Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BK6552

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
Awb 09/38377 en 09/38375
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / Irak / homoseksualiteit niet in geschil / geen nova / 3 EVRM / arguable claim

Aldus ligt thans de vraag voor of de feiten en omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd in het kader van artikel 3 EVRM maken dat er een “arguable claim” is omtrent een reëel risico op een schending van voormeld artikel. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde, onder verwijzing naar een brief van verweerder van 31 maart 2009 aan deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, verklaard dat Irak (onbestreden) het land van herkomst van verzoeker is. Bovendien is door verzoeker onbetwist gesteld dat hij homoseksueel is. Nu in de door verzoeker overgelegde stukken melding wordt gemaakt van het systematisch vermoorden van homoseksuelen in Irak, heeft verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter een “arguable claim” als voormeld.

Dit betekent vervolgens dat verweerders besluit inhoudelijk moet worden getoetst. In het bestreden besluit is (onder meer) het volgende opgenomen: “(…), nu de identiteit, nationaliteit en het asielrelaas van betrokkene nog immer niet aannemelijk zijn kan niet worden ingezien dat de rapporten op betrokkene zien”.

Nu echter niet in geschil is dat verzoeker een uit Irak afkomstige homoseksueel is, kan niet worden staande gehouden dat de rapporten niet op verzoeker zien. Nu daarenboven verder niet (inhoudelijk) is ingegaan op (de relatie tussen) de door verzoeker gestelde schending van artikel 3 EVRM en zijn homoseksualiteit, kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER ‘s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

vreemdelingenkamer

nevenzittingsplaats Almelo

regnr.: Awb 09/38377 BEPTDN/CM en 09/38375 BEPTDN/CM

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[verzoeker],

alias [verzoeker 1],

geboren op [datum] 1984,

van Iraakse nationaliteit,

IND dossiernummer [X]

verzoeker,

gemachtigde: mr. E.L. Garnett, advocaat te `s-Hertogenbosch;

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. S. Raterink, ambtenaar ten departemente.

1. Procesverloop

Op 14 oktober 2009 heeft verzoeker een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft verweerder de aanvraag in het Aanmeldcentrum (AC) afgewezen. Bij brief van 20 oktober 2009, aangevuld bij schrijven van 26 oktober 2009, is daartegen beroep ingesteld en tevens is verzocht om een voorlopige voorziening.

Het verzoek is ter zitting van 6 november 2009 behandeld. Verzoeker is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Standpunten

Verzoeker heeft aan de herhaalde aanvraag de volgende stukken ten grondslag gelegd.

1. Een militair pasje met vertaling d.d. 15 januari 2001;

2. Twee machtigingen van de Iraakse ambassade van onbekende datum;

3. Een brief van de gemachtigde met bijlagen d.d. 8 oktober 2009.

Volgens verzoeker komt hij, vanwege de gewijzigde situatie voor homoseksuelen in Irak, in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Bij terugkeer loopt hij namelijk het risico op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden (nova) in de zin van artikel 4:6, Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Met betrekking tot het document genoemd onder 1 stelt verweerder zich op het standpunt dat dit reeds in de eerste asielprocedure is meegenomen. Bovendien is hiermee de identiteit van verzoeker nog steeds niet aangetoond, nu blijkens het rapport van de Koninklijke Marechausse (KMAR) van 19 oktober 2009 over dit stuk geen waardeoordeel gegeven kan worden.

Ten aanzien van de documenten genoemd onder 2 stelt verweerder dat de documenten zijn afgegeven op basis van verzoekers valse identiteitskaart, zodat deze ook niet gelden als nova in de zin van artikel 4:6 Awb.

Ten aanzien van verzoekers “ware” asielrelaas, inhoudende dat hij homoseksueel is, stelt verweerder dat verzoeker dit reeds eerder had kunnen en behoren in te brengen en dat er reeds om die reden geen sprake is van een novum in de zin van artikel 4:6 Awb.

Volgens verweerder kan niet worden ingezien dat de ingebrachte rapporten over de situatie in Irak zien op verzoeker; zijn identiteit, nationaliteit en asielrelaas zijn immers niet aannemelijk, aldus verweerder. Evenmin kan worden beoordeeld of verzoeker bij terugkeer een risico loopt om te worden vermoord.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij de voorzieningenrechter beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening worden gevraagd.

De voorzieningenrechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van de verzoeker in afwachting van de beslissing op het beroep moet worden verboden.

Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de voorzieningenrechter aanhangige hoofdzaak.

Aangezien verweerder de aanvraag heeft afgewezen in het AC dient tevens beoordeeld te worden of de aanvraag op zorgvuldige wijze binnen 48 uur is afgedaan.

