidelijk was dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit konden leiden. Gelet hierop lag het op de weg van verweerder, alvorens een beslissing op het bezwaar te nemen, zich ervan te vergewissen dat geen sprake was van ononderbroken verblijf en dat het bezwaar, al dan niet onder toepassing van artikel 4:84 Awb, niet alsnog kon leiden tot het doen van een aanbod op grond van de Regeling. Een hoorzitting zou daartoe het aangewezen middel zijn geweest.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder heeft derhalve niet van het horen van eiser mogen afzien. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 09 / 9827 (beroep)

AWB 09 / 9828 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 23 november 2009

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Iraanse nationaliteit,

eiser/verzoeker,

verder te noemen eiser,

gemachtigde: mr. J.J. Wedemeijer, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. H. van Velzen, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 1 december 2008 bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve weigering van verweerder om eiser een aanbod te doen op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (hierna: de Regeling) zoals neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/11. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 18 maart 2009 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 20 maart 2009 beroep ingesteld.

1.2 Eiser heeft op 20 maart 2009 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft op 4 september 2009 een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 17 september 2009. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet 2000 (Vw), is Onze Minister bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.

2.3 Ingevolge artikel 3.6, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), kunnen bij ministeriële regeling andere beperkingen dan genoemd in het eerste lid van dit artikel worden aangewezen waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend.

2.4 In artikel 3.17a, aanhef en onder b, Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Vv), voor zover hier van belang, is bepaald dat als beperking, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, Vb, wordt aangewezen de beperking verband houdende met de afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet.

2.5 Ingevolge WBV 2007/11 wordt een vergunning gegeven aan de vreemdeling:

a. wiens eerste asielaanvraag vóór 1 april 2001 is ingediend, dan wel die zich reeds vóór 1 april 2001 bij de IND of vreemdelingenpolitie heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag;

b. die sinds 1 april 2001 ononderbroken in Nederland heeft verbleven; en die,

c. voor zover toepasselijk, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsaanvaarding op grond van de regeling.

Ad b.

Ononderbroken verblijf sinds 1 april 2001 wordt slechts aangenomen indien:

1. de vreemdeling op 13 december 2006 behoorde tot de doelgroep van het project Terugkeer (oorspronkelijk project en zij-instroom) én viel onder een van rijkswege verstrekte voorziening;

2. de vreemdeling zich op 13 december 2006 hier te lande bevond in een procedure omtrent een verblijfsvergunning;

3. de vreemdeling op 13 december 2006 in het bezit was van een verblijfsvergunning; of

4. dit blijkt uit een verklaring van de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling feitelijk verblijft.

In de eerste drie gevallen is de verblijfplaats van de vreemdeling in beginsel reeds bekend bij de IND of de DT&V. Is dat niet het geval, dan dient het ononderbroken verblijf te blijken uit een verklaring van de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling feitelijk verblijft. In deze verklaring dient te worden bevestigd dat de vreemdeling aantoonbaar ononderbroken sinds 1 januari 2006 – of sinds enig moment voor 13 december 2006 aansluitend op zijn uitstroom uit het project Terugkeer – in het kader van noodopvang in die gemeente heeft verbleven. Indien de vreemdeling in verschillende gemeenten heeft verbleven, omvat de burgemeestersverklaring tevens het verblijf in de andere gemeenten.

2.6 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

Eiser heeft op 18 juni 2000 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Die aanvraag is bij uitspraak van 13 november 2002 door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, onherroepelijk afgewezen (AWB 01/61171).

Eiser heeft op 11 december 2008 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling. Verweerder heeft op deze aanvraag nog niet beslist.

2.7 Verweerder heeft zich op de volgende standpunten gesteld. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van WBV 2007/11 omdat niet is gebleken van ononderbroken verblijf in Nederland sinds 1 april 2001. In hetgeen is aangevoerd, ziet verweerder geen aanleiding om met toepassing van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het beleid af te wijken en eiser alsnog een aanbod te doen op grond van de Regeling. Verweerder heeft op grond van artikel 7:3, onder b, Awb kunnen afzien van het horen van eiser.

2.8 Eiser heeft hiertegen in beroep, samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Eiser heeft ruim op tijd een aanvraag om een burgemeestersverklaring ingediend bij de gemeentes Alkmaar en Utrecht. Om voor eiser onduidelijke redenen heeft hij nimmer een reactie gekregen op zijn aanvragen. Eiser heeft geen rechtsmiddelen tot zijn beschikking om het afgeven van een dergelijke verklaring af te dwingen. Eiser heeft evenwel bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2006 in Nederland heeft verbleven. Verweerder had derhalve informatie bij de burgemeesters moeten inwinnen. Verweerder had toepassing moeten geven aan artikel 4:84 Awb. Verweerder had eiser gezien het voorgaande moeten horen op zijn bezwaar.

2.9 In het verweerschrift heeft verweerder aanvullend het volgende standpunt ingenomen. De stelling dat eiser geen reactie heeft ontvangen op het verzoek tot afgifte van een burgemeestersverklaring, doet niet af aan de omstandigheid dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor ononderbroken verblijf. Het ligt op eisers weg dit aan te tonen. Verweerder is geen partij bij het verkrijgen van de burgemeestersverklaring. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd leidt niet tot toepassing van artikel 4:84 Awb.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.10 Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

2.11 Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

2.12 Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Awb vormt de hoorplicht een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Daarvan kan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.

2.13 Eiser heeft zich in bezwaar op het standpunt gesteld dat hij sinds 1 april 2001 onafgebroken in Nederland heeft verbleven. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser aangevoerd dat hij weliswaar nog geen reactie heeft ontvangen op zijn verzoek om afgifte van een burgemeestersverklaring, maar dat uit de overige overgelegde verklaringen blijkt dat eiser onder andere in 2006 in Nederland heeft verbleven. Verweerder had derhalve toepassing moeten geven aan artikel 4:84 Awb.

2.14 Gelet op hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld en het begin van bewijs dat daar is geleverd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de in rechtsoverweging 2.12 genoemde maatstaf. In de overgelegde verklaringen staat immers dat eiser in 2006 in Nederland heeft verbleven, zodat niet op voorhand duidelijk was dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit konden leiden. Gelet hierop lag het op de weg van verweerder, alvorens een beslissing op het bezwaar te nemen, zich ervan te vergewissen dat geen sprake was van ononderbroken verblijf en dat het bezwaar, al dan niet onder toepassing van artikel 4:84 Awb, niet alsnog kon leiden tot het doen van een aanbod op grond van de Regeling. Een hoorzitting zou daartoe het aangewezen middel zijn geweest.

2.15 Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder heeft derhalve niet van het horen van eiser mogen afzien

2.16 Het standpunt van verweerders gemachtigde ter zitting dat het in WBV 2007/11 neergelegde beleid restrictief wordt toegepast, wat betekent dat wanneer niet aan de daarin gestelde criteria voor ononderbroken verblijf wordt voldaan geen ononderbroken verblijf door verweerder wordt aangenomen, doet aan het voorgaande niet af. Dit laat immers onverlet dat verweerder de verplichting heeft een zorgvuldig besluit te nemen.

2.17 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 7:2 Awb.

2.18 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.19 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

2.20 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

Verzoek om een voorlopige voorziening

2.21 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.22 Nu eiser in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag van 11 december 2008 voor een verblijfsvergunning regulier op grond van de Regeling heeft eiser rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw. Reeds hierom heeft eiser geen proces-belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Daarnaast is aan het verzoek het belang komen te ontvallen omdat in de hoofdzaak is beslist. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.23 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, in verband met het beroep;

3.5 draagt de Staat der Nederlanden op € 150,- aan eiser te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht voor het beroep.

De voorzieningenrechter:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M.A. Bataille, rechter, tevens voorzieningenrechter, en op 23 november 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.