Nu verzoeker na het eerdere afwijzende besluit d.d. 2 oktober 2008 op zijn asielaanvraag wederom een asielaanvraag heeft gedaan, is hij op grond van het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb gehouden nova te vermelden. Uit het ne bis in idem beginsel vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat laatstgenoemd besluit door de bestuursrechter niet mag worden getoetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nova zijn aangevoerd, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

De voorzieningenrechter beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nova ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moet worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), behoorden te worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het militaire pasje (genoemd onder 1.) en de machtigingen van de Iraakse ambassade (genoemd onder 2.) geen nova zijn. Het militaire pasje is immers reeds aan de orde geweest in de eerste procedure. Daarbij komt dat, zoals verweerder terecht stelt, de KMAR geen waardeoordeel kan geven over dit stuk, zodat verzoeker niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat hij hiermee zijn identiteit heeft aangetoond. Met betrekking tot de onder 2. genoemde documenten heeft te gelden dat deze zijn verkregen met behulp van de in de vorige procedure vals bevonden identiteitskaart.

Verzoekers homoseksualiteit – en daarmee de onder 3. genoemde stukken, die immers zien op de positie van homoseksuelen in Irak – kunnen evenmin als novum gelden. Niet valt immers in te zien dat verzoeker zijn seksuele geaardheid niet bij zijn eerdere aanvraag naar voren had kunnen en derhalve, gelet op de mogelijke relevantie daarvan voor de beoordeling van zijn aanvraag, moeten brengen. De stelling dat hij zijn geaardheid uit schaamte en angst heeft verzwegen, doet daaraan niet af; hem is immers bij zijn gehoren in de eerste procedure meegedeeld dat hij in vrijheid kon spreken en dat het belangrijk was de waarheid te vertellen over zijn asielverhaal.

Verzoeker heeft verder, onder verwijzing naar de onder 3. genoemde stukken, aangevoerd dat bij gedwongen terugkeer naar het land van herkomst een risico bestaat op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling of bestraffing. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt echter dat, ook in zo een geval, in beginsel moet worden voldaan aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels en dat slechts in het geval van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden de noodzaak kan bestaan deze procedureregels niet tegen te werpen. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat nationale procedureregels er nooit toe mogen leiden dat een persoon wordt uitgezet in strijd met artikel 3 EVRM.

Aldus ligt thans de vraag voor of de feiten en omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd in het kader van artikel 3 EVRM maken dat er een “arguable claim” is omtrent een reëel risico op een schending van voormeld artikel. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde, onder verwijzing naar een brief van verweerder van 31 maart 2009 aan deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, verklaard dat Irak (onbestreden) het land van herkomst van verzoeker is. Bovendien is door verzoeker onbetwist gesteld dat hij homoseksueel is. Nu in de door verzoeker overgelegde stukken melding wordt gemaakt van het systematisch vermoorden van homoseksuelen in Irak, heeft verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter een “arguable claim” als voormeld.

Dit betekent vervolgens dat verweerders besluit inhoudelijk moet worden getoetst. In het bestreden besluit is (onder meer) het volgende opgenomen: “(…), nu de identiteit, nationaliteit en het asielrelaas van betrokkene nog immer niet aannemelijk zijn kan niet worden ingezien dat de rapporten op betrokkene zien”.

Nu echter niet in geschil is dat verzoeker een uit Irak afkomstige homoseksueel is, kan niet worden staande gehouden dat de rapporten niet op verzoeker zien. Nu daarenboven verder niet (inhoudelijk) is ingegaan op (de relatie tussen) de door verzoeker gestelde schending van artikel 3 EVRM en zijn homoseksualiteit, kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen en niet op een voldoende draagkrachtige motivering berust. Er bestaat strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. Verweerder kon naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het besluit op de herhaalde aanvraag niet volstaan met een verwijzing naar het eerdere besluit. Dit betekent tevens dat de asielaanvraag zich niet leende voor afdoening in een AC en er aanleiding bestaat voor het toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden verklaart de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:86 Awb, het beroep gegrond.

Er is aanleiding voor proceskostenveroordeling. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden terzake van verleende rechtsbijstand 2 punten, met een wegingsfactor 1, toegekend waarbij in aanmerking wordt genomen dat er sprake is van samenhangende zaken.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en gebiedt verweerder zich te onthouden van uitzettingsmaatregelen ten aanzien van verzoeker tot tenminste vier weken nadat opnieuw op de aanvraag is beslist;

- verklaart het beroep geregistreerd onder Awb 09/38375 gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 oktober 2009;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 874,- en te voldoen aan verzoeker.

Aldus gedaan door mr. E. Horsthuis voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. A. Akfidan-Turan, griffier.

De griffier,

De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op

Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: